ECLI:NL:RBNHO:2026:1646

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
20 februari 2026
Publicatiedatum
20 februari 2026
Zaaknummer
HAA 26/609
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 131 Wvw 1994Art. 17 Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011Art. 8:81 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen oplegging educatieve maatregel drugs door CBR

Verzoeker werd op 22 december 2025 staande gehouden wegens vermoedelijk rijden onder invloed van drugs. Na een positieve speekseltest weigerde hij mee te werken aan een bloedonderzoek. Het CBR legde hem daarop een educatieve maatregel drugs (EMD) op. Verzoeker maakte bezwaar en vroeg om een voorlopige voorziening in afwachting van de bezwaarprocedure.

De voorzieningenrechter oordeelde dat het beroep op betalingsonmacht voor het griffierecht niet slaagde, omdat het netto-inkomen van verzoeker hoger was dan 95% van de maximale bijstandsuitkering. Verzoekers argument dat de weigering van het bloedonderzoek voortkwam uit een acute medische noodsituatie werd niet gevolgd, mede omdat hij zelf had verklaard eerder die dag een joint te hebben gerookt en geen objectieve onderbouwing voor zijn angst voor naalden had geleverd.

De rechtbank overwoog dat de wet dwingend voorschrijft dat een EMD wordt opgelegd bij weigering van medewerking aan bloedonderzoek in combinatie met een proces-verbaal dat aanwijzingen bevat voor rijden onder invloed. Er was geen sprake van onevenredige gevolgen die toepassing van de regeling zouden uitsluiten.

Hoewel verzoeker stelde dat het bezwaar de werking van het besluit had moeten schorsen, is dit volgens de rechter niet het geval. De wet kent geen automatische opschorting bij bezwaar tegen een EMD. Verzoeker kon een voorlopige voorziening aanvragen, maar deze werd afgewezen omdat het bezwaar geen redelijke kans van slagen had. De betalingstermijn voor de opleggingskosten werd verlengd tot 13 maart 2026, waardoor verzoeker meer tijd kreeg om te betalen.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de oplegging van de educatieve maatregel drugs door het CBR wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Alkmaar
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 26/609

uitspraak van de voorzieningenrechter van 20 februari 2026 in de zaak tussen

[verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker

en

de directie van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen, het CBR

(gemachtigde: mr. M. Ouhbib).

Samenvatting

1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over het besluit van het CBR tot oplegging van een educatieve maatregel drugs (EMD) aan verzoeker. Verzoeker is het hier niet mee eens. Hij heeft bezwaar gemaakt en verzoekt in afwachting van de behandeling daarvan om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan.
2. De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Hierna legt hij uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Dit oordeel heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Procesverloop

3. Met het bestreden besluit van 16 januari 2026 heeft het CBR de EMD aan verzoeker opgelegd
.Dit omdat verzoeker op 22 december 2025 geweigerd heeft om mee te werken aan een bloedonderzoek nadat hij door de politie staande werd gehouden op de weg, terwijl de bij verzoeker afgenomen speekseltest een indicatie gaf van drugsgebruik.
4. Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen het bestreden besluit en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
5. Het CBR heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
6. Verzoeker heeft de voorzieningenrechter op 5 februari 2026 verzocht om vrijstelling van betaling van het griffierecht wegens betalingsonmacht. Bij brief van 10 februari 2026 is dit verzoek op grond van de dan beschikbare informatie afgewezen.
7. Het verzoek om voorlopige voorziening is op 11 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker en de gemachtigde van het CBR. Het onderzoek ter zitting is gesloten.
8. Bij mail van 19 februari 2026 heeft verzoeker een nadere reactie ingezonden. Deze is in het dossier gevoegd, en een afschrift daarvan is verweerder samen met deze uitspraak toegezonden.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Beroep op betalingsonmacht

9. Verzoeker heeft, gelet op de brief van 10 februari 2026, het griffierecht voorafgaand aan de zitting voldaan. Het beroep op betalingsonmacht is ter zitting besproken. Zoals verzoeker zelf ook al constateerde na de ontvangst van het formulier betalingsonmacht, komt hij niet in aanmerking voor vrijstelling van betaling van het griffierecht. Gelet op zijn WIA-uitkering van € 1.687,- netto per maand is het netto-inkomen van verzoeker niet lager dan 95% van een maximale bijstandsuitkering van een alleenstaande. Het beroep op betalingsonmacht slaagt dus niet, en de voorzieningenrechter blijft bij zijn eerder genomen beslissing.

Spoedeisend belang

10. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) alleen een voorlopige voorziening als “onverwijlde spoed” dat vereist. Is niet gebleken van een spoedeisend belang bij het verzoek, dan zal de voorzieningenrechter om die reden niet toekomen aan een voorlopig rechtmatigheidsoordeel van het bestreden besluit.
10. De voorzieningenrechter acht een spoedeisend belang bij het verzoek aanwezig. Verzoeker heeft in zijn verzoek gesteld dat dat de EMD onmiddellijke rechtsgevolgen heeft, waaronder aantasting van de rijbevoegdheid en financiële verplichtingen. Naar aanleiding van het verzoek heeft het CBR de spoedeisendheid daarvan in twijfel getrokken, omdat het bestreden besluit geen onmiddellijke gevolgen heeft voor de rijbevoegdheid van verzoeker, en de geldigheid van zijn rijbewijs zal ook de komende periode nog niet in geding zijn, als verzoeker aan de betalingsverplichtingen voor de opgelegde cursus voldoet. De vraag of het verzoek spoedeisend is, is ter zitting besproken. Gebleken is dat verzoeker, hoewel hij door zijn WIA-uitkering niet voor kwijtschelding van het griffierecht in aanmerking komt, een recente achtergrond van schulden heeft en niet beschikt over financiële reserves. Dit maakt dat het voor verzoeker een probleem is om, naast het recent betaalde griffierecht van € 200,- voor deze procedure, ook nog op korte termijn de opleggingskosten van € 417,- voor de cursus te betalen. De betalingstermijn voor die opleggingskosten loopt echter af binnen twee dagen na de zitting in deze procedure (13 februari 2026), en het niet tijdig betalen zal leiden tot ongeldigverklaring van verzoekers rijbewijs. Dit terwijl verzoeker heeft aangegeven dat hij van zijn rijbewijs afhankelijk is voor onder meer zorgtaken en medische bezoeken. Gelet op deze klemmende situatie is de twijfel aan de spoedeisendheid van het verzoek weggenomen. Daaraan doet niet af dat het CBR ter zitting heeft verklaard dat de betalingstermijn voor de opleggingskosten in gevallen als deze op verzoek eenmalig met vier weken kan worden verlengd, en het verzoek daartoe door de gemachtigde ter zitting in behandeling is genomen. Dit heeft overigens, zoals ter zitting besproken, tevens het bijkomend voordeel dat de voorzieningenrechter niet vóór 13 februari 2026 uitspraak behoeft te doen.
Redelijke kans van slagen van het bezwaar
10. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of hij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt hij aan de hand van de gronden van verzoeker.
10. Verzoeker heeft ten eerste gesteld dat het volgens hem niet klopt dat het CBR, in afwachting van de beoordeling van ingestelde rechtsmiddelen, vooruit mag lopen op die beoordeling door de opgelegde EMD door te laten werken. De enkele betwisting van de rechtmatigheid zou voor het CBR genoeg reden moeten zijn om de beoordeling daarvan af te wachten en gedurende die beoordeling nog niet te kunnen besluiten tot ongeldigverklaring van het rijbewijs. Als dat soort gevolgen al kunnen intreden voordat het rechtmatigheidsoordeel is gegeven, verliest een ingesteld rechtsmiddel zijn betekenis. Ter zitting heeft verzoeker toegelicht dat de zaken sinds het incident op 22 december 2025 heel snel zijn gegaan. Hij kreeg vrijwel direct een besluit over het volgen van een cursus en moet daar nu ook al voor betalen, terwijl hij de rechtmatigheid van de opgelegde EMD betwist en graag eerst advies had willen inwinnen bij een juridisch raadgever.
10. De voorzieningenrechter begrijpt uit het betoog van verzoeker dat hij meent dat het door hem ingestelde bezwaar er direct toe zouden moeten leiden dat de werking van het bestreden besluit wordt opgeschort, zodat het besluit tijdens de beoordeling van het bezwaar nog niet de daarin aangekondigde gevolgen van het niet meewerken aan de cursus kan meebrengen. De voorzieningenrechter volgt verzoeker niet in dit standpunt en overweegt daartoe het volgende.
10. Er bestaat geen rechtsgrond voor het oordeel dat het instellen van bezwaar direct zou moeten leiden tot opschorting van het bestreden besluit. Het instellen van bezwaar leidt als hoofdregel niet tot automatische opschorting van de werking van een besluit, en de wetgever heeft voor besluiten waarbij een EMD wordt opgelegd niet anders besloten. Integendeel:de wetgever heeft het CBR bewust opgedragen om zo spoedig mogelijk een besluit te nemen nadat een mededeling is ontvangen van een vermoeden dat de houder van een rijbewijs niet langer beschikt over de vereiste rijvaardigheid of rijgeschiktheid. [1] De grondslag daarvan is gelegen in het feit dat zo’n vermoeden de verkeersveiligheid in gevaar kan brengen, terwijl dat vermoeden pas is weggenomen als een opgelegde cursus of een opgelegd onderzoek succesvol is doorlopen. In lijn met die gedachte komt er geen schorsende werking toe aan het enkel maken van bezwaar tegen een door het CBR opgelegde cursus. Dat betekent overigens niet dat het bezwaar zijn betekenis verliest, omdat een bezwaarmaker achteraf kan worden gecompenseerd indien blijkt dat de cursus ten onrechte is opgelegd. In zoverre is van onomkeerbaarheid geen sprake. Dat de gevolgen van een bestreden besluit gedurende het bezwaar kunnen doorwerken maakt ook niet dat sprake is van verlies van rechtsbescherming. Om onmiddellijke schorsing van een besluit kan immers verzocht worden door het indienen van een verzoek om een voorlopige voorziening, hetgeen thans ter beoordeling voorligt. De voorzieningenrechter volgt verzoeker dan ook niet in zijn standpunt dat rechtsmiddelen aldus geen betekenis toekomen.
16. Verzoeker heeft ten tweede gesteld dat de weigering voor de medewerking aan het bloedonderzoek gelegen was in een acute medische noodsituatie. Hij was op 22 december 2025 halsoverkop in de auto gestapt op weg naar zijn dochter, omdat haar vriendin gewond was geraakt. Verzoeker heeft geen acuut verkeersgevaar veroorzaakt en er was geen sprake van gevaarzettend rijgedrag. Een objectieve vaststelling van daadwerkelijke beïnvloeding tijdens het rijden heeft ook niet plaatsgevonden. Verzoeker meent daarom dat het onevenredig is dat het CBR de EMD aan hem heeft opgelegd.
17. De voorzieningenrechter volgt verzoeker ook niet in dit standpunt en overweegt daartoe het volgende.
18. De oplegging van de EMD is gebaseerd op artikel 131, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (Wvw 1994) en artikel 17, eerste lid, sub a van de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011 (de Regeling). Artikel 17, eerste lid, sub a van de Regeling schrijft dwingend voor dat een EMD wordt opgelegd indien ten aanzien van een betrokkene een proces-verbaal is opgemaakt wegens het weigeren van medewerking aan een bloedonderzoek, en de politie in dat proces-verbaal aanvullende gegevens heeft opgenomen betreffende het gedrag of de uiterlijke kenmerken van de betrokkene, diens rijgedrag, dan wel andere omstandigheden, welke leiden tot het vermoeden van rijden onder invloed van drogerende stoffen.
19. Uit de door het CBR overgelegde processen-verbaal van 22 en 28 december 2025 blijkt het volgende. Verzoeker werd op 22 december 2025 om 1:06 uur staande gehouden voor een controle rijden onder invloed. Bij verzoeker is een speekseltest afgenomen die een indicatie aangaf voor de stoffen cannabis/THC/marihuana/hasj en cocaïne/crack. Verzoeker werd vervolgens aangehouden als verdacht van overtreding van artikel 8 van Pro de Wvw 1994 en voorgeleid aan de hulpofficier van justitie. Om 01:45 uur heeft de hulpofficier van justitie verzoeker bevolen zich te onderwerpen aan een bloedonderzoek. Verzoeker gaf geen gevolg aan dit bevel. Uit de processen-verbaal blijkt voorts van aanvullende gegevens betreffende het gedrag of de uiterlijke kenmerken van de betrokkene, diens rijgedrag, dan wel andere omstandigheden. Een omstandigheid is dat verzoeker zelf heeft verklaard dat hij “op een eerder moment vanmiddag” op een feestje trekjes van een joint heeft genomen/een joint heeft gerookt. Gelet hierop is de voorzieningenrechter van oordeel dat aan het bepaalde in artikel 17, eerste lid, sub a van de Regeling is voldaan.
20. Gelet op de dwingende formulering van artikel 17, eerste lid, van de Regeling bestaat geen ruimte voor een belangenafweging indien vaststaat dat voldaan is aan één van de subonderdelen zoals omschreven in dit artikel. Wel kan in zeer uitzonderlijke omstandigheden geoordeeld worden dat de Regeling buiten toepassing moet blijven, omdat de gevolgen daarvan onevenredig uitwerken. [2] Van dergelijke gevolgen is de voorzieningenrechter niet gebleken. Daarvoor is het volgende van belang.
21. Verzoeker heeft aangevoerd dat hij medewerking aan het bloedonderzoek weigerde omdat zijn dochter hem in paniek had opgebeld, waardoor hijzelf ook in paniek was. Uit het door het CBR overgelegde proces-verbaal van het politieverhoor blijkt echter dat de politieagenten verzoeker in eerste instantie lieten doorrijden tot het adres waar zijn dochter was, omdat hij had aangegeven dat hij daar zo snel mogelijk moest zijn. Pas bij aankomst op dat adres is de speekseltest afgenomen en is verzoeker aangehouden. Tegen de tijd dat verzoeker werd voorgeleid had hij zijn dochter dus al gesproken. Het betoog ter zitting dat verzoeker bij de hulpofficier van justitie alleen maar kon denken aan het zo snel mogelijk terugkeren naar zijn dochter, strookt niet met de inhoud van het eerder genoemde proces-verbaal van 28 december 2025. Daaruit volgt immers dat verzoeker weigerde om medewerking te verlenen om reden dat hij bang is voor naalden en daar nachtmerries van krijgt. Ter zitting heeft verzoeker bevestigd dat hij inderdaad angst heeft voor naalden. Die stelling is echter niet onderbouwd met objectieve stukken waaruit volgt dat sprake is van een zodanige angst dat medewerking aan het bloedonderzoek niet van verzoeker kon worden gevergd. Met zijn betoog ter zitting dat hij op 22 december 2025 een kunstgebit droeg dat sinds het feestje op vrijdagavond nog niet was schoongemaakt en dat mogelijk het resultaat van de speekseltest verklaart, heeft verzoeker overigens ook niet aannemelijk gemaakt dat feitelijk geen sprake was van rijden onder invloed. Als dit het geval was, had dat voor verzoeker juist reden moeten zijn aan het bloedonderzoek mee te werken, teneinde het resultaat van de speekseltest te ontkrachten. Daar komt bij dat verzoeker bij de politie heeft verklaard dat hij in de middag voor zijn staandehouding (de voorzieningenrechter begrijpt: zondagmiddag 21 december 2025) de joint heeft gerookt, en niet op vrijdag. De objectieve vaststelling van het rijden onder invloed heeft niet kunnen plaatsvinden omdat verzoeker de medewerking aan het bloedonderzoek weigerde. Dit gegeven komt dus voor rekening en risico van verzoeker. Onder al deze omstandigheden valt niet in te zien dat de gevolgen van de Regeling in dit geval zodanig onevenredig uitwerken, dat de Regeling buiten toepassing moet blijven.

Conclusie en gevolgen

22. Gelet op het voorgaande heeft het bezwaar naar voorlopig oordeel geen redelijke kans van slagen. Dat maakt dat op dit moment geen aanleiding bestaat om het bestreden besluit te schorsen. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening daarom af. Omdat het verzoek wordt afgewezen, krijgt verzoeker het griffierecht niet terug. Voor een vergoeding van proceskosten is reeds daarom ook geen aanleiding.
22. De nadere reactie van verzoeker bij mail van 19 februari 2026 is geen aanleiding voor een andere conclusie. De voorzieningenrechter heeft daarin geen grond gezien voor heropening van het onderzoek ter zitting, hetgeen overigens ook niet is verzocht. De rechtbank merkt daarover op dat anders dan verzoeker stelt in de factuur en de betalingsherinnering voor de opleggingskosten niet ondubbelzinnig is meegedeeld dat geen uitstel kan worden verleend. Dat vermeld is dat geen betalingsregeling (in termijnen) mogelijk is, is iets anders. De betalingstermijn is verlengd tot 13 maart 2026. Zoals ter zitting besproken, geeft dat verzoeker meer armslag. Aan die verlenging ligt geen “rechterlijke interventie” ten grondslag, en evenmin kan worden ingezien dat verweerder hiermee de beginselen van fair play of equality of arms heeft geschonden. Dat hij de brief met de termijn van 13 maart 2026 eerst op 18 februari 2026 heeft ontvangen, komt geen betekenis toe nu verzoeker de verlenging met vier weken ter zitting ondubbelzinnig is medegedeeld. Tot slot nogmaals: zonder de verlenging zou de voorzieningenrechter vóór 13 februari 2026 uitspraak hebben gedaan. Van verlies van betekenis van dit rechtsmiddel is door de gang van zaken dus geen sprake.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.H. Lauryssen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. E. Boon, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 20 februari 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Zie artikel 131, eerste lid, van de Wvw 1994.
2.Zie de uitspraak van 31 maart 2021 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, ECLI:NL:RVS:2021:642, onder 8.6.