10. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) alleen een voorlopige voorziening als “onverwijlde spoed” dat vereist. Is niet gebleken van een spoedeisend belang bij het verzoek, dan zal de voorzieningenrechter om die reden niet toekomen aan een voorlopig rechtmatigheidsoordeel van het bestreden besluit.
10. De voorzieningenrechter acht een spoedeisend belang bij het verzoek aanwezig. Verzoeker heeft in zijn verzoek gesteld dat dat de EMD onmiddellijke rechtsgevolgen heeft, waaronder aantasting van de rijbevoegdheid en financiële verplichtingen. Naar aanleiding van het verzoek heeft het CBR de spoedeisendheid daarvan in twijfel getrokken, omdat het bestreden besluit geen onmiddellijke gevolgen heeft voor de rijbevoegdheid van verzoeker, en de geldigheid van zijn rijbewijs zal ook de komende periode nog niet in geding zijn, als verzoeker aan de betalingsverplichtingen voor de opgelegde cursus voldoet. De vraag of het verzoek spoedeisend is, is ter zitting besproken. Gebleken is dat verzoeker, hoewel hij door zijn WIA-uitkering niet voor kwijtschelding van het griffierecht in aanmerking komt, een recente achtergrond van schulden heeft en niet beschikt over financiële reserves. Dit maakt dat het voor verzoeker een probleem is om, naast het recent betaalde griffierecht van € 200,- voor deze procedure, ook nog op korte termijn de opleggingskosten van € 417,- voor de cursus te betalen. De betalingstermijn voor die opleggingskosten loopt echter af binnen twee dagen na de zitting in deze procedure (13 februari 2026), en het niet tijdig betalen zal leiden tot ongeldigverklaring van verzoekers rijbewijs. Dit terwijl verzoeker heeft aangegeven dat hij van zijn rijbewijs afhankelijk is voor onder meer zorgtaken en medische bezoeken. Gelet op deze klemmende situatie is de twijfel aan de spoedeisendheid van het verzoek weggenomen. Daaraan doet niet af dat het CBR ter zitting heeft verklaard dat de betalingstermijn voor de opleggingskosten in gevallen als deze op verzoek eenmalig met vier weken kan worden verlengd, en het verzoek daartoe door de gemachtigde ter zitting in behandeling is genomen. Dit heeft overigens, zoals ter zitting besproken, tevens het bijkomend voordeel dat de voorzieningenrechter niet vóór 13 februari 2026 uitspraak behoeft te doen.
Redelijke kans van slagen van het bezwaar
10. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of hij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt hij aan de hand van de gronden van verzoeker.
10. Verzoeker heeft ten eerste gesteld dat het volgens hem niet klopt dat het CBR, in afwachting van de beoordeling van ingestelde rechtsmiddelen, vooruit mag lopen op die beoordeling door de opgelegde EMD door te laten werken. De enkele betwisting van de rechtmatigheid zou voor het CBR genoeg reden moeten zijn om de beoordeling daarvan af te wachten en gedurende die beoordeling nog niet te kunnen besluiten tot ongeldigverklaring van het rijbewijs. Als dat soort gevolgen al kunnen intreden voordat het rechtmatigheidsoordeel is gegeven, verliest een ingesteld rechtsmiddel zijn betekenis. Ter zitting heeft verzoeker toegelicht dat de zaken sinds het incident op 22 december 2025 heel snel zijn gegaan. Hij kreeg vrijwel direct een besluit over het volgen van een cursus en moet daar nu ook al voor betalen, terwijl hij de rechtmatigheid van de opgelegde EMD betwist en graag eerst advies had willen inwinnen bij een juridisch raadgever.
10. De voorzieningenrechter begrijpt uit het betoog van verzoeker dat hij meent dat het door hem ingestelde bezwaar er direct toe zouden moeten leiden dat de werking van het bestreden besluit wordt opgeschort, zodat het besluit tijdens de beoordeling van het bezwaar nog niet de daarin aangekondigde gevolgen van het niet meewerken aan de cursus kan meebrengen. De voorzieningenrechter volgt verzoeker niet in dit standpunt en overweegt daartoe het volgende.
10. Er bestaat geen rechtsgrond voor het oordeel dat het instellen van bezwaar direct zou moeten leiden tot opschorting van het bestreden besluit. Het instellen van bezwaar leidt als hoofdregel niet tot automatische opschorting van de werking van een besluit, en de wetgever heeft voor besluiten waarbij een EMD wordt opgelegd niet anders besloten. Integendeel:de wetgever heeft het CBR bewust opgedragen om zo spoedig mogelijk een besluit te nemen nadat een mededeling is ontvangen van een vermoeden dat de houder van een rijbewijs niet langer beschikt over de vereiste rijvaardigheid of rijgeschiktheid.De grondslag daarvan is gelegen in het feit dat zo’n vermoeden de verkeersveiligheid in gevaar kan brengen, terwijl dat vermoeden pas is weggenomen als een opgelegde cursus of een opgelegd onderzoek succesvol is doorlopen. In lijn met die gedachte komt er geen schorsende werking toe aan het enkel maken van bezwaar tegen een door het CBR opgelegde cursus. Dat betekent overigens niet dat het bezwaar zijn betekenis verliest, omdat een bezwaarmaker achteraf kan worden gecompenseerd indien blijkt dat de cursus ten onrechte is opgelegd. In zoverre is van onomkeerbaarheid geen sprake. Dat de gevolgen van een bestreden besluit gedurende het bezwaar kunnen doorwerken maakt ook niet dat sprake is van verlies van rechtsbescherming. Om onmiddellijke schorsing van een besluit kan immers verzocht worden door het indienen van een verzoek om een voorlopige voorziening, hetgeen thans ter beoordeling voorligt. De voorzieningenrechter volgt verzoeker dan ook niet in zijn standpunt dat rechtsmiddelen aldus geen betekenis toekomen.