Eiseres, een fiscale eenheid voor de omzetbelasting, verricht beheersdiensten aan diverse pensioenfondsen die Collectieve beschikbare premieregelingen (CDC) en Beschikbare premieregelingen (DC) uitvoeren. Zij heeft bezwaar gemaakt tegen de door haar betaalde omzetbelasting over het tweede kwartaal van 2019, stellende dat een deel van haar diensten vrijgesteld zou moeten zijn op grond van artikel 11, eerste lid, letter i, ten derde, van de Wet op de omzetbelasting 1968.
De rechtbank verwijst naar een eerdere uitspraak in een gerelateerde zaak (HAA 21/33) waarin is geoordeeld dat de CDC-regeling van Stichting R niet kwalificeert als een beleggingsinstelling en dat de vrijstelling daarom niet van toepassing is. Het primaire geschilpunt behoeft daarom geen verdere behandeling.
Het subsidiaire geschil betreft de vraag of de vrijstelling gedeeltelijk kan worden toegepast op de diensten aan Stichting C, die zowel CDC- als DC-regelingen uitvoert. Eiseres stelt dat het beheer van het nabestaandenpensioen als bijkomende dienst opgaat in de overige vrijgestelde diensten, of subsidiair dat de vrijstelling moet gelden voor het deel van de vergoeding dat betrekking heeft op de excedent- en vrijwillige regeling.
De rechtbank oordeelt dat de vrijstelling beperkt moet worden uitgelegd en dat de beheersdienst een allesomvattende dienst is die niet kan worden gesplitst in afzonderlijke componenten met verschillende fiscale kwalificaties. De verwijzing naar het Blackrock-arrest ondersteunt dit oordeel. De brief van de inspecteur Grote Ondernemingen leidt niet tot een ander oordeel.
Daarom verklaart de rechtbank het beroep ongegrond en ziet geen aanleiding tot een proceskostenveroordeling.