Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2026:1677

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
18 februari 2026
Publicatiedatum
20 februari 2026
Zaaknummer
C/15/347899 HA ZA 24-25
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:88 BWArt. 1:89 BWArt. 2:9 BWArt. 3:94 BWArt. 6:96 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Nakoming borgstelling en bestuurdersaansprakelijkheid bij financiering vennootschap

Deze civiele zaak betreft de borgstelling door bestuurders van Wind Energy Solutions B.V. (WES) voor leningen verstrekt door Agriport Properties B.V. (voorheen een andere B.V.). De borgstelling werd aangevochten door de echtgenotes van de bestuurders wegens ontbrekende toestemming, maar de rechtbank oordeelde dat de borgstelling plaatsvond binnen de normale bedrijfsuitoefening en toestemming niet vereist was.

Agriport vorderde betaling van €250.000 per bestuurder op grond van borgstelling en daarnaast een schadevergoeding van €231.000 wegens niet-nakoming van een cessieovereenkomst door WES. De rechtbank stelde vast dat WES het bedrag van de debiteur had ontvangen maar niet aan Agriport had doorbetaald, waardoor WES tekort was geschoten. Echter, de bestuurders werden niet persoonlijk aansprakelijk gehouden omdat niet was komen vast te staan dat zij wisten of hadden moeten begrijpen dat de vordering onverhaalbaar zou zijn.

De rechtbank veroordeelde de bestuurders tot betaling van de borgstellingsbedragen met 7% rente vanaf 14 november 2023, toewijzing van buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten, maar wees de schadevergoeding wegens bestuurdersaansprakelijkheid af. De vernietiging van de borgstelling door de echtgenotes had geen effect. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De rechtbank veroordeelt de bestuurders tot betaling van de borgstellingsbedragen met rente en wijst bestuurdersaansprakelijkheid af.

Uitspraak

RECHTBANK Noord-Holland

Civiel recht
Zittingsplaats Alkmaar
Zaaknummer: C/15/347899 / HA ZA 24-25
Vonnis van 18 februari 2026
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
AGRIPORT PROPERTIES B.V.,
te Middenmeer, gemeente Hollands Kroon,
eisende partij,
hierna te noemen: Agriport,
advocaat: mr. S.F. Coelingh Bennink,
tegen

1.[gedaagde sub 1] ,

te [woonplaats]
2.
[gedaagde sub 2],
te [woonplaats] ,
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: [gedaagden] ,
advocaat: aanvankelijk mr. Y.K. van Dijk, inmiddels mr. B.J. Mekkelholt.
De zaak in het kort
Deze zaak gaat over borgstelling en bestuurdersaansprakelijkheid in het kader van financiering van een vennootschap door een niet-bancaire geldverstrekker.
Voor de borgstelling was geen toestemming van de echtgenotes van de beide bestuurders van de vennootschap nodig. Beide bestuurders hielden namelijk samen alle aandelen in de vennootschap en de financiering in het kader waarvan de borgstelling had plaatsgevonden was verstrekt ten behoeve van de normale bedrijfsvoering. De bestuurders moeten daarom het bedrag waarvoor zij zich hebben borg gesteld aan de geldverstrekker betalen.
De gevorderde schadevergoeding op grond van bestuurdersaansprakelijkheid wordt afgewezen. De vennootschap is tekortgeschoten in de nakoming van de cessie-overeenkomst, maar de bestuurders in persoon worden daarvoor niet aansprakelijk gehouden. Niet is komen vast te staan dat eind 2020 duidelijk was dat de vennootschap failliet zou gaan en de vordering onverhaalbaar zou zijn, noch dat sprake is van andere omstandigheden op grond waarvan de bestuurders een persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 6 maart 2024;
- het bericht van 15 september 2025 met producties 4-10 van [gedaagden] ;
- de mondelinge behandeling van 22 september 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. Namens beide partijen zijn spreekaantekeningen overgelegd en voorgelezen.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Agriport exploiteert een onderneming in het beleggen van vermogen in effecten en onroerende zaken. Agriport heette eerder [de B.V.] De correspondentie en overeenkomsten die in deze zaak van belang zijn dateren van vóór de naamswijziging. Daarom zal Agriport hierna worden aangeduid als [de B.V.] .
2.2.
[gedaagden] waren in de periode die voor deze zaak relevant is (middellijk) bestuurders van Wind Energy Solutions B.V. (hierna: WES) en zij hielden gezamenlijk alle aandelen van WES. WES, opgericht op 3 juli 2015, hield zich bezig met de ontwikkeling en verkoop van windmolens aan met name de agrarische sector. Het betrof een doorstart van een gefailleerde onderneming.
2.3.
[de B.V.] heeft vanaf 2016 verschillende geldleningen aan WES verstrekt om in de financieringsbehoefte te voorzien. Er zijn verschillende zekerheden verstrekt, waaronder borgstelling door [gedaagden] voor ieder een bedrag van (uiteindelijk) € 250.000,00. Op 31 december 2020, het totaal openstaande bedrag is dan € 2.020.901,64, wordt de helft van dit bedrag omgezet in een achtergestelde lening. Afgesproken wordt dat WES het totale bedrag uiterlijk op 31 maart 2022 aflost.
2.4.
Omstreeks 2020 heeft WES in Calais in Frankrijk een windturbine gebouwd in opdracht van een aldaar gevestigde onderneming. De vordering die WES op grond daarvan had op de opdrachtgever, is op 8 juni 2020 aan [de B.V.] gecedeerd, tegen betaling van een bedrag van € 225.000,00 (hierna: de cessie). In de cessieakte waarin de afspraken zijn neergelegd (hierna: de cessieakte) is onder meer het volgende bepaald (waarbij met Verkoper is bedoeld WES en met Koper [de B.V.] ):
“3. Verkoper staat garant voor de vordering die wordt overgedragen naar Koper. Indien Debiteur niet heeft betaald voor 30 november 2020, zal het bedrag van € 231.000 opeisbaar zijn bij Verkoper.
(…)
5. Mededeling van de overdracht zoals bedoeld in artikel 3:94 lid 1 BW Pro zal plaats vinden door Verkoper. Er zal een aangetekende brief worden gestuurd naar Debiteur, waarin wordt vermeld dat Debiteur aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan als het bedrag € 231.000 op rekeningnummer van Koper, (…), is ontvangen.”
2.5.
Op 10 juli 2020 heeft WES per e-mail met bijlage aan [naam] van Bouygues TP bericht over de financieringsconstructie met [de B.V.] en het rekeningnummer van [de B.V.] .
2.6.
De debiteur heeft op 30 november 2020 € 231.000,00 aan WES betaald. WES heeft dit bedrag niet doorbetaald aan [de B.V.] , maar aan de eigen bedrijfsvoering besteed. WES heeft dat bij e-mail van 20 april 2021 aan [de B.V.] laten weten, nadat [de B.V.] naar de stand van zaken op dit punt had gevraagd.
2.7.
Op 4 oktober 2022 wordt op eigen aangifte het faillissement van WES uitgesproken. De vordering van [de B.V.] is bij de curator ingediend. Het faillissement is inmiddels afgewikkeld. [de B.V.] heeft een bedrag van ca. € 9.000,00 uitgekeerd gekregen.
2.8.
Per afzonderlijke brieven van 31 oktober 2022 en op 30 maart 2023 aan zowel [gedaagde sub 1] als [gedaagde sub 2] heeft [de B.V.] bij ieder van hen aanspraak gemaakt op de borg van € 250.000,00.
2.9.
Op 7 november 2023 heeft [de B.V.] beslag doen leggen op de onroerende zaken in eigendom van [gedaagden] .
2.10.
Op 21 februari 2024 is namens de echtgenotes van [gedaagde sub 1] respectievelijk [gedaagde sub 2] de vernietiging van de borgstellingen ingeroepen, omdat de echtgenotes geen toestemming voor de borgstelling hadden gegeven.

3.Het geschil

3.1.
[de B.V.] vordert - samengevat - veroordeling bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad
I [gedaagde sub 1] te veroordelen om aan [de B.V.] te voldoen een bedrag van € 250.000,00 in het kader van borgstelling, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf de datum van de dagvaarding tot aan de dag van algehele voldoening;
II [gedaagde sub 2] te veroordelen om aan [de B.V.] te voldoen een bedrag van € 250.000,00 in het kader van borgstelling, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf de datum van de dagvaarding tot aan de dag van algehele voldoening;
III [gedaagden] hoofdelijk te veroordelen tot betaling aan [de B.V.] van een bedrag van € 231.000,00, althans een door de rechtbank te bepalen bedrag, aan schadevergoeding;
IV [gedaagden] hoofdelijk te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 6.775,00 aan buitengerechtelijke incassokosten;
V [gedaagden] hoofdelijk te veroordelen in de kosten van deze procedure, daaronder begrepen de beslagkosten, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover.
3.2.
[de B.V.] legt daaraan het volgende ten grondslag.
3.2.1.
[de B.V.] heeft aan WES geldleningen verstrekt. Tot zekerheid van terugbetaling daarvan hebben [gedaagden] zich borg gesteld. Omdat WES de geleende bedragen niet (volledig) heeft terugbetaald, vordert [de B.V.] van zowel [gedaagde sub 1] als [gedaagde sub 2] het bedrag van € 250.000,00 waarvoor ieder van hen zich heeft borg gesteld.
3.2.2.
Verder vordert [de B.V.] op basis van bestuurdersaansprakelijkheid vergoeding van de schade die zij heeft geleden door het niet nakomen door WES van de afspraken in de cessieakte. De debiteur heeft ondanks de overdracht van de vordering aan [de B.V.] toch aan WES betaald. [gedaagden] hebben er vervolgens voor gezorgd dat WES dat bedrag niet aan [de B.V.] heeft doorbetaald, terwijl zij wisten, althans behoorden te begrijpen dat de vordering van [de B.V.] hierdoor onverhaalbaar zou blijken. Hen valt hiervan een persoonlijk ernstig verwijt te maken, aldus [de B.V.] , ook op grond van bijkomende omstandigheden.
3.3.
[gedaagden] voeren verweer. Zij concluderen tot niet-ontvankelijkheid van [de B.V.] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [de B.V.] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [de B.V.] in de kosten van deze procedure.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
[de B.V.] vordert van zowel [gedaagde sub 1] als [gedaagde sub 2] een bedrag van € 250.000,00 op grond van de borgstelling. Verder vordert zij hoofdelijke veroordeling van [gedaagden] tot betaling van € 231.000,00 aan schadevergoeding vanwege het niet nakomen van de cessieakte. Beide vorderingen komen hierna achtereenvolgens aan de orde.
borgstelling
4.2.
In geschil is of de vernietiging van de borgstelling door de echtgenotes van [gedaagden] effect heeft gesorteerd. Dit spitst zich toe op de vraag of de borg is verstrekt in de normale uitoefening van het bedrijf van WES. De rechtbank beantwoordt die vraag bevestigend en licht dat als volgt toe.
4.3.
Artikel 1:88 lid Pro 1, aanhef en onder c van het Burgerlijk Wetboek (BW) bepaalt dat een echtgenoot toestemming nodig heeft van de andere echtgenoot voor (onder meer) overeenkomsten die ertoe strekken dat hij, anders dan in de normale uitoefening van zijn beroep of bedrijf, zich als borg of medeschuldenaar verbindt. Op grond van artikel 1:88 lid 5 BW Pro is toestemming voor een dergelijke rechtshandeling niet vereist, indien zij wordt verricht door een bestuurder van (onder meer) een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, die daarvan alleen of met zijn medebestuurders de meerderheid van de aandelen houdt en mits zij geschiedt ten behoeve van de normale uitoefening van het bedrijf van die vennootschap.
Heeft een echtgenoot een rechtshandeling in strijd met het voorgaande verricht, dan kan de andere echtgenoot de rechtshandeling vernietigen op grond van artikel 1:89 BW Pro.
4.4.
Omdat de echtgenotes op grond van artikel 1:89 BW Pro de vernietiging van de borgstelling hebben ingeroepen omdat zij geen toestemming daarvoor hebben gegeven, moet worden beoordeeld of van [gedaagden] toestemming van hun echtgenotes nodig hadden op grond van artikel 1:88 lid Pro 1, aanhef en onder c en lid 5 BW.
4.5.
Vast staat dat [gedaagden] beiden bestuurder waren van WES en samen alle aandelen bezaten. Er moet dan ook conform artikel 1:88 lid 5 BW Pro worden beoordeeld of de rechtshandeling ten behoeve van de normale uitoefening van het bedrijf werd verricht. Het is vaste jurisprudentie dat het daarbij in geval van borgstelling gaat om de rechtshandeling ten behoeve waarvan de borg is verstrekt en niet om de borgstelling zelf [1] .
4.6.
[gedaagden] stellen zich op het standpunt dat de borgstelling niet ten behoeve van de normale uitoefening van het bedrijf van WES plaatsvond. Daartoe voeren zij aan dat zij de dagelijkse leiding van WES bij een managementteam (MT) hebben neergelegd. Het MT heeft een groeiplan opgesteld, vastgelegd in een Informatiememorandum. Dit zag niet alleen op de verkoop van windmolens, maar ook op ‘research and development’. Om dit te kunnen uitvoeren was financiering nodig. WES is bij [de B.V.] terecht gekomen, omdat de reguliere banken de financieringsaanvragen hadden afgewezen. Dit laatste blijkt achteraf terecht; het groeiplan bleek veel te ambitieus en was dus zeer risicovol. Het ging om een zeer omvangrijke lening. Uiteindelijk bedroeg de hoofdsom uit geldlening namelijk ruim 2 miljoen euro, terwijl WES een verlieslatende onderneming was met een omzet van circa 1.3 miljoen euro per jaar.
4.7.
[de B.V.] betwist het standpunt van [gedaagden] en stelt dat het wel gaat om leningen ten behoeve van de normale uitoefening van het bedrijf van WES.
4.8.
De rechtbank is van oordeel dat de leningen waarvoor [gedaagden] zich hebben borg gesteld zijn aangegaan ten behoeve van de normale uitoefening van het bedrijf van WES. [de B.V.] heeft immers onbetwist gesteld dat voor de normale bedrijfsactiviteiten van WES (de ontwikkeling, verkoop en plaatsing van windmolens) veel kapitaal nodig is, dat de leningen de liquiditeit van WES verhoogden en dat deze zijn aangewend voor haar bedrijfsvoering. Verder hebben [gedaagden] onvoldoende betwist dat de geldleningen naar aard niet afwijken van wat voor een onderneming met de omvang van WES gangbaar is. De enkele stelling dat uiteindelijk een bedrag van 2,2 miljoen euro is geleend bij een omzet van circa 1,2 miljoen euro is daarvoor onvoldoende.
4.9.
De omstandigheid dat [gedaagden] de dagelijkse leiding bij het MT hebben neergelegd, leidt niet tot een ander oordeel. [gedaagden] blijven als bestuurders immers verantwoordelijk voor het uitgevoerde beleid, ondanks die delegatie. Vast staat overigens dat zij op de hoogte waren van het groeiplan en beiden zelf actief betrokken waren bij het in verband met dat groeiplan aangaan door WES van de leningen bij [de B.V.] .
4.10.
Omdat de borgstelling wordt geacht te zijn gedaan ten behoeve van de normale bedrijfsvoering van WES, was op grond van artikel 1:88 lid 5 geen Pro toestemming van de echtgenotes van [gedaagden] nodig. De vernietiging van de borgstelling wegens het ontbreken van die toestemming heeft dan ook geen effect gesorteerd. De vordering tot betaling door [gedaagden] van ieder € 250.000,00 zal daarom worden toegewezen.
4.11.
Verder zal een rente van 7% per jaar over deze bedragen worden toegewezen met ingang van de datum van dagvaarding en zal de gevorderde handelsrente worden afgewezen. [de B.V.] heeft ter zitting namelijk erkend dat slechts een rente van 7%, zoals gehanteerd in de leningsovereenkomsten ten behoeve waarvan de borgstelling was aangegaan, voor toewijzing vatbaar is, zoals [gedaagden] hadden aangevoerd.
schadevergoeding/bestuurdersaansprakelijkheid
4.12.
[de B.V.] acht [gedaagden] aansprakelijk voor het tekortschieten in de nakoming door WES van de verplichtingen uit de cessie en vordert hoofdelijke veroordeling van [gedaagden] tot betaling van een bedrag van € 231.000,00 op grond van bestuurdersaansprakelijkheid. Zij onderbouwt dat als volgt.
WES heeft het bedrag dat de debiteur op de rekening van WES heeft voldaan niet doorbetaald aan [de B.V.] . [gedaagden] zijn zowel bij het aangaan van de cessieakte als bij het niet doorbetalen van het bedrag direct betrokken geweest. Zij hebben ervoor gezorgd dat het bedrag niet werd doorbetaald aan [de B.V.] , terwijl zij wisten dat, gezien de financiële problemen van WES op dat moment, de vordering niet verhaalbaar zou zijn. Hen valt daar een persoonlijk ernstig verwijt van te maken, aldus steeds [de B.V.] , ook op basis van bijkomende omstandigheden.
tekortkoming van WES
4.13.
[gedaagden] voeren allereerst als verweer dat van een tekortkoming van WES in de nakoming van de verplichtingen uit de cessieakte geen sprake is, omdat in de cessieakte niet uitdrukkelijk is bepaald dat WES het bedrag aan [de B.V.] moet doorbetalen als de debiteur toch aan WES betaalt.
Volgens [de B.V.] is de strekking van de cessieakte dat het bedrag aan haar werd doorbetaald indien de debiteur toch aan WES betaalde.
4.14.
De rechtbank verwerpt dit verweer van [gedaagden] . De kern van de cessie is dat het door de debiteur verschuldigde bedrag uitsluitend nog toekomt aan de cessionaris, in dit geval [de B.V.] . Op basis daarvan had WES het ontvangen bedrag moeten doorbetalen aan [de B.V.] ; een afzonderlijke bepaling in de cessieakte dat de cedent een eventueel van de debiteur ontvangen bedrag moet doorstorten aan de cessionaris is daarvoor niet nodig. Door het ontvangen bedrag niet door te betalen aan [de B.V.] is WES dan ook toerekenbaar tekortgeschoten in de nakoming van de verplichtingen uit de cessie.
4.15.
[gedaagden] hebben nog aangevoerd dat [de B.V.] zou hebben ingestemd met de besteding van het bedrag aan de bedrijfsvoering. Zij hebben die stelling echter, tegenover de betwisting van [de B.V.] , onvoldoende onderbouwd, zodat de rechtbank daaraan voorbij gaat.
Persoonlijk ernstig verwijt?
4.16.
Vervolgens moet beoordeeld worden of [gedaagden] als bestuurders van WES in persoon aansprakelijk zijn voor de schade die uit de tekortkoming van WES voortvloeit. Partijen zijn het eens over het toetsingskader dat daarvoor geldt en verwijzen naar het arrest Ontvanger/ [R.] [2] . Het gaat daarbij om benadeling van een schuldeiser van een vennootschap door het onbetaald en onverhaalbaar blijven van diens vordering. Naast de aansprakelijkheid van de vennootschap voor deze benadeling, zal mogelijk ook, afhankelijk van de omstandigheden van het concrete geval, grond zijn voor aansprakelijkheid van degene die als bestuurder (i) namens de vennootschap heeft gehandeld dan wel (ii) heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de vennootschap haar wettelijke of contractuele verplichtingen niet nakomt. In beide gevallen mag in het algemeen alleen dan worden aangenomen dat de bestuurder jegens de schuldeiser van de vennootschap onrechtmatig heeft gehandeld waar hem, mede gelet op zijn verplichting tot een behoorlijke taakuitoefening als bedoeld in artikel 2:9 BW Pro, een voldoende ernstig verwijt kan worden gemaakt.
4.17.
Uit voornoemd arrest volgt verder dat in de onder (ii) bedoelde gevallen de betrokken bestuurder voor schade van de schuldeiser aansprakelijk kan worden gehouden indien zijn handelen of nalaten als bestuurder ten opzichte van de schuldeiser in de gegeven omstandigheden zodanig onzorgvuldig is dat hem daarvan persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Van een dergelijk ernstig verwijt zal in ieder geval sprake kunnen zijn als komt vast te staan dat de bestuurder wist of redelijkerwijze had behoren te begrijpen dat de door hem bewerkstelligde of toegelaten handelwijze van de vennootschap tot gevolg zou hebben dat deze haar verplichtingen niet zou nakomen en ook geen verhaal zou bieden voor de als gevolg daarvan optredende schade. Er kunnen zich echter ook andere omstandigheden voordoen op grond waarvan een ernstig persoonlijk verwijt kan worden aangenomen.
4.18.
De rechtbank is van oordeel dat de hoge drempel voor bestuurdersaansprakelijkheid niet wordt gehaald en licht dat als volgt toe.
4.18.1.
Vast staat dat [gedaagden] de beslissing hebben genomen om WES het van de debiteur ontvangen bedrag niet te laten doorbetalen, welke beslissing tot de tekortkoming van WES en de schade als gevolg daarvan heeft geleid. Dit is een situatie als bedoeld onder (ii) van het hiervoor genoemde Ontvanger/ [R.] -arrest.
[de B.V.] baseert haar vordering op dit punt op de stelling dat [gedaagden] wisten, althans hadden moeten begrijpen dat het niet doorbetalen van het bedrag tot gevolg zou hebben dat WES haar verplichtingen niet zou nakomen en ook geen verhaal zou bieden voor de als gevolg daarvan optredende schade. Uit de verklaringen van [gedaagden] blijkt namelijk dat WES ten tijde van de tekortkoming een zinkend schip was, aldus [de B.V.] . Zo staat in de conclusie van antwoord dat zij het bedrag hebben gebruikt om de financiële situatie (van WES) het hoofd te bieden en heeft één van de bestuurders in correspondentie verklaard dat het geld ‘ter overleving’ is aangewend.
Verdere omstandigheden die volgens [de B.V.] een rol spelen zijn dat [gedaagden] niet op de juiste wijze mededeling hebben gedaan aan de debiteur, dat zij het bedrag niet hebben doorgestort, noch apart hebben gehouden, dat zij [de B.V.] bewust onwetend hebben gelaten ten aanzien van de ontvangen betaling en zij [de B.V.] niet op de hoogte hebben gehouden van de correspondentie tussen WES en de debiteur.
4.18.2.
[gedaagden] hebben betwist te hebben geweten of te moeten hebben begrijpen dat de vordering van [de B.V.] door het niet doorbetalen van het bedrag onverhaalbaar zou blijven. Zij voeren aan dat WES in de desbetreffende periode (eind 2020, begin 2021) weliswaar in een zeer penibele financiële situatie verkeerde, mede als gevolg van de coronapandemie, maar dat zij ervan uit gingen en mochten gaan, dat WES op een later moment het bedrag alsnog zouden kunnen overmaken aan [de B.V.] . Er waren verschillende corona-gerelateerde subsidies aangevraagd, waarvan nog niet bekend was dat die uiteindelijk niet zouden worden toegekend. Bovendien heeft [de B.V.] er in deze situatie blijk van gegeven zelf nog vertrouwen te hebben in het voortbestaan van WES.
4.18.3.
De rechtbank overweegt als volgt. Vast staat dat [gedaagden] de beslissing hebben genomen om het van de debiteur ontvangen bedrag niet door te betalen aan [de B.V.] , hetgeen de toerekenbare tekortkoming van WES heeft opgeleverd. Tussen partijen is in geschil of [gedaagden] ten tijde van de tekortkoming van WES wisten of hadden moeten begrijpen dat de vordering van [de B.V.] onverhaalbaar zou blijken.
De rechtbank beantwoordt die vraag ontkennend. [de B.V.] heeft in dit kader op de moeilijke financiële situatie van WES gewezen, maar dat is daarvoor onvoldoende. [gedaagden] hebben immers onbetwist aangevoerd dat er nog subsidieaanvragen liepen en daarnaast blijkt uit de afspraken tussen [de B.V.] en WES over achterstelling van een deel van het openstaande bedrag in december 2020 dat ook [de B.V.] nog mogelijkheden zag om WES de situatie te boven te doen komen. Uiteindelijk is WES ook pas circa twee jaar later failliet gegaan, zoals [gedaagden] hebben aangevoerd.
4.18.4.
Zoals overwogen onder 4.17 volgt uit het arrest Ontvanger/ [R.] dat ook andere omstandigheden tot een persoonlijk ernstig verwijt aan de bestuurders kunnen leiden. De rechtbank acht hetgeen [de B.V.] in dat kader heeft aangevoerd echter niet van zodanig gewicht dat daarvan in dit geval sprake is. Dat wordt als volgt toegelicht
4.18.5.
Dat [gedaagden] het bedrag niet hebben doorbetaald of apart gehouden is de kern van de tekortkoming van WES en levert geen bijkomend verwijt op. Verder is gesteld noch gebleken dat WES en/of [gedaagden] de verplichting hadden om [de B.V.] te informeren over de correspondentie met de debiteur over de betaling. Waarom het niet op de hoogte houden desondanks tot een persoonlijk ernstig verwijt aan de kant van [gedaagden] leidt, heeft [de B.V.] niet onderbouwd.
4.18.6.
Verder heeft [de B.V.] nog aangevoerd dat [gedaagden] maandenlang hebben gezwegen over de ontvangst en het achterhouden van het bedrag en zelfs de indruk hebben gewekt dat nog niet was betaald (dit laatst betwisten [gedaagden] ). Hoewel voorstelbaar is dat deze gang van zaken het vertrouwen van [de B.V.] heeft geschaad, maakt dit niet dat dit, als dit al zou komen vast te staan, tot een persoonlijk ernstig verwijt van het niet doorbetalen van het bedrag leidt. Gesteld noch gebleken is immers dat de schade voorkomen of beperkt had kunnen worden als [de B.V.] eerder op de hoogte was gesteld.
4.18.7.
Of [gedaagden] namens WES de cessie op de juiste wijze aan de debiteur hebben meegedeeld, kan in het midden blijven. Immers, als dit niet het geval is, levert dat weliswaar mogelijk (nog) een tekortkoming van WES op, maar daaruit volgt nog niet waarom dit handelen of nalaten een persoonlijk ernstig verwijt oplevert aan [gedaagden] als bestuurders in het kader van het niet doorbetalen van het ontvangen bedrag. Een toelichting daarop ontbreekt.
4.19.
De conclusie is dat niet is komen vast te staan dat [gedaagden] wisten of hadden moeten weten dat de vordering onverhaalbaar zou blijken of dat andere omstandigheden een persoonlijk ernstig verwijt jegens hen opleveren ten aanzien van het niet doorbetalen van het gecedeerde bedrag. Er is dan ook geen grondslag voor toewijzing van de gevorderde schadevergoeding op grond van bestuurdersaansprakelijkheid, zodat deze zal worden afgewezen.
buitengerechtelijke incassokosten
4.20.
[de B.V.] vordert hoofdelijke veroordeling tot betaling van een bedrag van € 6.775,00 aan buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW Pro en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). Betaling van het toegewezen borgbedrag vloeit immers voort uit een overeenkomst (de borgstellingsovereenkomst). [de B.V.] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht, onder meer door het sturen van sommatiebrieven op 31 oktober 2022 en 30 maart 2023. De rechtbank zal [gedaagden] hoofdelijk veroordelen om een bedrag van € 3.025,00 te betalen, conform de staffel op basis van de jegens ieder van hen toegewezen hoofdsom van € 250.000,00.
beslagkosten
4.21.
De rechtbank acht de gevorderde beslagkosten in beginsel toewijsbaar op grond van de wet [3] . Hoewel [de B.V.] (onbetwist) stelt dat conservatoir beslag is gelegd op de onroerende zaken van zowel [gedaagde sub 1] als [gedaagde sub 2] , zijn alleen de beslagstukken ten aanzien van [gedaagde sub 2] overgelegd. Daarom worden alleen de beslagkosten ten aanzien van [gedaagde sub 2] toegewezen. De salariskosten worden berekend op € 2.885,00 (1 punt x € 2.885,00). De verschotten ten aanzien van [gedaagde sub 2] bedragen € 345,67 (255,33 + 90,34). Totaal is dat € 3.230,67.
proceskosten
4.22.
[gedaagden] zijn ieder voor een bedrag van € 250.000,00 in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [de B.V.] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
215,82
- griffierecht
5.941,00
- salaris advocaat
5.770,00
(2 punten × € 2.885,00)
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
12.115,82
4.23.
De veroordeling in de proceskosten wordt hoofdelijk uitgesproken [4] . Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.

5.De beslissing

De rechtbank
5.1.
veroordeelt [gedaagde sub 1] om aan [de B.V.] te betalen een bedrag van € 250.000,00, te vermeerderen met een rente van 7% per jaar over dat bedrag, met ingang van 14 november 2023, tot de dag van volledige betaling,
5.2.
veroordeelt [gedaagde sub 2] om aan [de B.V.] te betalen een bedrag van € 250.000,00, te vermeerderen met een rente van 7% per jaar over dat bedrag, met ingang van 14 november 2023, tot de dag van volledige betaling,
5.3.
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk om aan [de B.V.] te betalen een bedrag van € 3.025,00 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over dit bedrag vanaf de dag van dit vonnis tot aan de dag van volledige betaling.
5.4.
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk in de proceskosten van € 12.115,82 en [gedaagde sub 2] in de beslagkosten van € 3.230,67, beide bedragen te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagden] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
5.5.
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten en [gedaagde sub 2] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de beslagkosten als deze bedragen niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.6.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.7.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.M. Auwerda en in het openbaar uitgesproken op 18 februari 2026.

Voetnoten

1.Zie HR 8 juli 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT2632
2.HR 8 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ0758
3.Artikel 706 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
4.HR 23 december 2023, ECLI:NL:HR:2022:1942