ECLI:NL:RBNHO:2026:1561

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
12 februari 2026
Publicatiedatum
18 februari 2026
Zaaknummer
AWB - 25 _ 37
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9.5 Wet IB 2001Art. 8:73 Awb (oud)Art. 8:88 AwbArt. 8:89 AwbArt. 8:90 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep tegen voorlopige aanslag inkomstenbelasting 2023

Eiser maakte bezwaar tegen de voorlopige aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PVV) 2023 en verzocht om toepassing van aftrek ter voorkoming van dubbele belasting en verwerking van premies betaald tijdens een Duitse periode. Verweerder verklaarde het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk omdat tegen voorlopige aanslagen geen bezwaar mogelijk is, maar behandelde het bezwaar als een verzoek tot herziening, dat uiteindelijk werd toegewezen.

Eiser stelde vervolgens prematuur beroep in bij de rechtbank, nog voordat de uitspraak op bezwaar was gedaan. De rechtbank oordeelde dat het beroep niet-ontvankelijk is omdat het niet was gericht tegen een besluit en niet voldeed aan de wettelijke eisen voor een beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit.

De rechtbank constateerde dat de voorlopige aanslag uiteindelijk correct was herzien en dat de dwangbevelkosten waren verminderd. Verzoeken tot schadevergoeding werden afgewezen omdat het beroep niet-ontvankelijk was. De rechtbank wees ook proceskostenveroordeling af en benadrukte dat voorlopige aanslagen niet voor bezwaar vatbaar zijn volgens de wet.

Uitkomst: Het beroep tegen de voorlopige aanslag IB/PVV 2023 wordt niet-ontvankelijk verklaard.

Uitspraak

Rechtbank noord-holland

Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 25/37

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 februari 2026 in de zaak tussen

[eiser] , wonende te [woonplaats] , eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Eindhoven, verweerder.

Procesverloop

Met dagtekening 27 september 2024 is een voorlopige aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) over het jaar 2023 vastgesteld.
Bij brief van 27 oktober 2024 heeft eiser bezwaar gemaakt tegen deze voorlopige aanslag.
Op 5 januari 2025 heeft eiser beroep ingesteld bij de rechtbank.
Bij uitspraak op bezwaar van 15 januari 2025 heeft verweerder het bezwaar van eiser kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. Het bezwaar is vervolgens behandeld als een verzoek om herziening van de voorlopige aanslag, welk verzoek is toegewezen.
Verweerder heeft op 26 augustus 2025 een verweerschrift en de daarbij behorende stukken ingediend.
Eiser heeft nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 januari 2026 te Haarlem. Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam 1] en [naam 2] .

Overwegingen

Feiten
1. Op 30 april 2024 heeft eiser de aangifte IB/PVV 2023 op papier ingediend. Daarbij zijn opmerkingen deels buiten de daarvoor bestemde vakken op het aangifteformulier geplaatst. Eiser heeft loonheffing met betrekking tot zijn Nederlandse inkomen ingevuld van € 28.024. Verder heeft eiser bij ingehouden loonheffing XXX ingevuld. Eiser heeft de vragen in het papieren aangiftebiljet met betrekking tot de aftrek ter voorkoming van dubbele belasting niet ingevuld en geen bedrag ingevuld. Eiser heeft bij de aangifte een losse brief meegestuurd met vier bijlages:
  • Bijlage 1: Verzoek voorkoming van dubbele belasting;
  • Bijlage 2: A1-formulier van de SVB ter bewijs van afgedragen premies in Nederland tijdens de Duitse periode;
  • Bijlage 3: Annual statement 2023, Duitse periode van januari t/m april 2023;
  • Bijlage 4: Jaaropgave 2023, Nederlandse periode mei tot en met december 2023.
2. Met dagtekening 27 september 2024 is de voorlopige aanslag IB/PVV 2023 vastgesteld. Deze voorlopige aanslag IB/PVV 2023 resulteert in een te betalen bedrag van € 30.010. Hierbij is rekening gehouden met het in de aangifte ingevulde bedrag aan loonheffing van € 28.024. Er is geen voorkoming van dubbele belasting toegepast en er is geen rekening gehouden met de afgedragen premies in Nederland tijdens de Duitse periode.
3. Eiser heeft bij brief van 27 oktober 2024 bezwaar gemaakt tegen de voorlopige aanslag IB/PVV 2023, met het verzoek aftrek ter voorkoming van dubbele belasting toe te passen en rekening te houden met de in de Duitse periode reeds afgedragen premies volksverzekeringen.
4. Op 19 december 2024 heeft verweerder beslist de voorlopige aanslag IB/PVV 2023 aan te passen. Daarbij is aan eiser een aftrek ter voorkoming van dubbele belasting verleend voor het gehele buitenlandse inkomen, maar de tijdens de Duitse periode afgedragen premies zijn niet verwerkt. Deze beslissing is niet aan eiser kenbaar gemaakt. Pas met dagtekening 17 januari 2025 heeft verweerder dit een en ander in een tweede voorlopige aanslag IB/PVV 2023 verwerkt.
5. Met dagtekening 31 januari 2025 heeft verweerder een derde voorlopige aanslag IB/PVV 2023 aan eiser opgelegd, waarbij ook volledig rekening is gehouden met de tijdens de Duitse periode afgedragen premies volksverzekeringen in Nederland.

Geschil6. In geschil is of eiser ontvankelijk is in zijn beroep, alsmede of aanleiding bestaat voor schadevergoeding op grond van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb).

Beoordeling van het geschil
7. Artikel 9.5 Wet op de inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001) luidt
voorzover van belang als volgt:
“1. Een voorlopige aanslag wordt door de inspecteur op verzoek herzien voor zover die voorlopige aanslag op een ander bedrag is vastgesteld dan het bedrag waarop de
aanslag, na verrekening van voorheffingen en reeds opgelegde voorlopige aanslagen, vermoedelijk zal worden vastgesteld.
2. Ingeval een verzoek om herziening geheel of gedeeltelijk wordt afgewezen, beslist de inspecteur dat bij een voor bezwaar vatbare beschikking, waarbij de termijn voor het instellen van bezwaar eindigt op de dag van de dagtekening van de
aanslag waarmee de voorlopige aanslag wordt verrekend. De eerste volzin is van
overeenkomstige toepassing ingeval een verzoek tot het opleggen van een
voorlopige aanslag wordt afgewezen.
3. In afwijking van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 26 van Pro de Algemene wet inzake rijksbelastingen is een voorlopige aanslag niet voor bezwaar vatbaar. […]”
8. Het derde lid, van artikel 9.5 Wet IB 2001 bepaalt dat tegen een voorlopige aanslag IB/PVV géén bezwaar mogelijk is. De voorlopige aanslag betreft géén voor bezwaar vatbare beschikking. Nu het wettelijk systeem een gesloten systeem is, bestaat er geen ruimte om hiervan af te wijken. Anders dan bij een definitieve aanslag wordt bij de voorlopige aanslag dan ook geen bezwaarclausule opgenomen.
9. De rechtbank stelt voorop, zoals hiervoor overwogen, dat op grond van artikel 9.5 Wet IB 2001 tegen een voorlopige aanslag geen bezwaar kan worden gemaakt. Een bezwaar is kennelijk niet-ontvankelijk als zonder nader onderzoek of inhoudelijke beoordeling meteen duidelijk is dat niet aan de wettelijke ontvankelijkheidsvereisten is voldaan. Verweerder heeft daarom het bezwaar terecht kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank is voorts van oordeel dat verweerder het bezwaar terecht op grond van artikel 9.5, eerste lid, Wet IB 2001 heeft aangemerkt als een verzoek tot herziening van de voorlopige aanslag. Dat aan dit verzoek uiteindelijk volledig is tegemoetgekomen, brengt niet mee dat het bezwaar ten onrechte kennelijk niet-ontvankelijk is verklaard. Verweerder kon niet anders dan het bezwaar niet-ontvankelijk verklaren, terwijl het verzoek tot herziening wel toewijsbaar was.
10. Eiser heeft op 5 januari 2025 beroep ingesteld bij de rechtbank, terwijl op dat moment nog geen uitspraak op bezwaar was gedaan. De uitspraak op bezwaar dateert van 15 januari 2025 en er is geen aanleiding om te veronderstellen dat dit besluit eerder bekend gemaakt is. Voor zover het beroep zou moeten worden aangemerkt als een beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op het bezwaar geldt het volgende. De beslistermijn is geëindigd op 11 december 2024. Pas daarna kon rechtsgeldig in gebreke worden gesteld. Voor zover de brief van eiser van 21 december 2024, door verweerder ontvangen op 24 december 2024, als ingebrekestelling zou moeten worden aangemerkt, had verweerder tot 7 januari 2025 de tijd om alsnog te beslissen op het bezwaar. Eerst daarna kan rechtsgeldig beroep worden ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit. Het beroep is echter, prematuur, ingesteld op 5 januari 2025. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk, nu het niet is gericht tegen een besluit, noch voldoet aan de wettelijke eisen voor een beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit als bedoeld in de Awb.
11. Het is te wijten aan een ongelukkige samenloop van omstandigheden dat het eiser moeite heeft gekost de voorlopige aanslag IB/PVV 2023 herzien te krijgen, maar dit is mede veroorzaakt door de wijze waarop hij aangifte heeft gedaan. Bij de geautomatiseerde verwerking van aangiften zoals bij verweerder plaatsvindt, kunnen bijlagen bij en opmerkingen geplaatst op het aangifteformulier niet worden verwerkt in de voorlopige aanslag. De rechtbank stelt vast dat de derde voorlopige aanslag niet te hoog is vastgesteld. Er is daarin rekening gehouden met voorkoming van dubbele belasting en de afgedragen premies tijdens de Duitse periode.
Dwangbevel
12. De rechtbank onderkent dat het dwangbevel voor eiser als belastend is ervaren. Dit had echter kunnen worden voorkomen door tijdig uitstel van betaling voor het op de voorlopige aanslag te betalen bedrag te verzoeken. Voor zover eiser de rechtbank verzoekt verweerder de aanmaning en het dwangbevel in te doen trekken en verweerder door hem gestelde vragen te doen beantwoorden zijn deze vorderingen niet voor toewijzing vatbaar in deze procedure. Nu de voorlopige aanslag IB/PVV 2023 is herzien conform de door eiser bedoelde aangifte, is er op aanmaning en dwangbevel, waarvan de kosten door verweerder reeds naar nihil verminderd zijn, niets meer door eiser te betalen.

Schadevergoeding

13. Eiser vordert schadevergoeding van in totaal € 880, bestaande uit vier keer € 220 voor iedere brief die hij verzonden heeft om de voorlopige aanslag verlaagd te krijgen. Volgens artikel V van de Wet nadeelcompensatie en schadevergoeding bij onrechtmatige besluiten (Stb. 2013, 50) is de huidige regeling voor schadevergoeding bij onrechtmatig overheidshandelen, zoals neergelegd in de artikelen 8:88 tot en met 8:95 van de Awb niet van toepassing in belastingzaken, met uitzondering van de vennootschapsbelasting en lokale heffingen. Dit betekent dat het verzoek om schadevergoeding moet worden beoordeeld in het licht van artikel 8:73 van Pro de Awb (oud). De toepasselijke regeling van artikel 8:73 van Pro de Awb (oud) biedt de mogelijkheid van een schadevergoeding, indien het beroep gegrond wordt verklaard (zie het arrest van de Hoge Raad van 10 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1748). De rechtbank komt aan een veroordeling tot schadevergoeding op grond van artikel 8:73 van Pro de Awb, wat daar verder van zij, dan ook niet toe omdat het beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard.
Slotsom
14. Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep niet-ontvankelijk te worden verklaard.
Proceskosten
15. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.H. de Soeten, rechter, in aanwezigheid van mr. N. Brons, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 februari 2026.
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift per post verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer).
U kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2. het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de datum van verzending;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).