ECLI:NL:RBNHO:2026:1978

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
27 februari 2026
Publicatiedatum
27 februari 2026
Zaaknummer
12048754 VV EXPL 26-4
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:233 BWArt. 6:265 BWArt. 6:96 BWArtikel 3 Richtlijn 93/13/EEG
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing ontruiming en huurachterstand wegens niet-nakoming huurovereenkomst

MRS Hospitality verhuurt sinds september 2021 een woning aan gedaagden, die sinds mei 2025 geen huur meer betaalden. Na een mislukte betalingsregeling vordert MRS Hospitality ontruiming en betaling van de huurachterstand met bijkomende kosten.

De kantonrechter beoordeelt ambtshalve de algemene voorwaarden, waaronder het huurprijswijzigingsbeding en het incassokostenbeding, en oordeelt dat deze niet onredelijk bezwarend zijn. De huurprijsverhoging van 2,4% bovenop de indexatie is redelijk en conform recente jurisprudentie.

De huurachterstand wordt als gegrond vastgesteld, en gezien de langdurige niet-nakoming wordt ontruiming toegewezen met een termijn van veertien dagen na betekening. Tevens worden de gevorderde incassokosten en proceskosten toegewezen. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Gedaagden worden veroordeeld tot ontruiming en betaling van huurachterstand, incassokosten en proceskosten binnen veertien dagen.

Uitspraak

RECHTBANKNOORD-HOLLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Haarlem
Zaaknummer: 12048754 \ VV EXPL 26-4
Vonnis in kort geding van 27 februari 2026
in de zaak van
MRS HOSPITALITY B.V. t.h.o.d.n. VASTGOED & CO.,
te Amsterdam,
eisende partij,
hierna te noemen: MRS Hospitality,
gemachtigde: mr. G.M.S. Janssen,
tegen

1.[gedaagde 1],[gedaagde 2],

beiden te [plaats],
gedaagde partijen,
hierna afzonderlijk te noemen: [gedaagde 1] en [gedaagde 2] en gezamenlijk: [gedaagden]
niet verschenen.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding
- de mondelinge behandeling van 24 februari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt
- de verstekverlening tegen de niet verschenen gedaagden.
1.2.
Tenslotte is vonnis bepaald op heden.

2.De feiten

2.1.
MRS Hospitality verhuurt sinds 1 september 2021 aan [gedaagde 1] de woning aan het adres [adres] te [plaats] tegen een laatstelijk huurprijs van € 1.077,77. [gedaagde 2] is de echtgenoot van [gedaagde 1] en heeft blijkens de Basisadministratie Personen zijn hoofdverblijf in het gehuurde. Hij is daarmee wettelijke medehuurder.
2.2.
Op de huurovereenkomst zijn algemene voorwaarden van toepassing verklaard.
Daarin is bepaald dat de huurprijs jaarlijks wordt verhoogd op basis van consumentenprijsindexcijfer. In de huurovereenkomst is vervolgens opgenomen dat MRS Hospitality deze jaarlijkse aanpassing mag verhogen met maximaal 2,4%.
2.3.
[gedaagden] hebben sinds mei 2025 de huurpenningen niet meer voldaan.
2.4.
In augustus 2025 werd een betalingsregeling met [gedaagden] getroffen. [gedaagden] kwamen de betalingsregeling niet na. Ze betaalden niets.

3.Het geschil

3.1.
MRS Hospitality vordert – samengevat – ontruiming van het pand aan [adres] te [plaats] en veroordeling van [gedaagden] tot betaling van de huurachterstand tot en met januari 2026, vermeerderd met buitengerechtelijke incassokosten, een gebruiksvergoeding voor iedere maand dat het gehuurde in gebruik blijft en de proceskosten.
3.2.
MRS Hospitality legt aan de vordering ten grondslag dat [gedaagden] tekortschieten in de nakoming van de huurovereenkomst, welke tekortkoming ontruiming van het gehuurde rechtvaardigt.

4.De beoordeling

4.1.
Een bij voorlopige voorziening bevolen ontruiming is een maatregel die diep ingrijpt in het gebruiksrecht en de daarmee verbonden huurbescherming van de huurder. Bij de beoordeling van een dergelijke vordering moet – volgens vaste jurisprudentie – grote terughoudendheid worden betracht, gelet op de omstandigheid dat in een kortgedingprocedure geen plaats is voor een – diepgaand – onderzoek naar bestreden feiten en gezien de vergaande, veelal onomkeerbare gevolgen van een ontruiming in kort geding, zoals in deze zaak aan de orde is.
Spoedeisend belang
4.2.
Het spoedeisend belang vloeit voort uit de aard van de vordering, te weten een oplopende huurachterstand.
Ambtshalve toetsing van: de Huurovereenkomst en de Algemene Bepalingen Huurovereenkomst Woonruimte (ROZ) 20 maart 2017 (hierna: de algemene voorwaarden)
4.3.
Gelet op de hoogte van de huur bij aanvang van de huurovereenkomst is sprake van geliberaliseerde huur. In de huurovereenkomst zijn algemene voorwaarden van toepassing verklaard.
4.4.
Omdat het hier gaat om een professionele verhuurder en een consument-huurder, moet de kantonrechter ambtshalve beoordelen of in de algemene voorwaarden bedingen zijn opgenomen die oneerlijk zijn ten opzichte van een consument (in de zin van artikel 3 van Pro de Richtlijn 93/13/EEG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (hierna: de richtlijn)). Dit kan immers gevolgen hebben voor (de hoogte van) de vordering. Artikel 6:233 onder Pro a van het Burgerlijk Wetboek (BW) bepaalt dat een beding dat onredelijk bezwarend is, vernietigbaar is.
4.5.
Bedingen waaraan de huurder gebonden is zonder dat daarover afzonderlijk is onderhandeld, zijn oneerlijk als deze in strijd met de goede trouw het evenwicht tussen de rechten en plichten die de huurder op grond van de overeenkomst heeft, aanzienlijk verstoren in het nadeel van de huurder. [1] Het gaat om een beoordeling van de bedingen op het moment dat de overeenkomst werd gesloten. Of de verhuurder de huurder ook daadwerkelijk aan die bedingen houdt, of in de praktijk alleen naleving van wettelijke bepalingen verlangt, is niet relevant. Als een beding wegens onredelijkheid wordt vernietigd, kan de verhuurder niet terugvallen op een eventuele wettelijke regeling over hetzelfde onderwerp.
4.6.
Gelet op het voorgaande heeft de kantonrechter het huurprijswijzigingsbeding, het beding betreffende de buitengerechtelijke incassokosten en het proceskostenbeding getoetst.
Huurprijsbeding
4.7.
De Hoge Raad heeft in een uitspraak van 29 november 2024 overwogen dat bij de beoordeling of een huurprijswijzigingsbeding onredelijk bezwarend en oneerlijk is, onderscheid moet worden gemaakt tussen een indexatiebeding en een opslagbeding [2] . Daarbij is van belang geacht dat een indexatiebeding tot doel heeft om geldontwaarding te compenseren en een opslagbeding in de regel tot doel heeft om ten laste van de verhuurder komende kostenstijgingen die uitgaan boven de inflatie te compenseren en om de huurprijs in de pas te laten lopen met de waardeontwikkeling van de woning.
4.8.
Uit die uitspraak volgt dat een opslagbeding met een jaarlijkse opslag op de huurprijs van maximaal 3%, boven op de indexering volgens een indexatiebeding, als zodanig niet is aan te merken als oneerlijk. Daarbij is overwogen dat dit percentage in redelijkheid nodig kan zijn om de verhuurder in staat te stellen daarmee de doelen van het opslagbeding te bereiken. In deze zaak gaat het om een opslagbeding van 2,4%. Het opslagbeding is daarmee niet oneerlijk.
Incassobeding
4.9.
In artikel 25.2 van de algemene voorwaarden zijn de buitengerechtelijke incassokosten geregeld. Omdat deze kosten worden beperkt tot wat wettelijk is toegestaan, is het beding niet oneerlijk. Het beding wordt in stand gehouden.
Informatie- en meldplicht
4.10.
MRS Hospitality heeft voldaan aan de informatieplicht en de meldplicht als bedoeld in artikel 2 van Pro het Besluit Gemeentelijke Schuldhulpverlening.
Huurachterstand
4.11.
De huurachterstand komt niet onrechtmatig of ongegrond voor en zal worden toegewezen.
Ontruiming
4.12.
Uitgangspunt is dat iedere tekortkoming van een partij in de nakoming van een van zijn verbintenissen aan de wederpartij de bevoegdheid geeft om de overeenkomst geheel of gedeeltelijk te ontbinden. Dit is alleen anders als de tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt [3] .
4.13.
[gedaagden] komen de huurovereenkomst al lange tijd niet na. De hoogte van de huurachterstand rechtvaardigt ontruiming van het gehuurde. De vordering tot ontruiming zal worden toegewezen.
4.14.
Gelet op de ingrijpende gevolgen voor [gedaagden] wordt de ontruimingstermijn gesteld op veertien dagen na betekening van dit vonnis.
Incassokosten
4.15.
MRS Hospitality vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet nu de algemene voorwaarden ter zake verwijzen naar de wet, worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW Pro en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). MRS Hospitality heeft aan [gedaagden] een of meer aanmaningen gestuurd die voldoen aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW Pro. Het gevorderde bedrag aan incassokosten en de gevorderde rente hierover zal worden toegewezen.
Proceskosten
4.16.
[gedaagden] zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van MRS Hospitality worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
151,94
- griffierecht
1.504,00
- salaris gemachtigde
577,00
- nakosten
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
2.376,94

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis het pand aan [adres] te [plaats] te verlaten en te ontruimen, met overgifte van de sleutels en alles wat verder daartoe behoort en ter vrije en algehele beschikking van MRS Hospitality te stellen,
5.2.
veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] om te betalen aan MRS Hospitality:
a. a) € 12.444,46 aan achterstallige huur tot en met januari 2026, te vermeerderen met de wettelijke rente, vanaf 6 januari 2026 tot de dag van voldoening,
b) € 1.077,77 per maand vanaf 1 februari 2026 tot en met het eind van de maand waarin de daadwerkelijke ontruiming heeft plaatsgevonden,
5.3.
veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] om aan MRS Hospitality te betalen een bedrag van € 1.075,29 aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente, vanaf 6 januari 2026 tot de dag van volledige betaling,
5.4.
veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] in de proceskosten van € 2.376,94, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde 1] en [gedaagde 2] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
5.5.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.J. Dijk en in het openbaar uitgesproken op 27 februari 2026.

Voetnoten

1.Hoge Raad 10 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:198, r.o. 3.8.2.
3.Artikel 6:265 Burgerlijk Pro Wetboek (BW)