Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2026:1389

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
18 februari 2026
Publicatiedatum
16 februari 2026
Zaaknummer
HAA 25/1371
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling verlenging exploitatievergunningplicht bedrijfspand in Heerhugowaard

Deze bestuursrechtelijke uitspraak betreft het geschil over de verlenging van de exploitatievergunningplicht voor een bedrijfspand in Heerhugowaard. Eiseres betwist de verlenging van twee jaar die de burgemeester heeft opgelegd, nadat eerdere besluiten en procedures hebben geleid tot een vergunningplicht die sinds 2021 van kracht is.

De burgemeester had het pand aanvankelijk gesloten vanwege ondermijnende activiteiten en stelde daarna een vergunningplicht in voor vijf jaar, later teruggebracht tot drie jaar na een eerdere rechterlijke uitspraak. De burgemeester verlengde deze vergunningplicht met twee jaar, wat eiseres aanvecht. De rechtbank oordeelt dat de burgemeester tijdig en zorgvuldig heeft geëvalueerd en dat de verlenging gerechtvaardigd is vanwege de aanhoudende aanwezigheid van malafide bedrijven en bestuurders die verbonden zijn aan het pand.

Eiseres voerde aan dat de evaluatiecriteria onduidelijk en niet vooraf bekend waren en dat de termijn van twee jaar onvoldoende gemotiveerd was. De rechtbank verwierp deze bezwaren, stellende dat de criteria niet limitatief zijn en dat de motivering van de termijn voldoende is. Ook is vastgesteld dat de huurovereenkomst met de malafide hoofdhuurder nog niet is beëindigd, wat de noodzaak van de vergunningplicht verlenging ondersteunt.

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond, waardoor de verlenging van de exploitatievergunningplicht blijft gelden tot en met 14 september 2026. Eiseres krijgt geen vergoeding van griffierecht of proceskosten.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de verlenging van de exploitatievergunningplicht voor twee jaar.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Alkmaar
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 25/1371

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 februari 2026 in de zaak tussen

Stichting [eiseres] , uit [plaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. J.W. Ebbink),
en

De burgemeester van de gemeente Dijk en Waard, de burgemeester

(gemachtigde: mr. G.M. Pierik).

Samenvatting

Deze uitspraak gaat over de verlenging van de exploitatievergunningplicht die geldt voor het bedrijfspand aan de [adres] in Heerhugowaard (hierna: het bedrijfspand). Eiseres is het niet eens met de verlenging. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de verlenging van de exploitatievergunningplicht stand kan houden. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

3. Met het primaire besluit d.d. 2 september 2024, gepubliceerd op 10 september 2024 (hierna: het besluit van 10 september 2024), heeft de burgemeester de exploitatievergunningplicht voor het bedrijfspand verlengd voor de duur van twee jaar tot en met 14 september 2026. Met bestreden besluit van 27 januari 2025 op het bezwaar van eiseres is de burgemeester bij dat besluit gebleven.
4. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De burgemeester heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
5. De rechtbank heeft het beroep op 10 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de burgemeester, vergezeld door [naam 1] en [naam 2] .

Totstandkoming van het bestreden besluit

Voorgeschiedenis
6. Op 12 maart 2021 heeft de burgemeester het bedrijfspand voor de duur van zes maanden gesloten. Dit vanwege ondermijnende activiteiten die in het bedrijfspand plaatsvonden. Aan het einde van die sluiting constateerde de burgemeester dat onder meer de huurovereenkomst met de malafide hoofdhuurder niet was beëindigd. Omdat een langere sluiting van het bedrijfspand niet evenredig werd geacht, heeft de burgemeester besloten om het bedrijfspand aan te wijzen als pand waarvoor een exploitatievergunningplicht geldt. Die vergunningplicht is ingegaan op 15 september 2021 en werd opgelegd voor de duur van vijf jaar. Na dit aanwijzingsbesluit volgde een bezwaar- en beroepsprocedure. In de beroepsprocedure heeft deze rechtbank op 13 april 2023 geoordeeld dat de burgmeester de vijfjaarstermijn onvoldoende heeft gemotiveerd, en dat onvoldoende duidelijk is voor welke delen van het bedrijfspand de vergunningplicht geldt. [1] Naar aanleiding van deze uitspraak heeft de burgemeester zijn besluit heroverwogen, en is op 28 april 2023 besloten om de vergunningplicht te laten gelden voor een periode van drie jaar, tot en met 14 september 2024. Bij het nieuwe besluit van 28 april 2023 heeft de burgemeester een plattegrond aangehecht om aan te geven op welke delen van het bedrijfspand het besluit betrekking heeft. Twee onderhuurders gevestigd in het bedrijfspand, [bedrijf 1] B.V. ( [bedrijf 1] ) en [bedrijf 2] B.V. ( [bedrijf 2] ), hebben tegen dit besluit beroep ingediend. Dat beroep is door deze rechtbank bij uitspraak van 2 juli 2024 niet-ontvankelijk verklaard. [2] Daartegen is geen hoger beroep ingesteld.
7. Na het opleggen van de exploitatievergunningplicht is de burgemeester met handhaving gestart. Bedrijven gevestigd in het bedrijfspand zijn aangeschreven en werden verzocht om een exploitatievergunning aan te vragen. Veel bedrijven hebben zich hierna uitgeschreven. Een tweetal onderhuurders, [bedrijf 1] en [bedrijf 2] , hebben een aanvraag voor een exploitatievergunning ingediend.
8. Bij brief van 16 augustus 2024 heeft de burgemeester aan eiseres laten weten voornemens te zijn om de exploitatievergunningplicht, die nog doorliep tot en met 14 september 2024, met twee jaar te verlengen. Op dat moment waren zowel [bedrijf 1] als [bedrijf 2] (nog) niet in het bezit van een exploitatievergunning. [3] Na ontvangst van de zienswijzen op het voornemen heeft de burgemeester het primaire besluit genomen waarbij de vergunningplicht met twee jaar is verlengd. Eiseres heeft daartegen bezwaar gemaakt.
Het bestreden besluit
9. Met het bestreden besluit heeft de burgemeester besloten om het primaire besluit in stand te laten. Dit onder verwijzing naar het advies van de bezwaarschriftencommissie van 15 januari 2025. In dat advies is – kort samengevat – overwogen dat de burgemeester tijdig en juist heeft geëvalueerd en dat het doel van de exploitatievergunningplicht nog niet is bereikt, zodat een verlenging nodig is.

Beoordeling van het beroep

Tijdstip van evaluatie
10. Eiseres heeft aangevoerd dat de burgemeester gehouden was om de vergunningplicht te evalueren op uiterlijk 2 september 2024, zoals de rechtbank heeft overwogen in de uitspraak van 13 april 2023 onder 7.3. De burgemeester heeft niet tijdig geëvalueerd nu het primaire besluit waarbij de vergunningplicht is verlengd pas na 2 september 2024 is genomen.
10. De burgemeester stelt zich op het standpunt dat uit het besluit van 28 april 2023 volgt dat voor het einde van de driejaarstermijn zal worden geëvalueerd. Die termijn zou eindigen op 14 september 2024. Reeds voor dat moment is er geëvalueerd en dus is de evaluatie tijdig geweest.
10. De rechtbank volgt het standpunt van de burgemeester. In de uitspraak van 13 april 2023 is het destijds bestreden besluit op bezwaar vernietigd, en is de burgemeester opgedragen een nieuw besluit te nemen. Dit heeft de burgemeester gedaan met het besluit van 28 april 2023, dat inmiddels in rechte vaststaat. In het besluit van 28 april 2023 is overwogen dat voor het einde van de driejaarstermijn zal worden geëvalueerd. Dat heeft de burgemeester gedaan. Bovendien verdient opmerking dat in de uitspraak van 13 april 2023 onder 8.1 is overwogen dat de aangevoerde beroepsgrond over de toezegging om uiterlijk 2 september 2024 te evalueren niet besproken zal worden. Dit omdat eiseres daar geen belang bij heeft nu reeds geoordeeld is dat de vijfjaarstermijn moet worden teruggebracht. Uit de uitspraak van 13 april 2023 volgt dus geen oordeel over een door de burgemeester te volgen tijdstip van evaluatie. De beroepsgrond slaagt niet.
Nieuw beoordelingspunt voor de evaluatie
10. Eiseres heeft aangevoerd dat de burgemeester ten onrechte een nieuw beoordelingspunt voor de evaluatie heeft vastgesteld. De evaluatiecriteria, waar de uitspraak van 13 april 2023 naar verwijst onder 7.3, zijn door de burgemeester opgesomd in het besluit van 28 april 2023. Later, zo blijkt uit het besluit van 10 september 2024, is een nieuwe beoordelingspunt vastgesteld en is aan de eerder opgesomde evaluatiecriteria toegevoegd dat de burgemeester de vergunningplicht kan verlengen wanneer blijkt dat er ‘andere omstandigheden’ zijn die zich tegen de opheffing verzetten. Dit nieuwe beoordelingspunt is in strijd met de rechtszekerheid. Er had beoordeeld moeten worden aan de hand van de evaluatiecriteria die vooraf bekend waren gemaakt. Bovendien is het nieuwe beoordelingspunt te algemeen om daartegen verweer te kunnen voeren.
10. De burgemeester stelt zich op het standpunt dat het besluit van 28 april 2023 het startpunt is voor de evaluatiecriteria, maar dat de criteria in dat besluit niet cumulatief of limitatief zijn opgesomd. Uit het besluit van 28 april 2023 volgen slechts enkele beoordelingspunten waaraan de burgemeester in ieder geval zal toetsen bij de vraag of verlenging nodig is.
10. De rechtbank volgt het standpunt van de burgemeester. Uit het besluit van 28 april 2023 volgt niet dat de daarin genoemde evaluatiecriteria limitatief zijn. De overweging uit dat besluit dat de burgemeester ‘in ieder geval zal beoordelen of’, impliceert dat er ook ruimte blijft voor andere beoordelingspunten die niet zijn benoemd. Ook uit de uitspraak van 13 april 2023 volgt niet dat daarin genoemde evaluatiecriteria limitatief zijn bij een toekomstige beoordeling over de noodzakelijkheid van een verlenging. Dat de burgemeester (mede) geëvalueerd heeft aan de hand van niet vooraf benoemde criteria, kan dus niet in strijd met de rechtszekerheid worden geacht. De stelling van eiseres dat zij niet in staat is om zich te verweren tegen het nieuwe beoordelingspunt dat zeer algemeen is omschreven, volgt de rechtbank niet. De burgemeester heeft in zijn besluitvorming verschillende omstandigheden opgesomd waarin aanleiding is gezien voor verlenging van de vergunningplicht. Eiseres had deze omstandigheden kunnen betwisten. Gelet daarop moet zij in staat worden geacht om zich deugdelijk te kunnen verweren tegen de verlenging. De beroepsgrond slaagt niet.
Argumenten voor verlenging
10. Eiseres heeft aangevoerd dat er geen malafide bedrijven meer staan ingeschreven op het adres van het bedrijfspand. De onderhuurders [bedrijf 1] en [bedrijf 2] hebben allebei tijdig een exploitatievergunning aangevraagd, maar de burgemeester heeft op deze aanvragen bewust niet tijdig beslist. Overigens zijn [bedrijf 1] en [bedrijf 2] nooit als malafide bedrijven bestempeld in de bestuurlijke rapportage uit 2021 die aanleiding is geweest voor de sluiting van het bedrijfspand. In 2021 was al bekend dat [bedrijf 1] en [bedrijf 2] onderhuren van hoofdhuurder [bedrijf 3] B.V., maar nergens wordt benoemd dat geen sprake meer mag zijn van onderhuur. Bovendien, de onderhuur van [bedrijf 3] B.V. is geen reden geweest om de exploitatievergunning voor [bedrijf 2] te weigeren. In het besluit van 28 april 2023 en 10 september 2024 staan drie evaluatiecriteria die betrekking hebben op malafide bedrijven. Op basis van die criteria is een verlenging niet aan de orde. Er zijn ook geen signalen ontvangen vanuit andere instanties die erop wijzen dat het bedrijfspand nog steeds wordt gebruikt voor domicilieverlening of andere ondermijnende activiteiten. Er zijn dus geen deugdelijke argumenten voor verlenging van de vergunningplicht.
10. De burgemeester stelt zich op het standpunt dat bij de evaluatie getoetst is of er nog bedrijven zijn die staan ingeschreven op het adres van het bedrijfspand en die niet in het bezit zijn van een exploitatievergunning, of daartoe niet of niet tijdig een aanvraag hebben ingediend. Ten tijde van de evaluatie was de eerste aanvraag om een exploitatievergunning van [bedrijf 1] afgewezen en had [bedrijf 1] nog geen tweede aanvraag ingediend. Bovendien is bij de evaluatie betrokken dat [bedrijf 1] en [bedrijf 2] onderhuurders zijn van de malafide hoofdhuurder [bedrijf 3] B.V., dat bestuurd wordt door [naam 3] . Dat sprake is van onderhuur van een malafide hoofdhuurder is al langer bekend, maar kwalijk genoeg heeft eiseres de huurovereenkomst met die hoofdhuurder tot op heden niet beëindigd. Hoewel de malafide hoofdhuurder zelf niet exploiteert vanuit het bedrijfspand, ziet de burgemeester de onderhuur door deze hoofdhuurder als een vorm van exploitatie. Daar komt nog bij dat de bestuurder van [bedrijf 1] , [naam 4] , bij naam genoemd is in de bestuurlijke rapportage uit 2021. Uit die rapportage volgt dat [naam 4] als bestuurder van een ander bedrijf, dat ook in het bedrijfspand gevestigd was, domicilie verleende vanuit het bedrijfspand aan verschillende malafide bedrijven. Er zijn dus weldegelijk goede redenen voor verlenging van de vergunningplicht.
10. De rechtbank vindt de motivering van de burgemeester draagkrachtig. Zoals hiervoor reeds geoordeeld kon de burgemeester de verlenging van de vergunningplicht baseren op niet specifiek vooraf benoemde evaluatiecriteria, die zich tegen de opheffing verzetten. Eiseres heeft niet betwist dat de hoofdhuurder nog niet is vertrokken en dat de bestuurder van [bedrijf 1] eerder als bestuurder van een ander bedrijf domicilie verleende vanuit het bedrijfspand aan malafide bedrijven. Naar het oordeel van de rechtbank is de voortdurende link met bestuurders [naam 3] en [naam 4] voldoende aanleiding om de vergunningplicht voort te zetten, te meer nu daar nog bij komt dat [bedrijf 2] (nog) geen exploitatievergunning had ten tijde van de evaluatie, en dat de vergunningsaanvraag van [bedrijf 1] op het moment van de evaluatie was afgewezen. Er was dus sprake van deugdelijke argumenten voor verlenging van de vergunningplicht. De beroepsgrond slaagt niet.
Motivering van de verlengingstermijn
10. Eiseres heeft aangevoerd dat de verlengingstermijn van twee jaar op geen enkele wijze is gemotiveerd. Dit terwijl in de uitspraak van 13 april 2023 al is geoordeeld dat de vergunningplicht niet langer mag duren dan noodzakelijk en dat de termijn door de burgemeester gemotiveerd moet worden.
10. De burgemeester heeft zich op het standpunt gesteld dat het noodzakelijk is om de termijn in ieder geval met twee jaar te verlengen, omdat eiseres onvoldoende actie heeft ondernomen om met een schone lei te kunnen beginnen. Nu nog sprake is van aanwezigheid van malafide bedrijven/malafide bestuurders, kan niet anders dan geconcludeerd worden dat de situatie ter plaatse nog niet voldoende is hersteld. Het beoogde resultaat, te weten het weren van malafide bedrijven uit het bedrijfspand, is op dit moment nog niet volledig behaald.
10. De rechtbank acht voldoende gemotiveerd waarom gekozen is voor een verlenging van twee jaar. In het primaire besluit van 10 september 2024 is overwogen dat de vergunningplicht van drie jaar onvoldoende is gebleken om de doelstellingen te behalen, nu eiseres nog geen actie heeft ondernomen om malafide bedrijven te weren uit het bedrijfspand. Met een verlenging van twee jaar is de kans groter dat de doelstellingen wel worden behaald en dat de negatieve naamsbekendheid van het bedrijfspand verder afneemt. In de bezwaarfase heeft de bezwaarschriftencommissie geoordeeld dat de verlengingstermijn redelijk is. De rechtbank kan zich vinden in dit oordeel. Ten tijde van het bestreden besluit waren de vergunningsaanvragen van [bedrijf 1] en [bedrijf 2] nog in behandeling. De burgemeester kan na een weigering van een vergunning alleen handhaven als de vergunningplicht op dat moment nog bestaat. Bovendien is sprake van een doorlopend risico zolang de huurovereenkomst met de hoofdhuurder voortduurt. Er bestaat dus geen grond voor het oordeel dat de verlenging van de vergunningplicht, zonder een juiste motivering, langer dan noodzakelijk is. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

22. De conclusie is dat het besluit tot verlenging van de exploitatievergunningplicht stand kan houden. Het beroep van eiseres is dus ongegrond. Omdat het beroep ongegrond is, krijgt eiseres het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.J. van Keken, rechter, in aanwezigheid van
mr.E. Boon, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 18 februari 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

3.De burgemeester heeft de aanvraag van [bedrijf 1] op 2 september 2024 geweigerd. [bedrijf 1] heeft daarna op 1 oktober 2024 een nieuwe aanvraag ingediend. Bij brief van 20 oktober 2025 heeft de burgemeester laten weten voornemens te zijn om ook die aanvraag te weigeren. De aanvraag van [bedrijf 2] is door de burgemeester op 29 januari 2025 toegekend.