ECLI:NL:RBNHO:2026:2025

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
16 maart 2026
Publicatiedatum
2 maart 2026
Zaaknummer
12033539
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:677 BWArt. 7:678 lid 1 BWArt. 7:669 lid 1 BWArt. 7:669 lid 3 BWArt. 7:670 lid 1 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontslag op staande voet wegens misleiding bij ziekmelding niet rechtsgeldig verklaard

In deze zaak heeft een management-assistente zich op 19 november 2025 ziek gemeld na een gespannen werkrelatie en is zij op 29 november 2025 op staande voet ontslagen wegens vermeende misleiding bij de ziekmelding. De werkgever stelde dat de ziekmelding niet correct was en dat er sprake was van een dringende reden voor ontslag. De kantonrechter oordeelt echter dat de ziekmelding wel degelijk heeft plaatsgevonden en dat de werkgever deze niet had mogen negeren.

De kantonrechter benadrukt dat ontslag op staande voet slechts kan worden gegeven bij een dringende reden en als ultimum remedium, wat hier niet het geval is. De werkgever had de bedrijfsarts moeten inschakelen en het conflict niet onnodig laten escaleren. Het ontslag wordt daarom vernietigd en de werknemer heeft recht op loonbetaling vanaf december 2025 tot het einde van de dienstbetrekking.

Het tegenverzoek van de werkgever om ontbinding van de arbeidsovereenkomst op grond van de e-, g- of i-grond wordt afgewezen vanwege het opzegverbod tijdens ziekte. De kantonrechter veroordeelt de werkgever tevens tot betaling van proceskosten en wettelijke rente. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Het ontslag op staande voet wordt vernietigd en het verzoek tot loonbetaling toegewezen; het tegenverzoek tot ontbinding wordt afgewezen wegens opzegverbod tijdens ziekte.

Uitspraak

RECHTBANKNOORD-HOLLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Haarlem
Zaaknummer / rekestnummer: 12033539 \ AO VERZ 25-166
Beschikking van 16 maart 2026
in de zaak van
[verzoeker],
te [plaats],
verzoekende partij,
verwerende partij in het tegenverzoek,
hierna te noemen: [verzoeker],
gemachtigde: mr. A.L. Hock,
tegen
[verweerder] B.V.,
te [plaats],
verwerende partij,
verzoekende partij in het tegenverzoek,
hierna te noemen: werkgever,
gemachtigde: mr. M. Hoving.
De zaak in het kort
In deze zaak heeft werkgever een management-assistente op staande voet ontslagen wegens misleiding bij een ziekmelding. Het ontslag houdt geen stand en wordt op verzoek van de werknemer vernietigd. Werkgever had na de ziekmelding de bedrijfsarts moeten inschakelen. Het tegenverzoek van de werkgever om ontbinding van de arbeidsovereenkomst op de e-grond, g-grond of i-grond wordt afgewezen wegens het opzegverbod tijdensziekte.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • het verzoekschrift van [verzoeker] van 24 december 2025 met 16 producties;
  • het verweerschrift van werkgever, met een zelfstandig tegenverzoek, van 6 februari 2026 met 20 producties;
  • aanvullende stukken van [verzoeker] van 12 februari 2026 met productie 17;
  • de mondelinge behandeling van 16 februari 2026, waar door de gemachtigden van partijen pleitnotities zijn voorgedragen, waar aanvullend productie 18 van [verzoeker] aan is gehecht, en waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
  • Na de mondelinge behandeling heeft [verzoeker] ontbrekende pagina’s uit productie 17 (declaraties juridische bijstand) overgelegd. Werkgever heeft daartegen bezwaar gemaakt. De ontbrekende pagina’s van productie 17 van [verzoeker] zijn na het sluiten van de behandeling ter zitting in het geding gebracht en maken daarom geen onderdeel uit van het procesdossier. De kantonrechter zal daar daarom geen acht op slaan.
1.2.
De beschikking is bepaald op vandaag.

2.De feiten

2.1.
[verzoeker] (geboren [geboortedatum] 1963) is op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd sinds 1 juni 2024 in dienst bij werkgever als management-assistente met een loon van € 2.527,80 bruto per maand exclusief 8% vakantiegeld. De arbeidsovereenkomst is aangegaan tot 1 juni 2026 voor 24 uur per week.
2.2.
Werkgever is een klein tot middelgroot architectenbureau met ongeveer twintig medewerkers. De heer [betrokkene 1] is enig bestuurder en aandeelhouder. Zijn echtgenote, mevrouw [betrokkene 2], vormt samen met haar man de directie van het bureau en zij houdt zich onder meer bezig met financiën en personeelszaken.
2.3.
Vanaf oktober 2024 kwam facturering in het takenpakket van [verzoeker]. Over de werkwijze inzake (tijdige) facturering was regelmatig discussie tussen [verzoeker] en mevrouw [betrokkene 2]. Het was voor [verzoeker] onvoldoende duidelijk wiens accordering nodig was voordat een factuur mocht worden uitgestuurd; van de heer [betrokkene 2] of van mevrouw [betrokkene 2].
2.4.
Op 13 januari 2025 vond het functioneringsgesprek van [verzoeker] plaats. De heer [betrokkene 2] gaf aan goed met [verzoeker] te kunnen samenwerken. De werkwijze rondom facturering kwam ook aan bod. Zowel de heer als mevrouw [betrokkene 2] wilden betrokken zijn en op de hoogte blijven van de facturering.
2.5.
Per 1 juni 2025 werd de arbeidsovereenkomst van [verzoeker] verlengd met één jaar. Zij ontving tevens een loonsverhoging.
2.6.
Op 19 november 2025 heeft [verzoeker] zich overstuur bij de heer [betrokkene 2] gemeld en daarbij mondeling aangegeven dat zij per direct naar huis ging. Mevrouw [betrokkene 2] heeft [verzoeker] op diezelfde dag ziekgemeld bij de bedrijfsarts.
2.7.
Op 20 november 2025 heeft [verzoeker] een schriftelijke toelichting gegeven op de situatie. Daarin stond, voor zover relevant:
‘(…) Ik blijf, ondanks eerdere gesprekken hierover, kritiek krijgen op mijn manier van werken. Dat doet me verdriet en het ondermijnt mijn motivatie, het maakt me onzeker en uiteindelijk ziek. Aangezien mijn contract tijdelijk is, is het wellicht voor iedereen beter wanneer jullie op zoek gaan naar iemand die wel voldoet, dan kan ik die de komende maanden inwerken. Dát heb ik aangegeven bij [betrokkene 1]. (…) Vandaar dat ik me gister ziek heb gemeld. (…) Vanaf vandaag tot en met maandag ben ik sowieso vrij en ik heb deze dagen nodig om me te herpakken. (…) Om uit deze impasse te geraken, wil ik echter een positieve voorzet geven en stel ik voor om op mijn vrije dag(…) in gesprek te gaan ’
2.8.
Mevrouw [betrokkene 2] heeft [verzoeker] op 20 november 2025 beter gemeld bij de bedrijfsarts.
2.9.
Op 24 november 2025 voerden partijen een gesprek. Partijen hebben allebei het gesprek opgenomen en een eigen gespreksverslag gemaakt. Wat is besproken en met welke intentie komt niet overeen.
2.10.
Op 25 november 2025 heeft [verzoeker] de huisarts bezocht die haar heeft doorverwezen naar behandelaars.
2.11.
[verzoeker] herhaalde richting werkgever meermaals haar ziekmelding van 19 november 2025, onder meer door haar e-mails op 26 november 2025 en 28 november 2025.
2.12.
Op 29 november 2025 heeft werkgever [verzoeker] op staande voet ontslagen. In de ontslagbrief van dezelfde datum staan, voor zover relevant, vijf redenen:
1. Het verstrekken van onjuiste en/of misleidende informatie met betrekking tot het verzuimproces en aanname;
2. Het zonder berichtgeving en zonder geldige reden niet verschijnen op het werk;
3. Het niet reageren op een uitnodiging om op drie voorgestelde werkdagen te verschijnen;
4. Het herhaaldelijk blokkeren van oplossingsgerichte communicatie in het traject rondom afwezigheid;
5. De toonzetting en inhoud van het e-mailbericht van [verzoeker] van 28 november 2025 naar de heer [betrokkene 2] waarin [verzoeker] aangeeft dat zij zich met terugwerkende kracht ziek meldt, die door werkgever als ongepast en als niet-constructief is ervaren.
Deze gedragingen, zowel afzonderlijk als in samenhang bezien, hebben geleid tot een ernstige en onherstelbare verstoring van de arbeidsrelatie. Daarmee is naar het oordeel van werkgever sprake van een dringende reden als bedoeld in 7:678 BW.

3.Het verzoek, het verweer en het tegenverzoek

3.1.
[verzoeker] verzoekt de kantonrechter het ontslag op staande voet te vernietigen en de werkgever te veroordelen tot (na)betaling van loon vanaf december 2025 tot aan het einde van de dienstbetrekking. Volgens [verzoeker] is het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig. Zij heeft zich op 19 november 2025 in overspannen toestand mondeling ziek gemeld bij de heer [betrokkene 2]. Zij heeft haar ziekmelding ook rechtstreeks bij de bedrijfsarts gemeld. Aan de ziekmelding ging een oplopende, gespannen werkverhouding met mevrouw [betrokkene 2] vooraf. De ziekmelding is door [verzoeker] per mail van 20 november 2025 bevestigd. Werkgever heeft de ziekmelding niet geaccepteerd en mevrouw [betrokkene 2] heeft [verzoeker] per 20 november 2025 beter gemeld. De aangevoerde redenen in de ontslagbrief van 29 november 2025 zijn niet dringend, niet deugdelijk gemotiveerd en niet nader onderbouwd. Ook was geen sprake van hoor- en wederhoor en zijn de persoonlijke omstandigheden van [verzoeker] (waaronder haar leeftijd) niet meegenomen in de afwegingen van de werkgever.
3.2.
Werkgever voert verweer en stelt dat het verzoek van [verzoeker] moet worden afgewezen. Werkgever voert ‑ samengevat ‑ aan dat [verzoeker] op 19 november 2025 geen ziekmelding (conform het geldende verzuimprotocol) heeft gedaan en geen reden voor haar vertrek heeft opgegeven. Na de mail van [verzoeker] van 20 november 2025 trok de werkgever de conclusie dat 1) [verzoeker] overstuur was geraakt naar aanleiding van een mail van mevrouw [betrokkene 2], 2) [verzoeker] haar vrije dagen nodig had om zich te herpakken, 3) [verzoeker] bereid was om een gesprek te voeren op haar vrije dag en 4) [verzoeker] het initiatief nam om een nieuwe medewerker in te werken. Daarom is [verzoeker] weer beter gemeld. In het gesprek tussen partijen op 24 november 2025 is geen melding gemaakt van ziekte noch van een lopend verzuimtraject. [verzoeker] is vanaf 25 november 2025 zonder reden niet meer op het werk verschenen. Een ziekmelding met terugwerkende kracht kan niet. [verzoeker] communiceerde onzorgvuldig en de werkgever heeft het gevoel dat de heer en mevrouw [betrokkene 2] tegen elkaar werden uitgespeeld.
3.3.
Werkgever heeft een tegenverzoek gedaan. Werkgever verzoekt (voorwaardelijk) dat de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden vanwege het sjoemelen met het ziekteverzuimproces en het creëren van een arbeidsconflict. Daarnaast geldt dat de redenen die ten grondslag zijn gelegd aan het ontslag op staande voet op zichzelf, maar ook in onderlinge samenhang, voldoende reden zijn om de arbeidsovereenkomst op de e-grond, dan wel de g-grond of de i-grond te ontbinden. [verzoeker] fabriceerde van het overstuur verlaten van het bureau op 19 november 2025 dat ze zich ziek zou hebben gemeld bij de heer [betrokkene 2]. Het gebrek aan zelfreflectie, de ernstige en onherstelbare beschadiging van het vertrouwen en de grootte van het architectenbureau maken dat de werkgever geen oplossing meer ziet in conflictbemiddeling, bijvoorbeeld via mediation. Herplaatsing ligt daarom niet in de rede.

4.De beoordeling van het verzoek

4.1.
Het gaat in deze zaak om de vraag of het ontslag op staande voet moet worden vernietigd en of de werkgever moet worden veroordeeld tot betaling van loon. De kantonrechter oordeelt dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is. De kantonrechter legt hieronder uit hoe tot dit oordeel is gekomen.
4.2.
Uit artikel 7:677 BW Pro volgt dat ontslag op staande voet slechts aan de orde is als een arbeidsovereenkomst wegens een correct en terecht aangevoerde, al dan niet samengestelde, dringende reden wordt opgezegd. Als dringende reden in de zin van artikel 7:678 lid 1 BW Pro worden beschouwd zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer, die tot gevolg hebben dat van de werkgever redelijkerwijs niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Bij de beoordeling van de vraag of van een dringende reden sprake is, moeten alle omstandigheden van het geval, in onderling verband en samenhang, in aanmerking worden genomen. Daarbij behoren in de eerste plaats te worden betrokken de aard en ernst van hetgeen de werkgever als dringende reden aanmerkt, en verder onder meer de aard en duur van de dienstbetrekking, de wijze waarop de werknemer deze heeft vervuld, alsmede de persoonlijke omstandigheden van de werknemer, zoals de leeftijd en de gevolgen die een ontslag op staande voet zou hebben.
4.3.
Ontslag op staande voet is een zogenaamd ‘ultimum remedium’. Dit betekent dat ontslag op staande voet, vanwege de ingrijpende gevolgen, slechts mag worden verleend als een minder vergaande maatregel, zoals een officiële waarschuwing, loonsanctie of ontbinding van de arbeidsovereenkomst, niet volstaat. Bij de beoordeling van het ontslag op staande voet worden uitsluitend de ontslagredenen betrokken die in de ontslagbrief worden genoemd; andere of naderhand gebleken feiten en omstandigheden moeten daarbij buiten beschouwing worden gelaten.
Geen dringende reden
4.4.
De vijf genoemde (en daarmee gefixeerde) redenen in de ontslag op staande voet-brief van 29 november 2025 houden allemaal direct verband met de vraag of de ziekmelding van 19 november 2025 wel of niet door [verzoeker] is gedaan. De werkgever stelt dat geen sprake was van een (correcte) ziekmelding door [verzoeker] op 19 november 2025. Verder had [verzoeker] zelf meegedeeld dat werkgever beter een ander kon zoeken en vervolgens dat zij in was voor beëindiging door middel van een vaststellingsovereenkomst, waarna zij (ineens) meedeelde dat zij zich op 19 november 2025 had ziekgemeld. Dat was misleidend, aldus werkgever. Dit wordt door de kantonrechter niet gevolgd. Uit de email van 20 november 2025 kan niet anders worden afgeleid dan dat [verzoeker] zich ziek heeft gemeld per 19 november 2025, door overstuur naar huis te gaan en dit mondeling bij de heer [betrokkene 2] te melden. In de email van 20 november 2025 heeft [verzoeker] duidelijk verwoord waardoor zij overstuur is geraakt, namelijk de aanhoudende kritiek van mevrouw [betrokkene 2], en dat dit [verzoeker] ‘
onzeker en uiteindelijk ziek maakt’. [verzoeker] schrijft letterlijk:
‘Vandaar dat ik me gister ziek heb gemeld’. Werkgever had hieruit naar het oordeel van de kantonrechter kunnen en behoren te begrijpen dat [verzoeker] zich per 19 november 2025 had ziek gemeld. [verzoeker] heeft hier in haar e-mails van 26 en 28 november 2025 op gewezen. Dat [verzoeker] ondanks haar ziekmelding nog het voorstel deed en bereid was om (op haar vrije dag) met werkgever een gesprek te voeren om tot een oplossing te komen, geeft blijk van een redelijke houding. Dat [verzoeker], nadat voor haar bleek dat er geen acceptabele oplossing kwam, op haar ziekmelding heeft gewezen, levert naar het oordeel van de kantonrechter geen misleiding door [verzoeker] op.
4.5.
Dat de werkgever uit de email van [verzoeker] van 20 november 2025 zelfstandig andere conclusies heeft gehaald, opende niet de weg om zelf een oordeel te geven over de arbeids(on)geschiktheid van [verzoeker]. Een oordeel over de arbeids(on)geschiktheid van [verzoeker], en een inschatting waartoe zij wel of niet in staat was gezien haar medische gesteldheid, is enkel en alleen voorbehouden aan een bedrijfsarts. De ziekmelding van [verzoeker] is bovendien gedaan tegen de achtergrond van een gespannen werkverhouding met mevrouw [betrokkene 2]. Vast staat dat [verzoeker] zich op 8 oktober 2025 al een keer eerder had ziekgemeld na een confrontatie met mevrouw [betrokkene 2]. Het is dan niet begrijpelijk waarom mevrouw [betrokkene 2] op 20 november 2025, zonder concrete betermelding van [verzoeker], [verzoeker] bij de bedrijfsarts beter heeft gemeld.
4.6.
De kantonrechter oordeelt dat geen sprake is van een dringende reden. De werkgever had de ziekmelding niet mogen negeren. Ook de overige door werkgever genoemde omstandigheden kwalificeren niet (ook niet in samenhang) als een dringende reden. Werkgever heeft na de ziekmelding van [verzoeker] de arbeidsverhouding in korte tijd onnodig laten escaleren. De hoge lat van een ultimum remedium is niet gehaald. Het verzoek van [verzoeker] tot vernietiging van het ontslag wordt toegewezen, omdat hiervoor is geoordeeld dat het ontslag niet rechtsgeldig is.
Recht op loon
4.7.
[verzoeker] heeft recht op loon vanaf 1 december 2025, omdat het ontslag op staande voet wordt vernietigd en de arbeidsovereenkomst dus voortduurt. De vordering van [verzoeker] tot loonbetaling zal daarom worden toegewezen. Dit betreft achterstallig loon over december 2025, januari 2026 en februari 2026. Dit is € 2.442,60 bruto (december 2025) en twee maal € 2.527,80 (januari 2026, februari 2026) vermeerderd met 8%, te weten € 8.098,06. De gevorderde wettelijke verhoging zal ook worden toegewezen, omdat de werkgever te laat heeft betaald. De verzochte wettelijke verhoging zal worden toegewezen.
4.8.
Voorts heeft [verzoeker] recht op loon ad € 2.527,80 bruto per maand vermeerderd met 8% vanaf maart 2026 tot het moment van een rechtsgeldig einde van de dienstbetrekking.
Toegang tot de bedrijfsarts en wedertewerkstelling
4.9.
De vorderingen van [verzoeker] om de werkgever te veroordelen [verzoeker] toegang te geven tot de bedrijfsarts en om [verzoeker] na afronding van het ziekte- en verzuimtraject weer toe te laten tot haar gebruikelijke werkzaamheden, worden toegewezen, waarbij de werkgever steeds één week de tijd krijgt om dit te realiseren. De kantonrechter ziet geen aanleiding hieraan een dwangsom te verbinden, nu de werkgever in haar verweer heeft aangegeven dat zij de bedrijfsarts zou hebben ingeschakeld bij een duidelijke ziekmelding.
Proceskosten en wettelijke rente
4.10.
De proceskosten komen voor rekening van de werkgever, omdat de werkgever ongelijk krijgt en sprake is van (ernstig) verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever wegens het onterechte ontslag op staande voet. De proceskosten aan de zijde van [verzoeker] worden begroot op € 1.266,00 (€ 257,00 aan griffierecht, € 865,00 aan salaris gemachtigde en € 144,00 aan nakosten), plus de kosten van betekening, zoals vermeld in de beslissing.
4.11.
De gevorderde wettelijke rente over het achterstallige salaris en de proceskosten worden toegewezen, zoals vermeld in de beslissing.

5.De beoordeling van het tegenverzoek

5.1.
Op het verzoek van de werkgever om de arbeidsovereenkomst te ontbinden, moet ook nog worden beslist. De voorwaarde waaronder de werkgever dat verzoek heeft gedaan, is namelijk vervuld. Het ontslag op staande voet is vernietigd.
5.2.
Een arbeidsovereenkomst kan alleen worden ontbonden als daar een redelijke grond voor is. In de wet is bepaald wat een redelijke grond is. [1] Ook is voor ontbinding vereist dat geen sprake is van enig opzegverbod en dat herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn niet mogelijk is of niet in de rede ligt. [2]
5.3.
De kantonrechter oordeelt dat het opzegverbod tijdens ziekte aan een ontbinding in de weg staat. Dat wordt als volgt toegelicht.
Opzegverbod tijdens ziekte
5.4.
Bij een verzoek tot ontbinding moet allereerst worden beoordeeld of het opzegverbod van artikel 7:670 lid 1 BW Pro op de situatie van toepassing is. In dit artikel is bepaald dat de werkgever de arbeidsovereenkomst niet kan opzeggen gedurende de tijd dat de werknemer ongeschikt is tot verrichten van haar arbeid wegens ziekte. Uit artikel 7:671b lid 2 BW volgt verder dat de kantonrechter de arbeidsovereenkomst niet op verzoek van de werkgever kan ontbinden als een opzegverbod geldt. Het doel van het opzegverbod is om de werknemer te beschermen tegen ontslag en de psychische druk die opzegging tijdens ziekte kan veroorzaken.
5.5.
De kantonrechter heeft in rechtsoverweging 4.4. en 4.5.geoordeeld dat de mondelinge ziekmelding door [verzoeker] van 19 november 2025, die op 20 november 2025 schriftelijk door haar is toegelicht, niet door de werkgever mocht worden genegeerd. Dat er thans geen oordeel van de bedrijfsarts is over de arbeids(on)geschiktheid van [verzoeker], komt door het niet accepteren van de ziekmelding. Dat werkgever geen bedrijfsarts heeft ingeschakeld, omdat zij de ziekmelding betwist, komt voor haar rekening en risico. Dit betekent dat het opzegverbod tijdens ziekte geldt en het verzoek tot ontbinding in beginsel niet kan worden ingewilligd.
5.6.
In artikel 7:671b lid 6 BW staat dat, ondanks het bestaan van een opzegverbod, de kantonrechter de arbeidsovereenkomst in twee gevallen alsnog kan ontbinden, namelijk als 1) het verzoek om ontbinding geen verband houdt met de omstandigheden waarop het opzegverbod betrekking heeft of wanneer 2) sprake is van omstandigheden die van dien aard zijn dat de arbeidsovereenkomst in het belang van de werknemer behoort te eindigen. De eerste uitzondering is niet aan de orde, nu aan het ontbindingsverzoek dezelfde feiten en omstandigheden ten grondslag liggen als aan het ontslag op staande voet, welk ontslag volledig verband houdt met de ziekmelding. Het één kan dan ook niet los worden gezien van het ander. Ten aanzien van de tweede uitzondering heeft werkgever niets gesteld.
5.7.
Dit betekent dat het opzegverbod tijdens ziekte aan een ontbinding in de weg staat. De conclusie is dat de arbeidsovereenkomst niet zal worden ontbonden.
5.8.
De proceskosten van het tegenverzoek komen voor rekening van de werkgever, omdat de werkgever overwegend ongelijk krijgt. De proceskosten aan de zijde van [verzoeker] worden begroot op € 865,00 (aan salaris gemachtigde).

6.De beslissing

De kantonrechter
op het verzoek
6.1.
vernietigt het ontslag op staande voet van 29 november 2025,
6.2.
veroordeelt [verweerder] B.V. tot nabetaling van achterstallig loon aan [verzoeker] ter hoogte van € 8.098,06 bruto, te vermeerderen met de wettelijke verhoging met een maximum van 50%, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 29 november 2025 tot aan de dag van de gehele betaling,
6.3.
veroordeelt [verweerder] B.V. tot doorbetaling aan [verzoeker] van het loon ad € 2.527,80 bruto per maand exclusief 8% vakantiegeld vanaf maart 2026 tot het moment van een rechtsgeldig einde van de dienstbetrekking,
6.4.
veroordeelt [verweerder] B.V. om binnen één week na deze beschikking [verzoeker] toe te laten tot de ziekte-en verzuimbegeleiding van de arbodienst en de wettelijke ziekte- en verzuimregels, alsmede alle daartoe van toepassing zijnde (re-integratie)verplichtingen uit hoofde van de arbeidsovereenkomst met de toepasselijke CAO Architecten na te komen, voor de duur dat sprake is van arbeidsongeschiktheid van werknemer in de zin van de wet,
6.5.
veroordeelt [verweerder] B.V. om [verzoeker], voor zover zij daartoe medisch in staat zal zijn en bij herstel, toe te laten tot de overeengekomen werkzaamheden, tot het moment dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen rechtsgeldig is geëindigd,
6.6.
veroordeelt [verweerder] B.V. in de proceskosten van € 1.266,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [verweerder] B.V. niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend,
6.7.
veroordeelt [verweerder] B.V. tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
6.8.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad, [3]
6.9.
wijst het meer of anders verzochte af,
op het tegenverzoek
6.10.
wijst het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst af,
6.11.
veroordeelt [verweerder] B.V. in de proceskosten van € 865,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
6.12.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad,
6.13.
wijst het meer of anders verzochte af,
Deze beschikking is gegeven door mr. R.I.V. Scherpenhuijsen Rom en in het openbaar uitgesproken op 16 maart 2026.

Voetnoten

1.Artikel 7:669 lid 3 van Pro het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW).
2.Artikel 7:669 lid 1 BW Pro.
3.Uitvoerbaar bij voorraad betekent dat de veroordelingen in de beschikking uitgevoerd moeten worden, ook als eventueel in hoger beroep wordt gegaan.