ECLI:NL:RBNHO:2026:1694

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
20 februari 2026
Publicatiedatum
20 februari 2026
Zaaknummer
AWB - 25 _ 2311
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:3 AwbArt. 6:19 AwbArt. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling niet-ontvankelijkheid bezwaar na intrekking besluit openbaarmaking documenten

Eiseres had bezwaar gemaakt tegen een besluit van het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad om documenten openbaar te maken op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob). Het college trok dit besluit in nadat het verzoek om openbaarmaking was ingetrokken door een derde partij. Vervolgens verklaarde het college het bezwaar van eiseres niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van procesbelang.

Eiseres stelde dat zij wel degelijk belang had bij een inhoudelijke beoordeling van het bezwaar, onder meer vanwege principiële vragen over de rol van volksvertegenwoordigers en mogelijke schade door openbaarmaking. De rechtbank oordeelde echter dat door de intrekking van het besluit geen feitelijke openbaarmaking had plaatsgevonden en dat er geen sprake was van schade. Ook was niet aannemelijk dat een vergelijkbare situatie zich in de toekomst zou voordoen.

De rechtbank benadrukte dat het niet aan de bestuursrechter is om principiële vragen te beantwoorden en dat de gestelde schade niet in deze procedure kan worden beoordeeld. Daarom ontbrak het aan procesbelang voor een inhoudelijke beoordeling van het bezwaar. Het beroep van eiseres werd ongegrond verklaard en het besluit tot niet-ontvankelijkheid bleef in stand.

Uitkomst: Het beroep van eiseres wordt ongegrond verklaard wegens het ontbreken van procesbelang bij het ingetrokken besluit tot openbaarmaking.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 25/2311

uitspraak van de meervoudige kamer van 20 februari 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [plaats] , eiseres

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zaanstad

(gemachtigde: mr. S.E.H. van Thoor).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar van eiseres. Eiseres is het hiermee niet eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard is wegens het ontbreken van procesbelang. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Op 29 maart 2021 heeft [bedrijf] ( [bedrijf] ) een verzoek om openbaarmaking op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) ingediend bij het college / de burgemeester. Het verzoek zag op communicatie tussen een raadslid (eiseres) en de burgemeester / het college.
3. In het besluit van 9 juni 2021 heeft het college besloten de 10 aangetroffen documenten (e-mails) geheel openbaar te maken.
4. Eiseres heeft daartegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter heeft op 21 juni 2021 uitspraak gedaan en beslist dat het besluit wordt geschorst tot twee weken na de beslissing op bezwaar.
5. Vervolgens heeft de bezwaaradviescommissie geadviseerd het bezwaar ongegrond te verklaren. Daarna, in oktober 2021, heeft het college eiseres de gelegenheid gegeven haar bezwaren nader te concretiseren. Daarnaast heeft het college nog meer derde belanghebbenden toegelaten tot de procedure en ook [bedrijf] de gelegenheid gegeven een zienswijze in te dienen. Hierbij heeft het college de te openbaren documenten aan onder andere [bedrijf] verstrekt. [bedrijf] heeft daarop meegedeeld dat er geen belang meer gehecht wordt aan openbaarmaking en dat het Wob-verzoek daarom wordt ingetrokken.
6. Het college heeft vervolgens op 18 januari 2022 het besluit van 9 juni 2021 ingetrokken.
7. Het daartegen gerichte bezwaar van eiseres heeft het college bij besluit van 23 juni 2022 kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. Volgens het college was het besluit van 18 januari 2022 geen besluit in de zin van artikel 1:3 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
8. De rechtbank heeft het besluit van 23 juni 2022 in haar uitspraak van 21 februari 2025 vernietigd, omdat het bezwaar op onjuiste gronden niet-ontvankelijk is verklaard.
9. Met het bestreden besluit van 28 maart 2025 heeft het college het bezwaar van eiseres opnieuw niet-ontvankelijk verklaard, nu wegens het ontbreken van belang. Met het intrekken van het besluit van 9 juni 2021 is volgens het college geheel aan eiseres tegemoetgekomen.
10. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
11. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
12. De rechtbank heeft het beroep op 8 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, vergezeld door [naam 1] , en de gemachtigde van het college, vergezeld door [naam 2] (medewerker juridische zaken van de gemeente Zaanstad).
13. De rechtbank heeft in het verzoek van 16 januari 2026 van eiseres, om nadere informatie bij het college op te vragen, geen aanleiding gezien voor heropening van het onderzoek.

Beroepsgronden

14. Eiseres voert aan dat zij belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van haar bezwaar tegen het oorspronkelijke besluit, omdat zij een duidelijk vastgelegde stellingname van het college wenst ten aanzien van Wob-verzoeken gericht tegen het handelen van volksvertegenwoordigers. Zij stelt zich daarbij op het standpunt dat het Wob-verzoek op oneigenlijke gronden is gedaan. Eiseres stelt dat het college het oneigenlijk gebruik van een rechtsmiddel met de verstrekking van de gevraagde informatie in het kader van een zienswijzeprocedure schade toebrengt aan de betrouwbaarheid van het bestuur, de rechtsbescherming van gemeenteraadsleden, de algemene belangenafweging en het voorkomen van misbruik van recht. Daar waar ambtenaren door de wet verschillende terechte beschermingen genieten middels afwijzingsgronden, gaat het college ten onrechte en zonder oog voor de kwetsbare positie als volksvertegenwoordigers voorbij aan dit principiële vraagstuk.
Eiseres voert verder aan dat de beoordeling van haar bezwaar van belang is, omdat eenzelfde situatie zich in de toekomst weer zal kunnen voordoen.
Verder stelt eiseres dat zij schade heeft opgelopen door de openbaarmaking. Eiseres heeft daarbij gewezen op de jurisprudentie aangaande schadevergoeding in verband met de overschrijding van de redelijke termijn
.

Verweerschrift

15. Het college stelt zich op het standpunt dat volledig is tegemoetgekomen aan de bezwaren van eiseres, doordat de voorgenomen openbaarmaking van de documenten niet heeft plaatsgevonden. De documenten zijn dus niet openbaar gemaakt in de zin van de Wob of Woo. Het college licht verder toe dat het vragen van een zienswijze aan [bedrijf] het gevolg is van het feit dat de bewoners van [adres 1] om het geven van een zienswijze hadden gevraagd. Het college meende dan ook de bewoners (gebruikers) van [adres 2] in de gelegenheid te moeten stellen een zienswijze te geven. Het college stelt dat het niet de ene bewoner wel en de andere bewoner geen zienswijze kan vragen, als deze bewoners beiden betrokken zijn bij het conflict waarop het Wob-verzoek zag.
Volgens het college kan de uitkomst van het beroep geen feitelijke betekenis voor eiseres hebben. De uitspraken waarnaar eiseres heeft verwezen betreffen volgens het college geheel andere situaties en er is in dit geval geen sprake van een beperking van een grondrecht of iets dergelijks.

Beoordeling door de rechtbank

16. De rechtsvraag die in deze zaak voorligt is of het college het bezwaar tegen het bestreden besluit terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard wegens het ontbreken van een procesbelang in het bezwaar tegen het primaire besluit van 9 juni 2021 nu dat besluit door het college is ingetrokken.
17. Uit artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) volgt dat een bezwaar of beroep dat is ingesteld tegen een besluit van rechtswege mede betrekking heeft op een besluit tot intrekking daarvan, tenzij partijen daarbij onvoldoende belang hebben.
18. Uit het zesde lid van dat artikel volgt dat intrekking van een besluit niet in de weg staat aan vernietiging van dat besluit indien de indiener van het bezwaar- of beroepschrift daarbij belang heeft. Met het begrip ‘belang’ wordt hier bedoeld: procesbelang.
19. Door de intrekking van het primaire besluit van 9 juni 2021 is geen sprake van het openbaar maken van de betreffende documenten op grond van de Wob en heeft ook in die zin feitelijk geen openbaarmaking plaatsgehad. In zijn algemeenheid kan met het maken van bezwaar tegen een besluit tot openbaarmaking niet meer worden bereikt dan dat. De rechtbank merkt hierbij voor alle duidelijkheid nog op dat met het – in het kader van de bezwaarprocedure – voorleggen van de (geanonimiseerde) documenten aan [bedrijf] geen sprake is van openbaarmaking als bedoeld in de Wob. Ook de stelling van eiseres dat ten onrechte het verzoek als een verzoek in de zin van de Wob is aangemerkt, maakt dat niet anders. Dat geldt temeer nu het verzoek eveneens is ingetrokken.
20. In de kern wenst eiseres antwoord op een aantal door haar opgeworpen principiële vragen die betrekking hebben op de rol van gemeenteraadslid, de burgemeester en de vertrouwelijkheid van – zoals eiseres dat ter zitting noemde – informele berichten. Het is niet aan de bestuursrechter om principiële vragen te beantwoorden. [1] In het beantwoord krijgen van die vragen is dus onvoldoende procesbelang gelegen voor de inhoudelijke beoordeling van het bezwaar.
21. Indien iemand stelt dat hij schade heeft geleden en tot op zekere hoogte aannemelijk maakt dat hij die schade daadwerkelijk en als gevolg van het in geding zijnde besluit heeft geleden, heeft diegene in beginsel ook belang bij inhoudelijke beoordeling van zijn bezwaar. [2] Nu geen sprake is geweest van openbaarmaking van de betreffende documenten, kan daaruit geen schade zijn voortgevloeid.
22. De rechtbank merkt daarbij nog het volgende op. Of het college door de (geanonimiseerde) documenten ter beschikking te stellen aan [bedrijf] onrechtmatig heeft gehandeld, zoals eiseres lijkt te veronderstellen, is een vraag die in deze procedure niet kan worden beantwoord. Dat betreft immers een feitelijke handeling, en is geen bestuursrechtelijk besluit. Daaruit volgt dat de door eiseres gestelde schade die daaruit zou zijn voortgevloeid in deze procedure geen procesbelang kan vormen.
23. Gestelde schade als gevolg van overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van Pro het EVRM (of op basis van het rechtszekerheidsbeginsel) levert evenmin procesbelang op. Een inhoudelijke beoordeling is namelijk niet nodig voor de rechter om een verzoek om schadevergoeding als gevolg van overschrijding van de redelijke termijn te kunnen beoordelen. [3]
24. De vraag die resteert, is of eiseres procesbelang kan ontlenen aan zogenoemde herhaalde besluitvorming. Het belang bij een inhoudelijk oordeel over de rechtmatigheid van een besluit kan nog zijn gelegen in de omstandigheid dat het inhoudelijke oordeel betrokken kan worden bij toekomstige besluitvorming. Het moet dan wel aannemelijk zijn dat die besluitvorming zich in de toekomst voordoet. Nu niet is gebleken dat er een nieuw vergelijkbaar Wob- of Woo-verzoek is geweest, is dat niet aannemelijk geworden. Een procesbelang kan eiseres dus ook niet ontlenen aan herhaalde besluitvorming.
25. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het college het bezwaar van eiseres terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.

Conclusie en gevolgen

26. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het besluit van het college het bezwaar van eiseres niet-ontvankelijk te verklaren in stand blijft. Eiseres krijgt haar griffierecht daarom niet terug.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.R. ten Berge, voorzitter, en mr. L.M. Kos, en mr. L.M. de Vries, leden, in aanwezigheid van mr. J.H. Bosveld, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 20 februari 2026.
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

3.ECLI:NL:RVS:2021:369 (r.o. 10 gelezen in verbinding met r.o. 74.3)