Uitspraak
Rechtbank noord-holland
uitspraak van de meervoudige kamer van 5 februari 2026 in de zaak tussen
[eiseres] , wonende te [woonplaats] , eiseres,
de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.
Procesverloop
Overwegingen
Let op!Krijgt u uitstel? Dan betaalt u meestal wel belastingrente. Hoeveel u moet betalen, leest u bijBelastingrente betalen bij inkomstenbelasting.” Na het klikken op de link verschijnt een pagina met uitleg over de belastingrente met een viertal voorbeelden. Op die pagina is ook een link te vinden naar een overzicht van de geldende percentages.
Eiseres concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vermindering van de beschikking belastingrente tot nihil.
Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.
2. De voor een of meer belanghebbenden nadelige gevolgen van een besluit mogen niet onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen.
2. De belastingrente wordt enkelvoudig berekend over het tijdvak dat aanvangt 6 maanden te rekenen vanaf het einde van het tijdvak waarover de belasting wordt geheven en eindigt op de dag voorafgaand aan de dag waarop de aanslag, (…), invorderbaar is ingevolge artikel 9 van Pro de Invorderingswet 1990 en heeft als grondslag het te betalen bedrag aan belasting.
3. Ingeval de aanslag is vastgesteld overeenkomstig de ingediende aangifte, eindigt het tijdvak waarover de belastingrente wordt berekend in afwijking in zoverre van het tweede lid, uiterlijk 19 weken na de datum van ontvangst van de aangifte.
4. Geen belastingrente wordt in rekening gebracht ingeval de aanslag inkomstenbelasting (…) is vastgesteld overeenkomstig een ingediende aangifte die is ontvangen voor de eerste dag van de vijfde, (…), maand na afloop van het tijdvak waarover de belasting wordt geheven.
(…)
a. is voor de inkomstenbelasting, (…) gelijk aan het percentage van de ingevolge artikel 120, eerste lid, van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde wettelijke rente, bedoeld in artikel 119 van Pro Boek 6 van dat wetboek, met dien verstande dat het eerstgenoemde percentage ten minste 4 bedraagt;
a. aanpassing van het percentage, indien nodig, jaarlijks per 1 januari geschiedt;
b. afronding van het percentage plaatsvindt op halve procentpunten;
c. het percentage ten minste 4,5 bedraagt; en
d. aanpassing van het percentage is beperkt tot maximaal 2 procentpunt per wijziging.
4.11.3 Van het belastingrentepercentage van artikel 1, letter a, van het Besluit kan, bij gelijke toepassing daarvan op alle soorten belastingen waarvoor belastingrente in rekening wordt gebracht, niet worden gezegd dat het een inbreuk vormt op het gelijkheidsbeginsel. Het komt evenmin in strijd met het verbod van discriminatie in artikel 1 van Pro de Grondwet en in internationale verdragen.
4.11.4 Evenmin leidt deze bepaling in de jaren 2022 en 2023 tot een inbreuk op het evenredigheidsbeginsel. Het in die bepaling geregelde rentepercentage is in beginsel gelijk aan de in artikel 6:119 BW Pro bedoelde wettelijke rente voor verbintenissen tot betaling van een geldsom in gevallen waarin geen sprake is van een handelsovereenkomst. Deze wettelijke rente wordt berekend door de basisherfinancieringsrente van de Europese Centrale Bank te verhogen met een opslag van (in de onderhavige jaren) 2,25 procentpunt, met een rekenkundige afronding van halve procenten. Van een aldus berekende rente kan niet worden gezegd dat die disproportioneel hoog is. Hetzelfde geldt voor het met ingang van 1 januari 2024 in artikel 1 van Pro het Besluit daarvoor in de plaats getreden percentage van de herfinancieringsrente die door de Europese Centrale Bank is vastgesteld voor een recente basisherfinancieringstransactie, vermeerderd met 3 procentpunt.
4.11.5 In het geval de in artikel 6:119 BW Pro bedoelde wettelijke rente lager is dan (in de onderhavige jaren) 4 procent, wordt de in artikel 1, letter a, van het Besluit bedoelde rente gesteld op 4 procent. Met ingang van 2024 bedraagt het minimum rentepercentage volgens artikel 1, lid 1, letter a, van het Besluit 4,5. [Voetnoot 18: Zie artikel XI, letter A, van het Eindejaarsbesluit 2023, Stb. 2023, 511.] Die minimumpercentages zijn in een zodanig geval weliswaar relatief hoog, in vergelijking met de wettelijke rente, maar komen niet in strijd met het evenredigheidsbeginsel, in aanmerking genomen dat (i) de absolute hoogte ervan niet als excessief kan worden aangemerkt, (ii) dit percentage geldt voor de belastingrente bij alle belastingen waarvoor zulke rente in rekening wordt gebracht, (iii) de invoering ervan – oorspronkelijk in artikel 30hb AWR – berustte op budgettaire overwegingen, [Voetnoot 19: Kamerstukken II, 2013/14, 33 755, nr. 3, blz. 2.] die bij de vaststelling van het rentepercentage voor de belastingrente als legitiem doel kunnen worden aangemerkt (zie hiervoor in 4.8.1), en (iv) een relatief hoge belastingrente voor alle daarvoor in aanmerking komende belastingen eveneens bijdraagt aan een legitiem doel, omdat deze maatregel, overeenkomstig de bedoeling van de wetgever, een prikkel voor belastingplichtigen vormt om op tijd en juist aangifte te doen of (tijdig) om een voorlopige aanslag of een aanpassing daarvan te verzoeken. Ook indien veel belastingplichtigen daartoe, zoals belanghebbende heeft aangevoerd, in redelijkheid niet of niet tijdig in staat zijn, kan dat doel niettemin in de beschouwing worden betrokken, met het oog op de gevallen waarin kan worden verwacht dat de berekening van belastingrente naar een relatief hoog percentage wel dit beoogde effect heeft. Onder de hiervoor vermelde vier omstandigheden kan niet – met inachtneming van de hiervoor in 4.5.2 bedoelde terughoudendheid – worden aangenomen dat de nadelige gevolgen van de genoemde minimum rentepercentages voor de betrokken belastingplichtigen onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen doelen.
4.11.6 Gelet op hetgeen hiervoor in 4.11.4 en 4.11.5 is overwogen, kan evenmin worden gezegd dat de daar bedoelde rentepercentages een ‘fair balance’ tussen de belangen van het betrokken individu en het algemene belang niet respecteren en daarom inbreuk maken op artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM).
(…)”