De voorzieningenrechter van de Rechtbank Noord-Holland heeft op 22 januari 2026 uitspraak gedaan in een zaak waarin verzoeker een voorlopige voorziening vroeg tegen het besluit van de burgemeester van Zaanstad om zijn bedrijfspand voor negen maanden te sluiten op grond van artikel 13b van de Opiumwet.
De burgemeester had het besluit genomen na politieonderzoek waarbij onder meer lachgascilinders en contant geld in beslag waren genomen, en na een explosie bij het pand. Verzoeker exploiteert vanuit het pand een autoverhuurbedrijf en voerde aan dat hij door de sluiting inkomsten misloopt, mede vanwege een potentiële huurder die het pand wil huren.
De voorzieningenrechter oordeelde dat verzoeker geen spoedeisend belang had aangetoond, omdat hij niet in een financiële noodsituatie verkeert en nog inkomsten heeft. Daarnaast is het besluit niet evident onrechtmatig, mede gezien de vermoedelijke overtreding van het verbod op handel in lachgascilinders. Het verzoek om voorlopige voorziening werd daarom afgewezen.
De uitspraak is bindend voor de voorlopige fase en staat geen hoger beroep of verzet toe.