ECLI:NL:RBNHO:2026:1340

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
22 januari 2026
Publicatiedatum
13 februari 2026
Zaaknummer
25_5776
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 13b OpiumwetArt. 3 OpiumwetArt. 6:19 AwbArt. 8:81 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening tegen sluiting bedrijfspand wegens lachgashandel

De voorzieningenrechter van de Rechtbank Noord-Holland heeft op 22 januari 2026 uitspraak gedaan in een zaak waarin verzoeker een voorlopige voorziening vroeg tegen het besluit van de burgemeester van Zaanstad om zijn bedrijfspand voor negen maanden te sluiten op grond van artikel 13b van de Opiumwet.

De burgemeester had het besluit genomen na politieonderzoek waarbij onder meer lachgascilinders en contant geld in beslag waren genomen, en na een explosie bij het pand. Verzoeker exploiteert vanuit het pand een autoverhuurbedrijf en voerde aan dat hij door de sluiting inkomsten misloopt, mede vanwege een potentiële huurder die het pand wil huren.

De voorzieningenrechter oordeelde dat verzoeker geen spoedeisend belang had aangetoond, omdat hij niet in een financiële noodsituatie verkeert en nog inkomsten heeft. Daarnaast is het besluit niet evident onrechtmatig, mede gezien de vermoedelijke overtreding van het verbod op handel in lachgascilinders. Het verzoek om voorlopige voorziening werd daarom afgewezen.

De uitspraak is bindend voor de voorlopige fase en staat geen hoger beroep of verzet toe.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de sluiting van het bedrijfspand wordt afgewezen wegens gebrek aan spoedeisend belang en omdat het besluit niet evident onrechtmatig is.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 25/5776

uitspraak van de voorzieningenrechter van 22 januari 2026 in de zaak tussen

[verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker

(gemachtigde: mr. M.A. Muntjewerf),
en

de burgemeester van de gemeente Zaanstad, de burgemeester

(gemachtigden: mr. S.E.H. van Thoor en mr. P. Bijleveld).

Samenvatting

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek van verzoeker om een voorlopige voorziening vanwege het sluiten van zijn bedrijfspand voor de duur van negen maanden.
1.1.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. De voorzieningenrechter komt tot dat oordeel omdat verzoeker niet heeft aangetoond dat sprake is van spoedeisend belang. Vervolgens komt de voorzieningenrechter tot het oordeel dat geen sprake is van een evident onrechtmatig besluit waardoor geen aanleiding bestaat om een voorziening te treffen. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Procesverloop

2. Bij besluit van 18 september 2025 heeft de burgemeester op grond van artikel 13b van de Opiumwet (Ow) en zijn ‘Beleid artikel 13b Opiumwet gemeente Zaanstad 2021’ de sluiting gelast van het bedrijfspand van verzoeker aan de [adres] te Zaandam (nader: het bedrijfspand). Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen. Bij besluit van 24 december 2025 heeft de burgemeester - onder verwijzing naar artikel 6:19 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) - bepaald dat het besluit van 24 december 2025 in de plaats treedt van het besluit van 18 september 2025.
2.1.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 14 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van verzoeker en de gemachtigden van de burgemeester.

Totstandkoming van het besluit

3. Volgens het kadaster is [bedrijf 1] BV eigenaar van het pand. Verzoeker is bestuurder en enig aandeelhouder van dit bedrijf. Daarnaast is verzoeker eigenaar van [bedrijf 2] dat in bovenvermeld bedrijfspand is gevestigd.
4. Uit de bestuurlijke rapportage van 16 september 2025 volgt dat politieambtenaren op 10 september 2025 rijdend op de autosnelweg A10 te Amsterdam een bestelauto, Peugeot Boxer, voorzien van het Duitse kenteken ‘ [kenteken 1] ’ hebben gezien die een melding gaf op de Automatic Numberplate Recognition (ANPR). Dit voertuig is in het ANPR-systeem geplaatst omdat het mogelijk betrokken was bij de handel/het vervoer van lachgas. Op basis van deze constatering hebben politieambtenaren de bestelauto gevolgd tot het adres van het bedrijfspand. Vervolgens zijn waarnemingen verricht en de politiedatasystemen geraadpleegd. Uit de politiedatasystemen blijkt dat diverse meldingen zijn geregistreerd met betrekking tot het bedrijfspand in verband met de opslag van lachgascilinders. Verder heeft er op 1 mei 2025 een explosie plaatsgevonden bij het bedrijfspand. In de bestuurlijke rapportage wordt ter zake vermeld dat er een persoon langs het bedrijf was gelopen die een explosief had geplaatst dat ook daadwerkelijk was afgegaan hetgeen resulteerde in veel schade aan het pand. Ook wordt vermeld dat politieambtenaren in oktober 2024 een voertuig bij het pand hebben zien staan en dat de eigenaar hiervan niet uit de omgeving kwam en betrokken was bij de vondst van 332 kilogram lachgas in een loods.
Gelet op alle feiten en omstandigheden zijn de politieambtenaren het bedrijfspand binnengetreden. In de bestuurlijke rapportage wordt vermeld dat de volgende goederen in beslag zijn genomen: een bakwagen met kenteken [kenteken 2] , 41 lachgasflessen achter het pand, 120 lachgasflessen in een verborgen ruimte in een vrachtwagen met kenteken [kenteken 2] , een aktetas met € 6.430,-- en een vuilniszak met € 45.000.--.

Standpunten van verzoeker

5.1.
Verzoeker exploiteert vanuit het bedrijfspand zijn onderneming [bedrijf 2] , een bedrijf dat auto’s ter beschikking stelt dan wel verhuurt aan taxichauffeurs. Daarnaast verrichtte hij werkzaamheden als monteur. Verzoeker heeft ter zitting verklaard dat hij na de sluiting van het bedrijfspand is doorgegaan met de verhuur van auto’s maar dan online. Het betreft oude auto’s. Voor de noodzakelijke reparaties hiervan, brengt verzoeker deze auto’s naar andere garages. Verzoeker heeft verder ter zitting verklaard dat zijn inkomsten als gevolg van de sluiting minder zijn dan voorheen maar dat het niet zo is dat hij zijn huis kwijtraakt. Het spoedeisend belang van verzoeker is gelegen in het – vanaf 6 januari 2026 – kunnen verhuren van zijn bedrijfspand gedurende 48 maanden tegen een maandbedrag van € 5.500,--, derhalve in totaal € 264.000,--. Verzoeker kreeg dit aanbod begin december 2025. Dit heeft geleid tot een intentieverklaring met de potentiële nieuwe huurder van zijn bedrijfspand. Op basis van dit gunstig financieel aanbod en het - op dat moment – nog ontbreken van een datum voor de hoorzitting, heeft verzoeker zich tot de voorzieningenrechter gewend met het verzoek om het besluit tot sluiting van zijn bedrijfspand te schorsen zodat de verhuurovereenkomst getekend kan worden.
5.2.
Ten aanzien van de in beslag genomen lachgascilinders stelt verzoeker dat de 120 stuks die in een verborgen ruimte in een vrachtwagen zijn gevonden niet van hem waren. Hij heeft niet in lachgas gehandeld en hem kan in strafrechtelijke zin geen verwijt worden gemaakt. Verder is geen sprake van een nadelige beïnvloeding van het woon- en leefklimaat in de omgeving. Verzoeker heeft ter zitting toegelicht dat de aanwezigheid van grote bedragen contant geld gebruikelijk is in de internationale autohandel. Daarnaast heeft hij zijn huis in
Servië verkocht.

Standpunten van de burgemeester

6. De burgemeester stelt zich op het standpunt dat verzoeker geen spoedeisend belang heeft. Verzoeker heeft pas drie maanden na de sluiting een verzoek om voorlopige voorziening ingediend. Daarbij is niet toegelicht waarom in de eerste drie maanden geen noodzaak bestond voor een dergelijk verzoek. Voor zover verzoeker stelt dat een potentiële huurder voor zijn bedrijfspand aanleiding vormt voor het verzoek om voorlopige voorziening stelt de burgemeester dat dit een financieel belang betreft dat volgens jurisprudentie in beginsel geen spoedeisend belang oplevert. Verder is de status van een eventuele huurovereenkomst onbekend. Verzoeker heeft ook niet toegelicht of hij andere bronnen van inkomsten heeft.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

7. De voorzieningenrechter stelt vast dat het verzoek om voorlopige voorziening op grond van artikel 6:19 van Pro de Awb niet meer is gericht tegen het besluit van 18 september 2025 maar is gericht tegen het besluit van 24 december 2025.
Is er sprake van een spoedeisend belang?
8. Voordat de voorzieningenrechter aan de inhoudelijke beoordeling van het verzoek om voorlopige voorziening toekomt, moet zij eerst, zoals artikel 8:81, eerste lid, van de Awb bepaalt, beoordelen of sprake is van onverwijlde spoed.
9. Op grond van jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State [1] is een financieel belang in de regel op zichzelf onvoldoende reden om een voorlopige voorziening te treffen. Een spoedeisend belang kan echter wel worden aangenomen, als aannemelijk is dat verzoeker in een financiële noodsituatie zal komen te verkeren. Daarvan kan sprake zijn als de continuïteit van de bedrijfsvoering in gevaar komt als geen voorlopige voorziening wordt getroffen.
Het gestelde belang van verzoeker bij het verzoek om voorlopige voorziening is het kunnen sluiten van een huurovereenkomst voor zijn bedrijfspand tegen een vastgestelde periode en huurprijs. Dit belang is financieel van aard maar gesteld noch gebleken is dat verzoeker in een financiële noodsituatie verkeert. Verder is niet gebleken dat verzoeker de financiële kosten van de gevolgen van de sluiting tot de beslissing op het bezwaar niet kan dragen en dat om die reden een onomkeerbare situatie dreigt. Uit de behandeling van het verzoek ter zitting is ook gebleken dat verzoeker nog steeds inkomsten heeft. De conclusie is dat er geen spoedeisend belang is en dat het verzoek om een voorlopige voorziening daarom wordt afgewezen.
Is het besluit evident onrechtmatig?
10. Omdat geen sprake is van spoedeisend belang, kan de gevraagde voorziening alleen nog worden getroffen als het bestreden besluit evident onrechtmatig is. Met evident onrechtmatig wordt bedoeld dat zonder diepgaand onderzoek naar de relevante feiten en/of het recht zeer ernstig moet worden betwijfeld of het door de burgemeester ingenomen standpunt juist is en of het bestreden besluit in de bodemprocedure in stand zal blijven.
11. De voorzieningenrechter ziet in wat verzoeker heeft aangevoerd geen grond voor dat oordeel. Nog daargelaten of de vrachtwagen met 120 lachgascilinders van verzoeker was, is onduidelijk gebleven waarom verzoeker die een bedrijf runt waar auto’s worden verhuurd en waarin hij werkzaamheden als monteur verricht een grote hoeveelheid lachgascilinders in zijn bedrijfspand had staan. Hiermee is reeds sprake van een vermoedelijke overtreding van het verbod van artikel 3 van Pro de Ow. [2] Een dergelijke hoeveelheid wijst niet op eigen gebruik.

Conclusie en gevolgen

12. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat de burgemeester het bedrijfspand van verzoeker mag sluiten voor negen maanden. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I.M. Ludwig, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van E.A.D. Horn, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 22 januari 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

2.Stb 2022, 461