Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2026:1489

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
29 januari 2026
Publicatiedatum
17 februari 2026
Zaaknummer
AWB - 23 _ 4352
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 236 CDWArt. 6:74 BWArt. 8:88 AwbVerordening (EG) nr. 1223/2002
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek terugbetaling invoerrechten gezouten kippenvlees wegens termijnoverschrijding

Eiseres, een logistiek dienstverlener, verzocht terugbetaling van te veel betaalde invoerrechten op bevroren ontbeend kippenvlees met een zoutgehalte van minimaal 1,2%. Het geschil betrof de vraag of het verzoek tijdig was ingediend, of er een vaststellingsovereenkomst bestond, of er sprake was van schending van het vertrouwensbeginsel, en of verweerder ambtshalve tot terugbetaling had moeten overgaan.

De rechtbank stelde vast dat het verzoek om terugbetaling van 23 september 2015 buiten de wettelijke termijn van drie jaar was ingediend, en dat eerdere correspondentie uit 2005 niet kwalificeerde als een verzoek om terugbetaling dat de termijn zou stuiten. Ook een aanvullend verzoek van 16 april 2020 was te laat. De rechtbank verwees naar een gelijktijdige uitspraak in een vergelijkbare zaak (HAA 23/6795) waarin dezelfde overwegingen zijn gemaakt.

De rechtbank oordeelde dat het beroep ongegrond is en wees de vordering tot terugbetaling af. Daarnaast verklaarde zij zich onbevoegd ten aanzien van de schadevergoeding op grond van het Burgerlijk Wetboek en wees de overige schadevergoedingsvorderingen af. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.

Uitkomst: Het beroep van eiseres wordt ongegrond verklaard wegens overschrijding van de wettelijke termijn voor teruggaaf van invoerrechten.

Uitspraak

Rechtbank noord-holland

Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 23/4352

uitspraak van de meervoudige douanekamer van 29 januari 2026 in de zaak tussen

[eiseres] B.V. (voorheen [eiseres] B.V.), gevestigd te [vestigingsplaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. H.C. de Bie),
en

de inspecteur van de Douane, verweerder.

Inleiding

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank of verweerder terecht niet is overgegaan tot terugbetaling van invoerrechten aangaande bevroren ontbeend vlees van kippen. Partijen houdt onder meer verdeeld of sprake is van een tijdig ingediend verzoek om teruggaaf, of er een vaststellingsovereenkomst tot stand is gekomen, of recht bestaat op schadevergoeding, of sprake is van schending van het vertrouwensbeginsel en of verweerder ambtshalve had moeten over gaan tot terugbetaling.

Procesverloop

Eiseres heeft bij brief van 16 april 2016, onder verwijzing naar eerdere correspondentie uit juni, juli 2005 en naar een brief van 23 september 2015, gevraagd om terugbetaling van een bedrag aan douanerechten van € 11.154.855.
Verweerder heeft de brief van 16 april 2016 aangemerkt als een verzoek de behandeling van de brief van 23 september 2015 te hervatten en deze laatste brief aangemerkt als een verzoek om terugbetaling. Bij beschikking van 8 april 2022 heeft verweerder het verzoek om terugbetaling niet-ontvankelijk verklaard omdat het buiten de wettelijke indieningstermijn is ingediend.
Eiseres heeft daartegen op 10 mei 2022 bezwaar gemaakt.
Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 10 mei 2023 het bezwaar ongegrond verklaard.
Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld, ontvangen door de rechtbank op 14 juni 2023.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend en daarbij voor diverse bijlagen een verzoek tot beperkte kennisneming gedaan als bedoeld in artikel 8:29 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
De geheimhoudingskamer van de rechtbank heeft bij beslissing van 3 juli 2025 bepaald dat de gevraagde beperking van de kennisneming gerechtvaardigd is. Bij brief van 23 juli 2025 heeft gemachtigde meegedeeld ermee in te stemmen dat de rechtbank mede op basis van de ongeschoonde stukken uitspraak doet.
Eiseres heeft op 24 oktober 2025 nadere stukken ingediend. Hierop heeft verweerder bij brief van 26 oktober 2025 gereageerd.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 november 2025. De zaak is gelijktijdig behandeld met het, door een andere gemachtigde ingediende, beroep van eiseres met zaaknummer HAA 23/6795 en met het beroep van [bedrijf] Lda met zaaknummer HAA 23/4353. Dit laatste beroep is ter zitting ingetrokken.
Namens eiseres zijn verschenen de gemachtigde vergezeld van mr. [naam 1] en mr. [naam 2] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. dr. [naam 3] , mr. [naam 4] , mr. [naam 5] en mr. [naam 6] .
Tevens waren ter zitting aanwezig [naam 7] (de gemachtigde in de zaak HAA 23/6795) en [naam 8] MSc.

Feiten

1. Over de indeling van kippenvlees heeft jarenlang een internationaal handelsgeschil gewoed. Het zoutgehalte van het ingevoerde kippenvlees speelde daarbij een centrale rol. De kwestie was of deze producten dienden te worden ingedeeld in post 0207 of post 0210 van het Geharmoniseerd Systeem. Naar het oordeel van het Appellate Body van de Wereldhandelsorganisatie van 27 september 2005 moeten delen van kippen, zonder been, bevroren, met een zoutgehalte van 1,2 tot 3 gewichtspercenten worden ingedeeld onder post 0210 van het GS. Vervolgens heeft het Hof van Justitie bij arrest van 18 juli 2007 [1] (het FTS-arrest) indelingsverordening (EG) nr. 1223/2002 ongeldig verklaard, omdat in die verordening ten onrechte kippenvlees met een zoutgehalte van tussen 1,2 en 1,9% werd ingedeeld in GN-post 0207 1410, met daaruit voortvloeiende hogere tarieven aan rechten bij invoer. Kippenvlees met een zoutgehalte van 1,2% of meer wordt ingedeeld in GN-post 0210.
2. Eiseres is een logistiek dienstverlener. Zij heeft in de periode 4 februari 2004 tot en met 1 juli 2005 ten behoeve van verschillende opdrachtgevers aangiften voor het vrije verkeer ingediend voor bevroren en ontbeend vlees van kippen. Verweerder heeft daarvoor uitnodigingen tot betaling (utb’s) uitgereikt
.
3. In een brief met dagtekening 12 juli 2005 van eiseres, ontvangen door verweerder op 13 juli 2005, staat – voor zover hier van belang – het volgende vermeld:
“Op 3 juni jl. heeft [eiseres] per fax bij uw dienst de hernieuwde discussie ten aanzien van de indeling van bevroren en gezouten delen van kippen en hanen onder aandacht willen brengen, met als doel de belangen van de betrokken opdrachtgevers veilig te kunnen stellen.
Tot heden hebben wij van uw dienst geen enkele reactie noch een ontvangstbevestiging op ons verzoek om inlichtingen mogen ontvangen.
Opdat de betrokken belanghebbenden niet in hun rechten geschaad zullen worden, doen wij u langs deze weg onze eerder aan uw dienst verzonden fax andermaal toekomen met het verzoek een nader standpunt te willen nemen.
Wij verzoeken u deze brief annex bijlagen als een verzoek tot het nemen van een besluit met een voor bezwaar vatbare beschikking te willen aanmerken.”
4. Bij de brief van 12 juli 2005 heeft eiseres een kopie van een faxbericht van 3 juni 2005 gevoegd, gericht aan verweerder. Daarin staat – voor zover hier van belang – het volgende vermeld:
“Betreft: Indeling GN: bevroren en gezouten delen van kippen en hanen.
(…)
[eiseres] heeft in de achter ons liggende jaren namens diverse opdrachtgevers voor honderden partijen bevroren en gezouten delen van pluimvlees aangiften voor het vrije verkeer verzorgd.
(…)
Om de termijnen en belangen van de diverse belanghebbenden in dit verband veilig te stellen, is het derhalve dienstig in geval dat verzoeken om terugbetaling ex artikel 236 CDW Pro voor de betrokken goederen zullen kunnen worden ingediend, de termijn van drie jaar nu reeds in ieder geval te stuiten.
Afhankelijk van de eventuele nieuwe indelingsverordening voor deze goederen en nader in te nemen standpunten en beslissingen door de Commissie, verzoeken wij bij toekomstige aangiften voor het vrije verkeer om praktische redenen een protestclausule ten aanzien van de GN code op te kunnen opnemen. Een protestclausule vergunning kan in principe echter pas worden afgegeven nadat bezwaar is gemaakt tegen de indeling van het goed. In dit stadium heeft bezwaar weinig zin, aangezien Verordening (EG) nummer 1223/2002 nog steeds rechtstreeks toepasselijk is.
Beleefd verzoeken wij U ons te informeren welke mogelijkheden er zijn om binnen het kader van de toepasselijke regelgeving tot een voor de douane als ook de diverse betrokken belanghebbenden eenvoudige en doelmatige werkwijze te kunnen komen waarbij de rechten van de belanghebbenden voldoende gewaarborgd blijven.
indien er in dit stadium onvoldoende wettelijk kader aanwezig is, is het wellicht zinvol deze fax als een verzoek om terugbetaling ex artikel 236 CDW Pro te willen beschouwen voor alle in geding zijnde gedane aangiften voor het vrije verkeer. in afwachting van nadere motivatie en specificatie.
Tevens komen wij langs deze weg in voorkomend geval in bezwaar, op nader aan te voeren gronden, voor alle toekomstige aangiften voor het vrije verkeer, zodat tot afgifte van een protestclausule vergunning zal kunnen worden overgegaan”
5. Verweerder heeft bij brief van 19 juli 2005 de ontvangst van de brief van eiseres van 12 juli 2005 bevestigd. In deze ontvangstbevestiging staat – voor zover hier van belang – het volgende vermeld:
“Op 13 juli 2005 ontving ik uw brief van 12 juli 2005. Hierin verzoekt u om inlichtingen omtrent de indeling in gecombineerde nomenclatuur, bevroren en gezouten delen van kippen en hanen.
U krijgt binnenkort bericht omtrent de afhandeling van uw verzoek.”
6. Op 16 augustus 2005 heeft eiseres aan verweerder een fax gezonden. Daarin staat – voor zover hier van belang – het volgende vermeld:
“Onder verwijzing naar onze brief van 12 juli jl., alsmede ons telefonisch onderhoud van maandag 15 augustus jl., geven wij U hierbij een globale opgave van het aantal in geding zijnde aangiften voor het vrije verkeer. De problematiek speelt vanaf 2002.
Ruim geschat denken wij dat [eiseres] +/- 3000 aangiften per kalenderjaar heeft behandeld.
Verschuldigde rechten voor GN 0210 bedragen circa € 5.000,- per aangifte.
Verschuldigde rechten voor GN 0207 bedragen circa € 35.000,- per aangifte.
Al met al zijn grote financiële belangen in het geding spel.”
7. In zijn brief van 22 augustus 2005 aan eiseres heeft verweerder onder meer het volgende vermeld:
“Op 13 juli 2005 ontving ik uw brief van 12 juli 2005. Hierin verzoekt u om inlichtingen omtrent de indeling in gecombineerde nomenclatuur, van bevroren en gezouten delen van kippen en hanen.
Na bestudering van uw brief ben ik tot de conclusie gekomen dat u alleen gebruik kunt te maken van de huidige rechtsmiddelen.
Deze rechtsmiddelen zijn, indien u het niet eens bent met de goederencode 02.07.1410, u in bezwaar kunt gaan en/of een verzoek om terugbetaling kunt indienen.”
Eiseres heeft op deze brief niet gereageerd.
8. Op 7 september 2012 heeft bij deze rechtbank de mondelinge behandeling plaatsgevonden van een geschil over de indeling van ongezouten kippenvlees waarin onder meer eiseres was betrokken. Tijdens die zitting hebben verweerder en eiseres een compromis bereikt dat is vastgelegd in een brief van 12 september 2012 van de toenmalige gemachtigde van eiseres. Verweerder heeft die brief op 27 september 2012 voor akkoord ondertekend. In deze brief is onder meer het volgende vermeld:
“Met betrekking tot de verdere afhandeling van de beroepsprocedure [eiseres] (1.0% zaak) heeft u na de schorsing desgevraagd aan de voorzitter van de Rechtbank Haarlem bevestigd dat u het eens bent met de volgende, door ons ingebrachte argumenten:
- ongezouten kippenvlees bevat 0.2 gewichtspercenten zout¹; en
- tijdens het productieproces in [land] is er aan het kippenvlees 1% zout toegevoegd².
¹Uw collega (…) bevestigde dit eerder in zijn brief van 28 maart 2012, met kenmerk [#] (zie pagina 2, tweede alinea (citaat): ‘De ervaring van de deskundigen van ons Laboratorium is dat ongezouten kipfilet 0,2%
zout bevat.”)
² De Rechtbank Haarlem stelde al eerder -— zie overweging 5.1, in de uitspraak in de zaak [eiseres] van 21 april 2010 - dat (citaat): “Tussen partijen is niet in geschil dat het aangegeven product bevroren kippenvlees zonder been betreft en dat het vlees in alle delen, inwendig en homogeen gezouten is en dat een zouttoevoeging van 1,0% heeft plaatsgevonden.
Ook op de vraag van de Rechtbank Haarlem of u het dan eveneens eens bent met onze stelling dat het zoutgehalte van het op deze wijze geproduceerde kippenvlees op het moment van invoer 1.2 gewichtspercenten moet zijn geweest, antwoordde u bevestigend. Tenslotte verklaarde u desgevraagd dat u de in de zaak [eiseres] opgelegde uitnodiging tot betaling in zult trekken. Daarbij gaf u aan dat u – met betrekking tot de afhandeling van de onderliggende teruggaafverzoeken voor zendingen gezouten en bevroren kippenvlees waaraan eveneens 1% zout is toegevoegd - bereid bent om de met uw collega de heer (…) gemaakte afspraken over de bewijslast van het zoutgehalte te respecteren.
Wij verzoeken u een afschrift van deze brief voor akkoord te tekenen en aan ons retour te zenden.
Zodra wij een voor akkoord getekend afschrift van deze brief van u hebben ontvangen zullen wij u – conform de eerder met de heer (…) overeengekomen afspraken – per onderliggende 1.0% zaak van het nodige bewijsmateriaal voorzien.”
9. De toenmalige gemachtigde heeft op 23 september 2015 een brief aan verweerder gestuurd waarin onder meer het volgende is vermeld:
“Met haar fax van 3 juni 2005 en de brief van 12 juli 2005 heeft [eiseres] een verzoek om teruggaaf van douanerechten ingediend (…). En dat verzoek is tot op heden niet afgehandeld.
Op 17 juni 2015 bezochten wij u (…) om de voortgang in deze zaak te bespreken. (…)
Afgesproken is dat [de toenmalige gemachtigde] het verzoek om terugbetaling ten name van belanghebbende voor een beperkt aantal aangiften (namelijk 11 stuks) zal voorzien van een motivering. (…)
Voor de overige aangiften voor het vrije verkeer waarop dit verzoek om terugbetaling betrekking heeft, wenst belanghebbende het verzoekschrift aan te houden totdat in hoogste instantie is beslist op dit verzoek voor zover het de bovengenoemde 11 aangiften betreft.
(…)”
De toenmalige gemachtigde heeft bij brief van 24 september 2015 een totaallijst verstrekt van de aangiften ten invoer voor het vrije verkeer van gezouten kippenvlees waarbij eiseres als aangever is opgetreden en waarop het verzoek van 23 september 2015 betrekking heeft.
10. Verweerder heeft de brief van eiseres van 23 september 2015 aangemerkt als een verzoek om terugbetaling voor de daarin vermelde 11 aangiften en dit verzoek bij beschikking van 15 september 2016 niet-ontvankelijk verklaard omdat het buiten de termijn van drie jaar van artikel 236, tweede lid, van het Communautair Douanewetboek (CDW) is ingediend.
11. In een e-mailbericht van 17 juli 2017 aan het Landelijk kantoor Douane (LKD) heeft de toenmalige gemachtigde zijn ongenoegen geuit over de gang zaken in diverse bezwaarprocedures over teruggaafverzoeken rond de invoer van gezouten kip. Op 24 november 2017 heeft een gesprek plaatsgevonden met een medewerker van het LKD (de medewerker LKD) over de gang van zaken rond de afdoening van alle bezwaren en verzoeken van eiseres over de indeling van gezouten kip en de mogelijkheden voor een compromis.
12. Op 24 januari 2018 heeft een bespreking plaatsgevonden tussen de toenmalige gemachtigde van eiseres en, onder meer, de medewerker LKD. Naar aanleiding van het conceptverslag van deze bespreking is tussen de medewerker LKD en de toenmalige gemachtigde gecorrespondeerd. In een e-mailbericht van 5 februari 2018 schrijft de toenmalige gemachtigde het volgende:
“Dank voor het sturen van de aanpassingen in het besprekingsverslag. Ik zie dat er weinig aanpassingen zijn, hetgeen een goed teken is. Echter één van de wijzigingen is de verandering van het zoutcriterium van 1,0 naar 1,2%. Hiermee raken we een heel fundamenteel punt in de procedures. We hebben tijdens de zitting bij de rechtbank Haarlem afgesproken dat een zoutvermelding van 1%, rekening houdend met het natuurlijk zoutgehalte van 0,2% bij kippenvlees, voldoet aan het zoutcriterium 1,2% van de Gecombineerde Nomenclatuur. Met de hierna vermelde zin heb ik dat tot uitdrukking willen brengen: “
Deze afspraken komen, kort gezegd, op het volgende neer. De aangifte ten invoer voldoet aan het zoutcriterium wanneer 1% of meer vermeld staat: (..)”
Wanneer het percentage, zoals voorgesteld in het besprekingsverslag, wordt gewijzigd naar 1,2% heeft dat grote gevolgen. Alle aangiften waarop nu bijvoorbeeld 1% staat vermeld voldoen dan niet langer. Ik stel dan ook voor de voornoemde zin als volgt te wijzigen:
''Deze afspraken komen, kort gezegd, op het volgende neer. De aangifte ten invoer voldoet
aan het zoutcriterium van 1,2%, zoals bedoeld in aanvullende aantekening 7 op hoofdstuk 2
van Afdeling l van de GN, wanneer - gelet op het natuurlijk zoutgehalte van 0,2 % bij
kippenvlees - l % of meer vermeld staat: (..)
(…)
Verder heb ik nog een paar kleine tekstuele wijzigingen doorgevoerd om zaken meer te verduidelijken. De belangrijkste daarvan is opgenomen in de laatste zin. Jij gaf namelijk aan dat het de voorkeur van de Douane geniet als de gehele afwikkeling volgens het douanerecht plaatsvindt.”
13. In het definitieve gespreksverslag van 14 februari 2018 van het overleg van 24 januari 2018, opgesteld door de toenmalige gemachtigde, staat – voor zover van belang – het volgende vermeld:
“Omwille van de proces economie is in samenspraak met de Belastingdienst/Douane Rijnmond (hierna: Douane) in het verleden afgesproken dat de diverse procedures aan de hand van de voor (…) ingediende aangiften ten invoer worden voortgezet. De procedures zijn in vier categorieën te onderscheiden:
1. Verzoek om terugbetaling 12 juli 2005
Dit ziet op aangiften ten invoer gedaan in de periode 1 januari 2004 t/m 12 juli 2005.
(…)
[de toenmalige gemachtigde] zal een Exel bestand toesturen met diverse tabbladen waaruit op overzichtelijke wijze een uitsplitsing per categorie blijkt. Dit Excel bestand zal als basis dienen voor de effectuering van de terugbetaling.
Uitgangspunt voor deze en eventueel volgende besprekingen is dat de douane niet langer zal betwisten dat [eiseres] en/of de betrokken importeurs in beginsel recht hebben op teruggaaf van douanerechten voor de vier voornoemde categorieën. De douane zal echter per aangifte ten invoer beoordelen of deze aangifte met recht onder deze categorie is geplaatst. In hoeverre de individuele aangiften ten invoer voldoen aan het zoutcriterium zal de Douane overeengekomen en vastgestelde afspraken uit het verleden respecteren¹. Deze afspraken komen, kort gezegd, op het volgende neer. De aangifte ten invoer voldoet aan het zoutcriterium van 1,2% zoals bedoeld in aanvullende aantekening 7 op hoofdstuk 2 van Afdeling 1 van de GN, wanneer – gelet op het natuurlijk zoutgehalte van 0,2% bij kippenvlees – 1% of meer vermeld staat:
a. op de aangiften ten invoer en/of op de bescheiden die bij de aangiften ten invoer zijn overgelegd;
b. in de receptuur waarvan melding wordt gemaakt op de aangiften ten invoer en/of op de bij de aangiften ten invoer overgelegde (overheids)bescheiden en/of
c. op een leveranciersverklaring die is afgegeven door een niet met de importeur verbonden partij.
¹
Brief van [de toenmalige gemachtigde] van 12 september 2012 met kenmerk (…) Brief van de Douane 23 april 2009 met kenmerk (…).
[de toenmalige gemachtigde] zal aan de hand van het Excel bestand alle 1117 individuele aangiften met een totaal potentieel bedrag aan teruggaaf van € 26.867.680,72 voor controle gereedmaken, waarna de Douane deze aangiften bij [de toenmalige gemachtigde] in [stad] zal controleren.
De bevindingen van de controle zullen vervolgens met [de toenmalige gemachtigde] besproken worden. Wanneer de Douane en [de toenmalige gemachtigde] overeenstemming hebben bereikt over welke aangiften ten invoer tot terugbetaling leiden, zal [de toenmalige gemachtigde] voor deze aangiften ten invoer de procedures van categorie 1 t/m 4 van een nadere motivering voorzien en zal de Douane onmiddellijk daarna positief beschikken over deze reeds gecontroleerde en teruggaafwaardige aangiften ten invoer.
De Douane en [de toenmalige gemachtigde] streven erna om de volledige afwikkeling van alle procedures te hebben afgerond voor het eind van dit kalenderjaar. Om dit te realiseren zal:
de Douane en [de toenmalige gemachtigde] voor 1 maart 2018 proberen overeenstemming te bereiken over de generieke beginselen van teruggaaf (framework);
[de toenmalige gemachtigde] voor 1 mei 2018 alle aangiften ten invoer gereed maken voor controle;
de Douane voor 1 juli 2018 alle aangiften ten invoer te controleren;
e Douane en [de toenmalige gemachtigde] voor 1 augustus 2018 overeenstemming bereiken over welke aangiften ten invoer voor teruggaaf in aanmerking komen en zal er een vaststellingsovereenkomst worden opgemaakt;
[de toenmalige gemachtigde] voor 1 oktober 2018 alle procedures (cat. 1 t/m 4) van een finale nadere motivering voorzien;
de Douane voor 1 januari 2019 over alle procedures conform het geldende douanerecht beschikken en overgaan tot terugbetaling.”
14. Op 27 maart 2018 vindt nog een bespreking plaats. In een e-mailbericht van 28 maart 2018 van de toenmalige gemachtigde aan de medewerker LKD staat daarover – voor zover van belang – het volgende vermeld:
“Zoals gisteren afgesproken hierbij onze samenvatting van de regels die we gisteren hebben vastgesteld:
1. Het proces van terugbetaling zoals dat tot nu toe bij gezouten kippenvlees aangiften is gehanteerd wordt niet gewijzigd. Hiervoor geldt het excelbestand als uitgangspunt. Bij de controle wordt getoetst of de aangiften daadwerkelijk overeenstemmen met de gegevens van het excelbestand;
2. Een zoutvermelding wordt in alle gevallen als een zouttoevoeging gezien;
3. Als er een zoutvermelding is opgenomen wordt deze automatisch geaccepteerd. De zoutvermelding kan voorkomen op (a) de aangifte, (b) bescheiden, (c) receptuur of (d) leveranciersverklaring. Zie de overgelegde voorbeelden 1 t/m 6;
4. De link tussen de documenten waarop de zouttoevoeging staat vermeld en de aangifte ten invoer kan op meerder manieren worden gemaakt. Zoals het factuurnummer, containernummer, Bill of Lading nummer, health certificate nummer, aangiftenummer en receptuurnummer of een combinatie van bovengenoemde nummers/verwijzingen (niet limitatief).
5. (…)
De realisatie van de teruggaaf wordt gerealiseerd op basis van de drie hoofdprocessen:
(…)
c. Alle overige verzoeken die voldoen aan de hiervoor vermelde regels 1 t/m 4 leiden tot terugbetaling op basis van het verzoekschrift van [eiseres]. Dit betreft de periode 1 januari 2004 t/m 3 februari 2006 (datum bezwaar/protest protestclausule).
(…)”
15. In een e-mailbericht van 6 april 2018 van de medewerker LKD aan de waarnemend Algemeen Directeur Douane (de Algemeen Directeur) staat – voor zover van belang – het volgende vermeld:
“Samen met (…) hebben we een gesprek gehad met [de toenmalige gemachtigde].
(…)
Precieze bedrag heb ik op dit moment echter nog niet. Op mijn verzoek is gekozen om de zaken in drie hoofdvarianten onder te verdelen, bezwaar, terugbetaling en protest-clausule. De reden hiervan is om zoveel mogelijk onder bezwaar en terugbetaling te laten vallen en zo min mogelijk onder protest-clausule. Immers Brussel heeft al eerder de protest-clausule als uitstel-grond verworpen en voor de adviseur maakt het feitelijk niets uit. Dit heeft tot gevolg dat op een enkele zaak na alles onder bezwaar en terugbetaling is ondergebracht. Wij zullen ook drie beschikkingen gaan afgeven om de boel te separeren en daarmee de risico's voor het
Rijk tot een minimum te beperken.
Voor het geheel stel ik een soort regie vaststellingsovereenkomst op voor de wijze van afhandeling en uitvoering. De controlerend collega gaat een dagje naar [stad] krijgt toegang tot alle dossiers en kan vaststellen dat de voorlopige onderbouwingen van de verzoeken juist zijn. Daarna volgen de definitieve onderbouwingen en kan het geheel worden afgewerkt. Dit lijkt me allemaal niet zo problematisch.
(…)
Twee vragen heb ik nu aan je. Ben je het eens met het idee om de rente-claim te gaan verhalen op Brussel en wie wil je dat deze regie-VSO tekent. Doe jij dat of moet ik dat nog als inspecteur doen?”
16. In reactie daarop stuurt de Algemeen Directeur op 6 april 2018 een e-mailbericht waarin – voor zover van belang – het volgende staat vermeld:
“Mbt twee vragen. Jij mag en kan tekenen. Het zou raar staan als ik er ineens aan te pas kom. En ik ben gewoon akkoord.”
17. Vervolgens heeft de medewerker LKD een concept-regievaststellingsovereenkomst (concept VSO) opgesteld. De partijen worden in dat concept (nog) niet benoemd. Het concept wordt op dat moment niet gedeeld met de (toenmalige gemachtigde) van eiseres.
18. Uit een intern e-mailbericht van de Douane van 29 juni 2018 volgt dat alleen wanneer de onderliggende zaken ontvankelijk zijn, de route van een vaststellingsovereenkomst door de Douane zinvol wordt geacht.
19. Op 11 juli 2018 heeft op verzoek van verweerder een bespreking plaats tussen het LKD, de bezwaarbehandelaar en eiseres. Daarin wordt door de Douane meegedeeld dat aan de inhoudelijke beoordeling van het verzoek van 23 september 2015 niet wordt toegekomen, omdat dit afstuit op het formele punt van de ontvankelijkheid.
20. Naar aanleiding van deze bespreking heeft eiseres op 11 juli 2018 contact opgenomen met de medewerker LKD. Deze medewerker is op dat moment niet meer werkzaam bij de Douane. Deze (oud)medewerker reageert bij e-mail van 12 juli 2018 waarin onder meer het volgende is vermeld:
“Ik heb als laatste activiteit voor mijn vertrek en in lijn met onze eerdere afspraken een concept-regie vaststellingsovereenkomst opgesteld en aan de overige betrokkenen van het dossier toegezonden. Het komen tot deze uiteindelijke stap is met toestemming van de plv Algemeen directeur douane in gang gezet. Kwesties met deze hoogte aan belangen oversteeg ook mijn mandaat.
Het zou een beetje vreemd zijn als de niet-ontvankelijkheid niet bekend en niet eerder besproken zou zijn immers waarom zou ik al die moeite hebben genomen als we vanwege niet-ontvankelijkheid niet eens aan de inhoud toe hoefden te komen. Volgens mij was nu juist de niet-ontvankelijkheid en het naast zich neer willen leggen van de eerdere toezegging(en) nu juist de reden door jullie om te dreigen met een civiele procedure. Dat heeft aanleiding gegeven om met jullie te gaan praten (…)”
21. In de brief van eiseres van 16 april 2020 staat onder meer het volgende:
“ “Met de fax van 3 juni 2005 en de brief van 12 juli 2005 heeft [eiseres] een verzoek om teruggaaf van douanerechten ingediend (…).
(…)
Onderhavige aanvullende informatie en - subsidiair – aanvulling verzoek om teruggaaf heeft betrekking op de bevroren en gezouten delen van kippen met een zoutgehalte van tenminste 1,2% die [eiseres] in opdracht van (…) heeft ingevoerd. Een overzicht van de betreffende invoeraangiften en de teveel afgedragen douanerechten is bijgevoegd (…).
(…) Wij verzoeken u thans over te gaan tot de gevraagde terugbetaling (…).”
22. In haar brief van 5 juni 2020 aan verweerder heeft eiseres meegedeeld dat haar brief van 16 april 2020 primair een verzoek om nakoming van de in 2018 gemaakte afspraken omtrent de terugbetaling van teveel betaalde invoerrechten betreft en subsidiair een aanvulling op een reeds eerder ingediend verzoek om terugbetaling.
23. In de brief van verweerder van 24 juni 2020 (het voornemen inzake het verzoek van 16 april 2020) staat onder meer het volgende:
“Op 24 september 2015 heeft de inspecteur van [de toenmalige gemachtigde] een bief van 23 september 2015 met het onderwerp “aanvulling verzoek om teruggaaf van [eiseres] ter zake van de invoer van gezouten en bevroren delen kippenvlees”, (…), ontvangen. In deze brief werd verwezen naar een fax van 3 juni 2005 en een brief van 12 juli 2005 van [eiseres](…). Geschreven werd dat [eiseres] in 2005 met de fax en brief haar rechten ter zake van haar aangiften beoogde veilig te stellen.
In deze brief verwees [de toenmalige gemachtigde] naar een overleg met de inspecteur in juni 2015 en naar een afspraak om het verzoek om terugbetaling voor elf aangiften te motiveren en voor de overige aangiften de behandeling aan te houden.
(…)
In het verzoek van 23 september 2015 (…) is herhaald dat voor zover het verzoek zag op de uitnodigingen tot betaling (…) waarover de informatie bij brief van 24 september 2025 is toegezonden, verzocht werd om de behandeling aan te houden. Derhalve is destijds de behandeling niet aangevangen.
Bij brief van 16 april 2020 verzoekt uw cliënt thans om de behandeling te hervatten. (…)
Ik stel voorop dat er geen sprake is van een overeenkomst tussen [eiseres] en de inspecteur waaruit volgt dat [eiseres] (of individuele importeurs) over de periode 2004-2006 voor alle desbetreffende aangiften ten invoer aanspraak kan maken op terugbetaling van te hoog vastgestelde douanerechten, laat staan dat er afspraken zouden zijn gemaakt die inhouden dat tot terugbetaling van douanerechten zou worden overgegaan wanneer dit in strijd met het Unierecht zou zijn. (…)
Op dit moment zie ik procedurele belemmeringen die aan een inhoudelijke beoordeling van de indelingskwestie en daarmee aan terugbetaling in de weg staan.
(…)
Aangaande de overige UTB’s die behoren bij de aangiften opgenomen in uw overzicht (…) is niet eerder verzocht om terugbetaling dan bij de brief van 23 september 2015 in samenhang met de brief van 24 september 2015.
Omdat de op 13 juli 2015 ontvangen correspondentie niet kon worden gekwalificeerd als een verzoek om terugbetaling, kan ook niet worden gesproken over een slapend verzoek om terugbetaling. De brief van 23 september 2015 kan geen aanvulling vormen op dat eerdere “verzoek”, maar moet worden beschouwd als een zelfstandig verzoek om terugbetaling. (…)”
24. Verweerder heeft de brief van 16 april 2020 aangemerkt als verzoek om hervatting van de behandeling van het verzoek om teruggaaf van 23 september 2015 en daarmee als aanvulling op dat verzoek voor zover het de aangiften betreft die in de bijlage van de brief van 24 september 2015 zijn vermeld waarop de beschikking van 15 september 2016 vermeld onder 10 geen betrekking heeft.

Geschil

25. In geschil is of eiseres recht heeft op terugbetaling van invoerrechten. Meer in het bijzonder is in geschil:
1. of eiseres binnen de termijn van drie jaren van artikel 236, tweede lid, van het CDW een verzoek om terugbetaling heeft ingediend voor de onder 2 vermelde aangiften (de aangiften), dan wel;
2. of tussen partijen een overeenkomst tot stand is gekomen waarin verweerder zich verbindt tot terugbetaling van teveel geheven douanerechten over de aangiften, dan wel;
3. of eiseres erop mocht vertrouwen dat een niet-ontvankelijkverklaring van haar verzoek om terugbetaling achterwege zou blijven, dan wel;
4. of verweerder ambtshalve tot terugbetaling had dienen over te gaan; en
5. of eiseres recht heeft op een schadevergoeding op grond van artikel 6:74 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) dan wel op grond van artikel 8:88 van Pro de Awb.
26. Eiseres concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en gehoudenheid van verweerder tot terugbetaling van een bedrag van € 11.154.855 aan onverschuldigd betaalde douanerechten en tot vergoeding van rente.
Eiseres verzoekt subsidiair op de voet van artikel 6:74 BW Pro dan wel artikel 8:88 Awb Pro om een schadevergoeding ter hoogte van € 11.154.855 te vermeerderen met rente, alle schade en kosten die zij heeft geleden waaronder de integrale kosten van juridische bijstand.
Verder verzoekt eiseres verweerder te veroordelen tot vergoeding van de integrale proceskosten.
27. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

Beoordeling van het geschil

Geschilpunt 1: Is sprake van een binnen de termijn van artikel 236, tweede lid, van het CDW ingediend verzoek om terugbetaling?
28. Eiseres stelt dat de fax van 3 juni 2005 en de brief van 12 juli 2005 (de 2005-correspondentie) kwalificeert als een verzoek om terugbetaling in de zin van artikel 236, tweede lid, van het CDW en dat de brieven van 23 september 2015 en 16 april 2020 daarop een aanvulling zijn. Volgens verweerder kan de 2005-correspondentie niet kwalificeren als een verzoek om terugbetaling.
29. In de uitspraak van 29 januari 2026 van deze rechtbank op het beroep van eiseres met zaaknummer HAA 23/6795 heeft de rechtbank geoordeeld dat de 2005-correspondentie niet is aan te merken als een verzoek om terugbetaling. De rechtbank verwijst in dit kader naar de overwegingen 33 tot en met 35 in die uitspraak en bepaalt dat die overwegingen ook deel uitmaken van onderhavige uitspraak. De uitspraak in de zaak HAA 23/6795 is als bijlage bij onderhavige uitspraak gevoegd.
30. In overweging 36 van de uitspraak in de zaak HAA 23/6795 heeft de rechtbank verder geoordeeld dat de brief van 23 september 2015 dient te worden aangemerkt als een verzoek om terugbetaling. De rechtbank merkt de brief van eiseres van 16 april 2020, gezien de stelling van eiseres dat dit een aanvulling betreft van een eerder verzoek om terugbetaling, aan als aanvulling op het verzoek van 23 september 2015.
31. Verweerder kan terugbetaling van rechten bij invoer verlenen als het verzoek op grond van artikel 236, tweede lid, van het CDW is gedaan binnen drie jaren te rekenen vanaf de datum waarop genoemde rechten aan de schuldenaar zijn medegedeeld. De rechtbank stelt vast dat verweerder de brief van 23 september 2015 op 24 september 2015, dus buiten de drie-jaarstermijn, heeft ontvangen. Dat in de fax van 3 juni 2005 wordt verzocht om de termijn van drie jaar te stuiten in het geval dat verzoeken om terugbetaling ex artikel 236 van Pro het CDW voor de betrokken goederen zullen kunnen worden ingediend, maakt dat niet anders. De drie-jaarstermijn kan alleen worden gestuit door een verzoek om terugbetaling. De 2005-correspondentie kwalificeert niet als een verzoek om terugbetaling, zodat van een stuiting van de driejaarstermijn geen sprake is.
32. Verweerder heeft het verzoek om terugbetaling van 23 september 2015 terecht niet-ontvankelijk verklaard omdat het buiten de wettelijke termijn van drie jaren is ingediend. Zo de brief van eiseres van 16 april 2020 als afzonderlijk verzoek om terugbetaling zou moeten worden aangemerkt, zou ook dat verzoek buiten de wettelijke termijn van drie jaren zijn ingediend.
33. De rechtbank ziet geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie en verwijst in dit kader naar overweging 39 in haar uitspraak in de zaak met zaaknummer HAA 23/6795.
Geschilpunten 2 tot en met 5:

2. Is tussen partijen een overeenkomst tot stand gekomen waarin verweerder zich verbindt tot terugbetaling van teveel geheven douanerechten over de aangiften?

3. Mocht eiseres erop vertrouwen dat een niet-ontvankelijkverklaring van haar verzoek om terugbetaling achterwege zou blijven?

4. Had verweerder ambtshalve tot terugbetaling dienen over te gaan?

5:Heeft eiseres recht op een schadevergoeding op grond van artikel 6:74 van Pro het BW dan wel op grond van artikel 8:88 van Pro de Awb?

34. Deze geschilpunten waren tevens aan de orde in het beroep van eiseres met zaaknummer HAA 23/6795. In de uitspraak van 29 januari 2026 op dat beroep heeft de rechtbank deze vragen ontkennend beantwoord. De rechtbank ziet geen aanleiding in onderhavige zaak een ander oordeel te geven. Zij verwijst naar de overwegingen 43 tot en met 74 van die uitspraak en bepaalt dat deze overwegingen deel uitmaken van onderhavige uitspraak.
35. Gelet op al het voorgaande is het beroep ongegrond.
Proceskosten
36. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- verklaart zich onbevoegd inzake de vordering tot schadevergoeding op de voet van het burgerlijk wetboek;
- wijst de vordering tot schadevergoeding voor het overige af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.J. Ebbeling, voorzitter, en S.J. Richters en mr. W.M.C. Schipper, leden, in aanwezigheid van mr. E.P. van der Zalm, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 29 januari 2026.
griffier voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak per post verzonden op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de douanekamer van het gerechtshof Amsterdam, Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam, waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Amsterdam vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Hof van Justitie 18 juli 2007, C-310/06 (FTS), ECLI:EU:C:2007:456.