Uitspraak
1.De procedure
- het verzoekschrift van [verzoeker] van 24 december 2025 met 16 producties;
- het verweerschrift van werkgever, met een zelfstandig tegenverzoek, van 6 februari 2026 met 20 producties;
- aanvullende stukken van [verzoeker] van 12 februari 2026 met productie 17;
- de mondelinge behandeling van 16 februari 2026, waar door de gemachtigden van partijen pleitnotities zijn voorgedragen, waar aanvullend productie 18 van [verzoeker] aan is gehecht, en waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
- Na de mondelinge behandeling heeft [verzoeker] ontbrekende pagina’s uit productie 17 (declaraties juridische bijstand) overgelegd. Werkgever heeft daartegen bezwaar gemaakt. De ontbrekende pagina’s van productie 17 van [verzoeker] zijn na het sluiten van de behandeling ter zitting in het geding gebracht en maken daarom geen onderdeel uit van het procesdossier. De kantonrechter zal daar daarom geen acht op slaan.
2.De feiten
3.Het verzoek, het verweer en het tegenverzoek
4.De beoordeling van het verzoek
onzeker en uiteindelijk ziek maakt’. [verzoeker] schrijft letterlijk:
‘Vandaar dat ik me gister ziek heb gemeld’. Werkgever had hieruit naar het oordeel van de kantonrechter kunnen en behoren te begrijpen dat [verzoeker] zich per 19 november 2025 had ziek gemeld. [verzoeker] heeft hier in haar e-mails van 26 en 28 november 2025 op gewezen. Dat [verzoeker] ondanks haar ziekmelding nog het voorstel deed en bereid was om (op haar vrije dag) met werkgever een gesprek te voeren om tot een oplossing te komen, geeft blijk van een redelijke houding. Dat [verzoeker], nadat voor haar bleek dat er geen acceptabele oplossing kwam, op haar ziekmelding heeft gewezen, levert naar het oordeel van de kantonrechter geen misleiding door [verzoeker] op.