ECLI:NL:RBNHO:2026:1508

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
13 februari 2026
Publicatiedatum
18 februari 2026
Zaaknummer
C/15/374455 KG RK 26-103
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36 RvArt. 39 lid 4 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid wrakingsverzoek na einduitspraak en zonder advocaat

Verzoeker heeft tweemaal een wrakingsverzoek ingediend tegen de rechters die de hoofdzaak behandelden, nadat op 21 januari 2026 de einduitspraak was gedaan. De hoofdzaak betrof een verzoekschriftenprocedure over vervangende toestemming en zorgregeling voor minderjarige kinderen.

De wrakingskamer oordeelt dat een wrakingsverzoek alleen kan worden ingediend zolang de rechters de zaak nog behandelen. Omdat de einduitspraak al was gedaan, is het verzoek niet-ontvankelijk. Daarnaast geldt in deze zaak verplichte procesvertegenwoordiging, waardoor het wrakingsverzoek door een advocaat ondertekend moet zijn. Dit was niet het geval.

De wrakingskamer wijst het verzoek daarom af en bepaalt dat een volgend wrakingsverzoek niet in behandeling wordt genomen wegens misbruik van het wrakingsrecht. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 februari 2026 en staat geen rechtsmiddel tegen open.

Uitkomst: Wrakingsverzoek niet-ontvankelijk verklaard wegens indiening na einduitspraak en ontbreken advocaatsondertekening; volgend verzoek wordt niet in behandeling genomen wegens misbruik van recht.

Uitspraak

beslissing

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

[jw.sys.1.zaaknr] / [jw.sys.1.rolnummer_rekestnr][datum_beslissing]
Wrakingskamer
zaaknummer / rekestnummer: C/15/374455 KG RK 26-103
Beslissing van 13 februari 2026
Op het verzoek tot wraking ingediend door:
[Verzoeker],
te [woonplaats] ,
verzoeker.
Het verzoek is gericht tegen:
mrs. M. Flipse, S.W.S. Kiliç en L.M. Mons,
hierna te noemen: de rechters.

1.Procesverloop

1.1
Verzoeker heeft op 5 februari 2026 (wederom) schriftelijk de wraking verzocht van de rechters in de bij deze rechtbank, team Familie en Jeugd, locatie Alkmaar aanhangige zaak met als zaaknummer C/15/360942 / FA RK 25-210 (hierna: de hoofdzaak).
1.2
Op 9 februari 2026 heeft de griffier namens de wrakingskamer aan verzoeker bericht dat het wrakingsverzoek niet in behandeling kan worden genomen, omdat de gewraakte rechters in de hoofdzaak al einduitspraak hebben gedaan.
1.3
Op 10 februari 2026 heeft verzoeker aan de wrakingskamer bericht, kort gezegd, dat hij volhardt in zijn wrakingsverzoek.
1.4
De wrakingskamer heeft vervolgens op grond van de hierna opgenomen overwegingen besloten geen datum te bepalen voor een mondelinge behandeling van het verzoek en bepaald dat vandaag uitspraak zal worden gedaan.

2.De uitgangspunten

2.1.
[voornaam] [moeder] (hierna: [moeder] ) en verzoeker zijn de ouders van de minderjarige kinderen [kind 2] [achternaam] en [kind 1] [achternaam] (hierna: [kind 2] en [kind 1] ) .
2.2.
De hoofdzaak betreft een verzoekschriftenprocedure waarbij [moeder] aan de rechtbank – onder meer – heeft verzocht om aan haar vervangende toestemming te verlenen om [kind 1] in te schrijven voor het [naam instellling] . Tevens heeft zij verzocht dat de rechtbank een zorgregeling vastlegt ten behoeve van [kind 2] en [kind 1] .
2.3.
Verzoeker heeft verweer gevoerd tegen de verzoeken van [moeder] . Daarnaast heeft hij een tegenverzoek ingediend.
2.4.
Op 21 januari 2026 heeft de rechtbank einduitspraak gedaan in de hoofdzaak. Daarbij heeft de rechtbank de verzoeken van [moeder] grotendeels toegewezen en het tegenverzoek van verzoeker afgewezen.
2.5.
Op 3 februari 2026 heeft verzoeker voor de eerste maal schriftelijk de wraking verzocht van de rechters in de hoofdzaak.
2.6.
Op 5 februari 2026 heeft de wrakingskamer dit wrakingsverzoek afgewezen. De griffier heeft op voornoemde datum om 11:26 uur de uitspraak van de wrakingskamer aan verzoeker verzonden.
2.7.
Op dezelfde datum om 12:34 uur heeft verzoeker zijn tweede wrakingsverzoek ingediend.

3.Het standpunt van verzoeker

3.1.
Verzoeker heeft ter onderbouwing van het verzoek – kort gezegd – het volgende aangevoerd. De rechters hebben in hun uitspraak van 21 januari 2026 doorslaggevend gewicht toegekend aan het door de Raad voor de Kinderbescherming uitgebrachte advies. Dit terwijl dit advies selectief tot stand is gekomen. De rechters hebben de door verzoeker tegen het advies ingebrachte argumenten niet in hun oordeel betrokken. Van dit alles was verzoeker voor 21 januari 2026 niet op de hoogte.
Het wrakingsverzoek richt zich uitsluitend op toetsbare feiten en een procedurele constatering, zonder inhoudelijk bezwaar tegen de beslissing zelf. Om die reden is het in dit geval niet vereist dat dit wrakingsverzoek door een advocaat is ondertekend aldus verzoeker.

4.De beoordeling

4.1
Op grond van artikel 36 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering kunnen op verzoek van een partij de rechters die de zaak behandelen, worden gewraakt. Dat betekent dat een wrakingsverzoek alleen in behandeling kan worden genomen zolang de rechters de zaak nog behandelen. Als aan de zaak door een uitspraak een einde is gekomen, kunnen die rechters dus niet meer worden gewraakt.
4.2
Uit het procesdossier in de hoofdzaak blijkt dat de rechters op 21 januari 2026 einduitspraak hebben gedaan. Het verzoek is op 5 februari 2026 gedaan en dus nadat de rechters in de hoofdzaak einduitspraak hebben gedaan. De wrakingskamer kan daarom ook dit tweede wrakingsverzoek niet behandelen. Dat verzoeker pas door kennisname van de beslissing van 21 januari 2026 op de hoogte is geraakt van de motivering van de beslissing van de rechters, doet daaraan niet af.
De wrakingskamer zal verzoeker niet-ontvankelijk verklaren in het verzoek.
4.3.
Nog afgezien daarvan volgt uit vaste rechtspraak (vgl. Hoge Raad 18 december 1998, ECLI:NL:HR:1998:AD2977) dat in zaken waarin verplichte procesvertegenwoordiging geldt, een schriftelijk wrakingsverzoek door een advocaat ondertekend moet zijn. In de hoofdzaak geldt verplichte procesvertegenwoordiging. Desondanks is het verzoek niet door een advocaat ondertekend. Ook om die reden kan verzoeker niet in zijn wrakingsverzoek worden ontvangen.
Wat verzoeker hiertegen heeft aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel. De door de Hoge Raad in de genoemde uitspraak geformuleerde regel geldt namelijk zonder uitzondering.
4.4.
De wrakingskamer ziet, nu verzoeker binnen korte tijd tweemaal een wrakingsverzoek heeft ingediend, aanleiding om toepassing te geven aan artikel 39, vierde lid, Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, inhoudende dat een volgend verzoek niet in behandeling zal worden genomen. De wrakingskamer komt hiertoe omdat zij van oordeel is dat in de onderhavige zaak sprake is van misbruik van het rechtsmiddel wraking.

5.Beslissing

De rechtbank
5.1
verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek,
5.2
bepaalt dat een volgend wrakingsverzoek van verzoeker in de hoofdzaak niet in behandeling wordt genomen,
5.3
beveelt de griffier onverwijld aan verzoeker, de rechters en de wederpartij een voor eensluidende gewaarmerkt afschrift van deze beslissing toe te zenden.
Deze beslissing is gegeven door mr. J.H. Gisolf, voorzitter, mr. W.C. Oosterbroek en mr. I.H. Lips, leden van de wrakingskamer, in tegenwoordigheid van de griffier, en in het openbaar uitgesproken op 13 februari 2026.[concipiënt_initialen]
griffier voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.