Uitspraak
Rechtbank noord-holland
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 februari 2026 in de zaak tussen
[eiseres] , gevestigd te [vestigingsplaats] , eiseres
de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor MKB Den Haag, verweerder.
Procesverloop
Overwegingen
.Op 17 december 2024 heeft eiseres de aangifte Vpb 2022 ingediend. Uit de aangifte volgt dat eiseres in 2022 (1) een ondernemingsvermogen had van € 1.125.273, (2) een omzet heeft behaald van € 196.960 en dat (3) eiseres een vordering van € 1.134.670 heeft op de directeur-grootaandeelhouder (dga). Ook volgt uit de aangifte dat er in 2022 een storting ten bedrage van € 1.085.100 heeft plaatsgevonden in de vennootschap. Dit bedrag is vervolgens aan de dga teruggeleend en aangewend voor de financiering van een eigenwoning (dit laatste volgt uit de aangiften inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen van de dga).
Geschil5. In geschil is of de verzuimboete bij de navorderingsaanslag Vpb 2022 tot het juiste bedrag is opgelegd. Niet betwist wordt dat eiseres te laat aangifte heeft gedaan en dat een verzuimboete op zijn plaats is.
.Zij concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vermindering van de verzuimboete tot € 500, alsmede vergoeding van de proceskosten.
Beslissing
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar voor zover zij de boetebeschikking betreft en handhaaft deze voor het overige;
- verlaagt de boete tot een bedrag van € 500;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van de uitspraak op bezwaar;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.868; en
- draagt verweerder op het door eiseres betaalde griffierecht van in totaal € 385 aan haar te vergoeden.