Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2026:2059

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
23 februari 2026
Publicatiedatum
2 maart 2026
Zaaknummer
AWB - 22 _ 2362
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 11 Wet OBArt. 12 Wet OBArt. 31 Wet OBArt. 26 AwrArt. 7:1 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep teruggaafbeschikking en ongegrondverklaring beroep naheffingsaanslagen omzetbelasting pensioenfonds

Eiseres, een bedrijfstakpensioenfonds, stelde beroep in tegen naheffingsaanslagen omzetbelasting en een teruggaafbeschikking voor het jaar 2011. De rechtbank oordeelt dat het beroep tegen de teruggaafbeschikking niet-ontvankelijk is omdat eiseres geen bezwaar heeft gemaakt, een vereiste volgens de Algemene wet bestuursrecht.

Inhoudelijk draait het geschil om de vraag of eiseres kan worden aangemerkt als een gemeenschappelijk beleggingsfonds in de zin van artikel 11, eerste lid, letter i, onder 3, van de Wet op de omzetbelasting 1968, en daarmee recht heeft op vrijstelling van omzetbelasting voor beheersdiensten. De kern is of de deelnemers het beleggingsrisico dragen.

De rechtbank stelt vast dat de pensioenregeling van eiseres een uitkeringsovereenkomst is waarbij de pensioenrechten primair afhankelijk zijn van het pensioengevend salaris en dienstjaren, en niet in de eerste plaats van beleggingsresultaten. Hoewel toeslagen uit beleggingsopbrengsten kunnen worden gefinancierd, is niet aannemelijk gemaakt dat deze in verhouding staan tot het beleggingsresultaat. Daarom dragen de deelnemers niet het beleggingsrisico zoals vereist.

Ook het beroep op het neutraliteitsbeginsel faalt omdat de regeling wezenlijk verschilt van een individuele Defined Contribution regeling waarbij het beleggingsrisico wel bij de deelnemers ligt. De naheffingsaanslagen zijn daarom terecht opgelegd en het beroep wordt ongegrond verklaard.

De rechtbank wijst verder proceskostenveroordeling af en wijst op de mogelijkheid tot hoger beroep bij het gerechtshof Amsterdam.

Uitkomst: Het beroep tegen de teruggaafbeschikking is niet-ontvankelijk en het beroep tegen de naheffingsaanslagen wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

Rechtbank noord-holland

Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 22/2362

uitspraak van de meervoudige kamer van 23 februari 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , eiseres

(gemachtigde: mr. E.M. van Kasteren),
en

de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft op 25 april 2012 aan eiseres een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd voor het jaar 2011 ten bedrage van € 401.837 (de eerste naheffingsaanslag).
Op 24 december 2016 heeft verweerder aan eiseres een tweede naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd voor het jaar 2011 ten bedrage van € 10.179 (de tweede naheffingsaanslag).
Bij uitspraken op bezwaar van 27 mei 2021 heeft verweerder de bezwaren tegen de eerste en de tweede naheffingsaanslag ongegrond verklaard.
Eiseres heeft voor het jaar 2011 verzocht om teruggaaf van een bedrag aan omzetbelasting van € 143.327. Bij beschikking van 28 mei 2021 heeft verweerder dit verzoek niet-ontvankelijk verklaard (de teruggaafbeschikking).
Eiseres heeft op 8 juli 2021 beroep ingesteld bij rechtbank Den Haag. Rechtbank Den Haag heeft het beroep in mei 2022 ter behandeling doorgezonden aan rechtbank Noord-Holland.
Eiseres heeft het beroepschrift aangevuld bij brief van 21 juli 2021.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Bij brief van 26 januari 2024 heeft eiseres de rechtbank verzocht de behandeling van het beroep aan te houden in afwachting van de beantwoording door het Europese Hof van Justitie (HvJ) van de prejudiciële vragen die rechtbank Gelderland op 5 oktober 2022 heeft gesteld. De rechtbank heeft in reactie hierop meegedeeld dat de behandeling van het beroep tot een nader te bepalen datum is uitgesteld.
Het HvJ heeft de prejudiciële vragen beantwoord in zijn arrest van 5 september 2024 [1] . Eiseres is door de rechtbank in de gelegenheid gesteld hierop te reageren. Dat heeft zij bij brief van 18 december 2024 gedaan. Verweerder heeft, desgevraagd, hierop gereageerd bij brief van 5 februari 2025.
Eiseres heeft nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 december 2025. Namens eiseres is de gemachtigde verschenen bijgestaan door mr. [naam 1] , [naam 2] en [naam 3] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [naam 4] en mr. [naam 5] .

Overwegingen

Feiten
1. Eiseres is een bedrijfstakpensioenfonds dat de pensioenregelingen uitvoert van de (voormalige) werknemers in de [branche] . Zij heeft het beheer van haar vermogen onder meer ondergebracht bij niet in Nederland gevestigde vermogensbeheerders.
2. De pensioenregeling voor 2011 is vastgelegd in een Pensioenreglement, laatstelijk gewijzigd op 5 juni 2009 (het Pensioenreglement). De pensioenregeling houdt in dat eiseres, tegenover het ontvangen van pensioenpremies, aan werknemers en gewezen werknemers in de bedrijfstak en hun nagelaten betrekkingen pensioenaanspraken en -rechten toekent op uitkeringen bij ouderdom, invaliditeit of overlijden van de (gewezen) werknemer. De uitvoering van de pensioenregeling is vastgelegd in een Uitvoeringsreglement van januari 2011 (het Uitvoeringsreglement).
3. De pensioenregeling van eiseres heeft het karakter van een uitkeringsovereenkomst zoals bedoeld in artikel 1 van Pro de Pensioenwet. [2] Het betreft een middelloonregeling. [3] Ook de aanvullende pensioenregelingen en/of de overgangsregelingen zijn gebaseerd op de middelloonregeling en dragen het karakter van een uitkeringsovereenkomst.
4. De pensioengrondslag is het pensioengevend salaris, verminderd met een franchise. [4] Het pensioengevend salaris is het vaste jaarsalaris vermeerderd met vakantietoeslag, schriftelijk overeengekomen vaste jaarlijkse uitkeringen zoals 13e maand, gegarandeerd tantième en dergelijke en een percentage van het vaste jaarsalaris dat de actieve deelnemer als oververdienste in de zin van de CAO ontvangt. [5] De deelnemers bouwen jaarlijks 2,2% van de pensioengrondslag op. [6]
5. De werkgevers zijn voor de financiering van de pensioenregeling een kostendekkende doorsneepremie verschuldigd, gebaseerd op de pensioengrondslag. [7] De werkgever is naast de premie niet verplicht tot het betalen van aanvullende bijdragen. [8]
6. De pensioenaanspraken en -rechten kunnen in geval van onderdekking naar evenredigheid worden verminderd mits eerst alle overige beschikbare sturingsmiddelen, met uitzondering van het beleggingsbeleid, zijn ingezet. [9] De door eiseres in te zetten sturingsmiddelen zijn, naast het beleggingsbeleid, het premiebeleid en het toeslagbeleid. [10]
7. Indien de middelen van eiseres voldoende zijn, kunnen de pensioenaanspraken worden geïndexeerd op basis van de Prijs- of Loonindex. Voor die indexatie wordt geen reserve gevormd en wordt geen premie betaald. [11] De indexatie wordt volledig gefinancierd vanuit de beleggingsopbrengsten. [12]
8. Op de vergoedingen die de buiten Nederland gevestigde vermogensbeheerders aan eiseres in rekening hebben gebracht, is de verleggingsregeling van artikel 12, tweede lid, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (Wet OB) toegepast.
9. Eiseres heeft voor het jaar 2011 geen aangiften omzetbelasting ingediend. Zij heeft bij brief van 12 maart 2012 een suppletieaangifte ingediend voor het jaar 2011. Naar aanleiding daarvan is de eerste naheffingsaanslag opgelegd. De tweede naheffingsaanslag is tevens opgelegd naar aanleiding van een suppletieaangifte.
10. Bij brief van 1 juni 2012 heeft eiseres bezwaar gemaakt tegen de voldoening op aangifte voor de maanden januari 2012 tot en met maart 2012. In die brief heeft zij tevens verzocht om teruggaaf van omzetbelasting voor de periode 1 januari 2006 tot en met 31 maart 2012. Een specificatie van de voor het jaar 2011 terug te ontvangen belasting ontbreekt. Verweerder heeft deze brief aangemerkt als bezwaar tegen de naheffingsaanslagen.
11. In de aanvulling van 9 augustus 2018 op het bezwaar heeft eiseres vermeld dat er ten onrechte een bedrag van € 412.016 is nageheven voor 2011 omdat zij over dat jaar recht heeft op een teruggaaf van € 143.327.
12. Verweerder heeft bij brief van 25 maart 2021 meegedeeld dat het bezwaar van 1 juni 2012 voor wat betreft het bedrag van € 143.327 wordt aangemerkt als een verzoek om teruggaaf en dat dit niet-ontvankelijk is omdat het niet vóór of op 31 januari 2012 door verweerder is ontvangen. Het verzoek is bij de teruggaafbeschikking niet-ontvankelijk verklaard.
13. In zijn brief van 19 september 2014 [13] aan de Tweede Kamer heeft de staatssecretaris van Financiën in reactie op het arrest van het HvJ van 13 maart 2014 (ATP-arrest) [14] onder meer het volgende meegedeeld:
“Pensioenlichamen die individuele DC-pensioenregelingen uitvoeren, worden gefinancierd door de pensioenontvangers. Het spaargeld wordt belegd volgens het beginsel van risicospreiding en het beleggingsrisico wordt gedragen door de leden van het pensioenfonds. Dergelijk fondsen kunnen als een gemeenschappelijk beleggingsfonds worden aangemerkt. De deelnemers ontvangen een pensioen waarvan de hoogte afhangt van de betaalde pensioenpremies en het rendement van de beleggingen. Bij een dergelijk pensioenfonds is de hoogte van de pensioenuitkering niet vooraf bepaald of gemaximeerd. Het beheer van dergelijke pensioeninstellingen is vrijgesteld van btw.
(…)
Het is echter ook mogelijk dat sprake is van een collectieve DC-pensioenregeling waarbij de pensioenafspraken van de individuele deelnemers wel zijn opgebouwd op een vergelijkbare wijze als gebruikelijk is bij de individuele DC-pensioenregeling. In die gevallen zal het beheer van een dergelijk pensioenfonds wel zijn vrijgesteld van btw.
In dit soort gevallen zal aan de hand van alle feiten en omstandigheden moeten worden beoordeeld of sprake is van een gemeenschappelijk beleggingsfonds en of de belastingheffing over de beheerdiensten wijzigt naar aanleiding van het ATP-arrest”.
Geschil14. Primair is in geschil of het beroep tegen de teruggaafbeschikking ontvankelijk is.
Inhoudelijk is in geschil of eiseres kan worden aangemerkt als een gemeenschappelijk beleggingsfonds als bedoeld in artikel 11, eerste lid, letter i, onder 3, van de Wet OB (de vrijstelling) in samenhang gelezen met artikel 135, eerste lid, aanhef en letter g, van Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (de btw-richtlijn). Het geschil spitst zich toe op de vraag of de deelnemers in eiseres het beleggingsrisico dragen.
15. Eiseres stelt zich op het standpunt dat de naheffingsaanslagen ten onrechte zijn opgelegd. Volgens eiseres dragen haar deelnemers het beleggingsrisico, omdat hun pensioenrechten en pensioenuitkeringen in de eerste plaats afhankelijk zijn van de resultaten van die beleggingen. Eiseres verwijst ter onderbouwing naar een speech van toenmalig president van De Nederlandsche Bank van 29 september 2020. Hierdoor is zij dusdanig vergelijkbaar met een instelling voor collectieve belegging in effecten (icbe) dat zij daarmee concurreert. Nu niet in geschil is dat zij wordt gefinancierd door de pensioenontvangers, het spaargeld wordt belegd volgens het beginsel van risicospreiding en zij onder bijzonder overheidstoezicht staat, moet zij daarom worden aangemerkt als een beleggingsfonds in de zin van de vrijstelling. Als gevolg daarvan zijn de aan haar verrichte beheersdiensten vrijgesteld van omzetbelasting. In haar nader stuk van 18 december 2024 heeft eiseres zich verder op het standpunt gesteld dat zij, vanuit het oogpunt van de juridische en financiële situatie van de deelnemer, vergelijkbaar is met een pensioenfonds met een individuele Defined Contribution regeling (IDC-regeling) als bedoeld in de onder 13 aangehaalde brief van de staatssecretaris van Financiën. Beide regelingen voorzien in opbouw en uitkering van pensioen, op basis van ingelegde premies en de daarmee behaalde beleggingsresultaten, waaraan bepaalde waarborgen en risico’s zijn verbonden. Het enige verschil is het meer of minder individuele karakter. Het verschil in collectief/individueel zal de keuze niet beïnvloeden omdat die keuze afhangt van het individuele risicoprofiel van de deelnemer. De gemiddelde deelnemer zal niet de voorkeur geven aan de ene regeling boven de andere. Op grond van het neutraliteitsbeginsel dient de regeling van eiseres dezelfde behandeling te krijgen als een btw-vrijgestelde DC-regeling.
Eiseres concludeert tot vernietiging van de uitspraken op bezwaar en een teruggaaf van € 555.343 (het totaalbedrag van de naheffingsaanslagen en het verzoek om teruggaaf).
16. Verweerder stelt zich primair op het standpunt dat het beroep niet-ontvankelijk is voor zover dit is gericht tegen de teruggaafbeschikking. Dit is volgens verweerder een ambtshalve beoordeling van een te laat ingediend verzoek om teruggaaf waartegen geen bezwaar en beroep openstaat.
Voor wat betreft het inhoudelijke geschilpunt stelt verweerder zich op het standpunt dat de deelnemers in eiseres geen beleggingsrisico lopen en eiseres daarom niet kan worden beschouwd als beleggingsfonds als bedoeld in de vrijstelling. De juridische en financiële situatie van de deelnemers is verder volgens verweerder onvergelijkbaar met die van een deelnemer in een individuele premieregeling zodat een verschil in behandeling gerechtvaardigd is. De vrijstelling is dus niet van toepassing op de aan eiseres verleende beheersdiensten en de naheffingsaanslagen zijn daarom terecht opgelegd.
Verweerder concludeert tot niet-ontvankelijkverklaring van het beroep voor zover dit is gericht tegen de teruggaafbeschikking en tot ongegrondverklaring voor het overige.

Ontvankelijkheid beroep

Ontvankelijkheid van het beroep voor zover betrekking hebbend op de teruggaafbeschikking

17. Bij brief van 25 maart 2021 heeft verweerder meegedeeld dat het verzoek om teruggaaf van 1 juni 2012 voor het jaar 2011 niet-ontvankelijk is, omdat het niet vóór of op 31 januari 2012 door verweerder is ontvangen. In aansluiting hierop is de teruggaafbeschikking gegeven. Uit artikel 31, achtste lid, van de Wet OB volgt dat de teruggaafbeschikking een voor bezwaar vatbare beschikking is. Ingevolge artikel 26, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr) staat daartegen beroep open bij de bestuursrechter. Op grond van artikel 7:1 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dient echter degene aan wie het recht is toegekend beroep in te stellen bij de bestuursrechter, alvorens beroep in te stellen bezwaar te maken. Eiseres heeft tegen de teruggaafbeschikking geen bezwaar gemaakt. Gezien het bepaalde in artikel 7:1 van Pro de Awb is het beroep tegen de teruggaafbeschikking dan ook niet ontvankelijk.
Ingevolge artikel 6:15 van Pro de Awb zal de rechtbank het beroepschrift ter behandeling als bezwaar, doorsturen naar verweerder.
Ontvankelijkheid van het beroep voor zover betrekking hebbend op de naheffingsaanslagen
18. Verweerder heeft de brief van 1 juni 2012 van eiseres tevens aangemerkt als (prematuur) bezwaar tegen de naheffingsaanslagen. In zijn brief van 25 maart 2021 heeft verweerder gemotiveerd waarom hij de bezwaren tegen de naheffingsaanslagen ongegrond acht.
19. Verweerder heeft de bezwaren tegen de naheffingsaanslagen bij uitspraken op bezwaar van 27 mei 2021 ongegrond verklaard. Het pro forma beroepschrift is uitsluitend en expliciet gericht tegen de teruggaafbeschikking van 28 mei 2021. Eiseres heeft daarbij ook uitsluitend een afschrift van die teruggaafbeschikking in kopie bijgevoegd als het in beroep bestreden besluit. Het pro forma beroep is dan ook niet gericht tegen de uitspraken op bezwaar inzake de naheffingsaanslagen van 27 mei 2021. In de brief van 21 juli 2021 waarin eiseres de gronden van het beroep meedeelt, worden de naheffingsaanslagen of de uitspraken op bezwaar inzake de naheffingsaanslagen evenmin genoemd, wel wordt daarin verwezen naar de brief van verweerder van 25 maart 2021.
20. Ter zitting heeft eiseres verklaard dat zij de uitspraken op bezwaar inzake de naheffingsaanslagen nimmer heeft ontvangen en daarvan pas kennis heeft genomen bij ontvangst van het verweerschrift. Verweerder heeft ter zitting verklaard dat hij eiseres, desgevraagd, per e-mail heeft meegedeeld dat de teruggaafbeschikking “de uitspraak op bezwaar” was. Verder heeft hij ter zitting verklaard de verzending van de uitspraken op bezwaar niet aannemelijk te kunnen maken. Een en ander leidt tot het oordeel dat eiseres ten tijde van het indienen van het beroepschrift kon en mocht menen dat met de teruggaafbeschikking tevens was beslist op haar bezwaren tegen de naheffingsaanslagen. De rechtbank acht het beroepschrift daarom op grond van artikel 6:10 van Pro de Awb ontvankelijk voor wat betreft de naheffingsaanslagen.

Beoordeling van het inhoudelijke geschil

21. Op grond van artikel 11, eerste lid, onderdeel i, ten derde, van de Wet OB is van omzetbelasting vrijgesteld het beheer van door beleggingsfondsen en beleggingsmaatschappijen ter collectieve belegging bijeengebrachte vermogens. Met deze bepaling heeft de wetgever uitvoering gegeven aan artikel 135, eerste lid, aanhef en letter g, van de btw-richtlijn, op grond waarvan is vrijgesteld “het beheer van gemeenschappelijke beleggingsfondsen als omschreven door de lidstaten”.
22. Pensioenfondsen zijn als zodanig geen beleggingsfonds of beleggingsmaatschappij als bedoeld in de vrijstelling. Dat is tussen partijen ook niet in geschil. Uit de jurisprudentie volgt echter dat pensioenfondsen onder bepaalde omstandigheden toch onder de vrijstelling kunnen worden gerangschikt. [15]
23. Het HvJ heeft in het ATP-arrest voor recht verklaard dat artikel 13, B, sub d, punt 6, van de Zesde richtlijn (thans artikel 135, eerste lid, aanhef en letter g, van de btw-richtlijn) aldus moet worden uitgelegd dat pensioenfondsen onder deze bepaling kunnen vallen wanneer zij worden gefinancierd door de pensioenontvangers, het spaargeld wordt belegd volgens het beginsel van risicospreiding en het beleggingsrisico wordt gedragen door de leden van het pensioenfonds.
24. In het BPL Pensioen-arrest heeft het HvJ verder het volgende voor recht verklaard:
“1) Artikel 135, lid 1, onder g), van richtlijn 2006/112/EG (…), moet aldus moet worden uitgelegd dat
de deelnemers aan een pensioenfonds dat uit hoofde van een collectieve pensioenregeling uitvoering geeft aan een pensioenovereenkomst die voorziet in pensioenrechten en pensioenuitkeringen waarvan het bedrag, hoewel het wordt bepaald op basis van een referentiepensioen of van de arbeidsinkomsten en het aantal dienstjaren van elke deelnemer, onder bepaalde voorwaarden kan variëren als gevolg van de resultaten van de beleggingen van dat pensioenfonds, slechts kunnen worden geacht het beleggingsrisico te dragen wanneer dat bedrag in de eerste plaats afhankelijk is van de resultaten van die beleggingen. Bij een dergelijke beoordeling is noch het aantal jaren dat een deelnemer pensioenrechten heeft opgebouwd, noch het feit dat de opbouw van pensioenrechten bij een pensioenfonds op een bepaald moment is onderbroken, relevant. De omstandigheden dat het risico individueel dan wel collectief wordt gedragen, met name in geval van faillissement, en dat een werkgever zich gedurende een bepaalde periode garant heeft gesteld voor de verwachte opbouw van de pensioenrechten, zijn wel relevante factoren, die als zodanig echter niet doorslaggevend zijn.”
25. Vrijstellingen vormen een uitzondering op de hoofdregel dat omzetbelasting wordt geheven over iedere dienst die door een ondernemer onder bezwarende titel wordt verricht en dienen daarom beperkt te worden uitgelegd. [16] Op eiseres rust de bewijslast dat de vrijstelling van toepassing is. Tussen partijen is niet in geschil dat sprake is van beheersdiensten, dat eiseres wordt gefinancierd door de pensioenontvangers, dat het bijeengebrachte geld wordt belegd volgens het beginsel van risicospreiding en dat eiseres onder bijzonder overheidstoezicht staat. Eiseres dient daarom nog uitsluitend aannemelijk te maken dat de deelnemers het beleggingsrisico dragen als omschreven in het BPL Pensioen-arrest.
26. Uit het BPL Pensioen-arrest volgt dat voor de beoordeling of de deelnemers het beleggingsrisico dragen, moet worden vastgesteld of in de pensioenregeling het bedrag van de pensioenrechten en -uitkeringen kan variëren als gevolg van de beleggingsresultaten van het pensioenfonds én daarmee in de eerste plaats afhankelijk is van de resultaten van die beleggingen. Het bedrag van de pensioenrechten en -uitkeringen dient dus in de eerste plaats afhankelijk te zijn van de resultaten van de beleggingen.
27. Vaststaat dat in deze zaak de basis voor de beoogde pensioenuitkering wordt gevormd door het jaarsalaris vermeerderd met eventuele toeslagen en het aantal dienstjaren. De eventuele beleggingsresultaten van eiseres spelen hierbij geen rol.
Weliswaar kunnen de pensioenaanspraken en -rechten in geval van onderdekking als ultimum remedium naar evenredigheid worden verminderd en kunnen deze bij voldoende middelen worden geïndexeerd, maar dat brengt op zichzelf geen wijziging in de pensioengrondslag van jaarsalaris en dienstjaren. Die grondslag varieert dan ook niet als gevolg van de eventuele door eiseres behaalde beleggingsresultaten. Aangezien de pensioenpremie wordt vastgesteld op basis van de pensioengrondslag, varieert ook de pensioenpremie niet al naar gelang de beleggingsresultaten van eiseres.
28. Voor wat betreft de eventuele toeslagen die uitsluitend worden gefinancierd uit de beleggingsresultaten, is wel sprake van variatie als gevolg van beleggingsresultaten. Gesteld noch gebleken is echter dat, indien die toeslagen worden toegekend, deze in verhouding staan tot het daadwerkelijk behaalde beleggingsresultaat. Zo dat al het geval is, heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt dat dit een zodanige grote invloed heeft dat het bedrag van de pensioenaanspraken en -rechten in de eerste plaats afhankelijk is van de beleggingsresultaten.
29. De verschillende voorbeeldberekeningen van eiseres laten weliswaar zien dat uiteindelijk een groot deel van de pensioenuitkeringen wordt bekostigd uit het beleggingsresultaat, maar die berekeningen zien op de financiering van de pensioenuitkeringen. In punt 50 van het BPL Pensioen-arrest overweegt het HvJ echter dat de vraag of de deelnemers beleggingsrisico lopen, moet worden beantwoord rekening houdend met alle kenmerken van de betrokken pensioenovereenkomsten. De wijze waarop de uiteindelijke pensioenuitkeringen worden gefinancierd is dus niet bepalend.
30. Gelet op al het voorgaande is eiseres niet geslaagd in de op haar rustende bewijslast. Zij heeft niet aannemelijk gemaakt dat de deelnemers in onderhavige pensioenregeling een beleggingsrisico lopen dat vergelijkbaar is met dat van de deelnemers in een beleggingsfonds of -instelling.
31. De opmerking van de president van de Nederlandsche Bank in zijn speech op 29 september 2020 dat de hoogte van het pensioen primair afhangt van de inleg en het behaalde rendement waarnaar eiseres verwijst, leidt niet tot een ander oordeel. Een dergelijke algemene opmerking zegt immers niets over hoe een en ander in een concrete pensioenregeling is geregeld.
Neutraliteitsbeginsel
32. Het neutraliteitsbeginsel verzet zich ertegen dat soortgelijke diensten, dat wil zeggen diensten die met elkaar concurreren, voor de heffing van de omzetbelasting verschillend worden behandeld. [17]
In het BPL Pensioen-arrest heeft het HvJ daarover het volgende voor recht verklaard:
“2) Artikel 135, lid 1, onder g), van richtlijn 2006/112, gelezen in het licht van het beginsel van fiscale neutraliteit, moet aldus moet worden uitgelegd dat,
om te bepalen of een pensioenfonds dat geen instelling voor collectieve belegging in effecten (icbe) is in aanmerking komt voor de vrijstelling van deze bepaling, niet alleen een vergelijking met een dergelijke instelling moet worden gemaakt, maar ook moet worden beoordeeld of dit pensioenfonds vanuit het oogpunt van de juridische en financiële situatie van de deelnemer ten opzichte van het pensioenfonds vergelijkbaar is met andere fondsen die geen instellingen voor collectieve belegging in effecten zijn maar door de betrokken lidstaat worden beschouwd als gemeenschappelijke beleggingsfondsen in de zin van deze bepaling.”
33. In onderhavige zaak dient te worden beoordeeld of vanuit het oogpunt van de juridische en financiële situatie van de gemiddelde deelnemer, onderhavige pensioenregeling vergelijkbaar is met een IDC-regeling.
34. De regelingen verschillen reeds ingrijpend omdat de deelnemer in een IDC-regeling bij zijn pensionering met een, vooraf niet vast te stellen uitkeringsbedrag, zelf een pensioenregeling moet inkopen, terwijl bij onderhavige regeling de deelnemer bij zijn pensionering een juridische aanspraak heeft op een pensioenuitkering. De toezegging op basis van inkomen en dienstjaren is wezenlijk anders dan een toezegging op basis van onzekere beleggingsresultaten. Verder lopen de deelnemers in onderhavige pensioenregeling, zoals bij 30 is geoordeeld, geen (noemenswaardig) beleggingsrisico. Uit de brief van de staatssecretaris van 19 september 2014 blijkt echter expliciet dat bij de IDC-regeling waarvoor hij het uitvoerende pensioenfonds aanmerkt als een gemeenschappelijk beleggingsfonds, het beleggingsrisico wordt gedragen door de deelnemers. De rechtbank acht dat vanuit het oogpunt van de gemiddelde deelnemer een zodanig essentieel kenmerk, dat daarom geen sprake is van vergelijkbare regelingen.
35. Gezien het voorgaande heeft eiseres evenmin aannemelijk gemaakt dat zij op basis van het neutraliteitsbeginsel gelijk gesteld moet worden met pensioenfondsen die een IDC-regeling uitvoeren.
Belastingrente
36. Eiseres heeft geen afzonderlijke gronden aangevoerd tegen de belastingrente die in rekening is gebracht bij de tweede naheffingsaanslag. Dat de belastingrente ten onrechte of op onjuiste wijze in rekening is gebracht, is ook overigens niet gebleken.
Proceskosten
37. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep niet-ontvankelijk voor zover gericht tegen de teruggaafbeschikking;
  • verklaart het beroep ongegrond voor zover gericht tegen de naheffingsaanslagen.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.J. Ebbeling, voorzitter, en mr. S.J. Richters en mr. dr. M.M.W.D. Merkx, leden, in aanwezigheid van mr. S.A. Carter, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 februari 2026.
griffier voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift per post verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer).
U kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan ook door verzending van een brief aan het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2. het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn.
Verder moet het ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de datum van verzending;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).

Voetnoten

1.HvJ 5 september 2024, Stichting BPL Pensioen e.a., C-639/22 tot en met C-644/22, ECLI:EU:C:2024:688.
2.Hoofdstuk A, onderdeel I, artikel 8, van het Pensioenreglement.
3.Uitvoeringsreglement, pagina 19.
4.Hoofdstuk A, onderdeel I, artikel 1.25, van het Pensioenreglement.
5.Hoofdstuk A, onderdeel I, artikel 1.22, van het Pensioenreglement.
6.Hoofdstuk A, onderdeel II, artikel 2.2, van het Pensioenreglement.
7.Hoofdstuk 2, artikel 2, van het Uitvoeringsreglement en Hoofdstuk A, onderdeel VII, artikel 1, van het Pensioenreglement.
8.Hoofdstuk A, onderdeel I, artikel 8, van het Pensioenreglement.
9.Hoofdstuk A, onderdeel II, artikel 7, van het Pensioenreglement.
10.Artikel 8.2, van het Uitvoeringsreglement.
11.Hoofdstuk A, onderdeel V, artikel 1, van het Pensioenreglement.
12.Artikel 7.1, van het Uitvoeringsreglement.
13.Tweede Kamer, vergaderjaar 2014–2015, 32 043, nr. 228.
14.HvJ 13 maart 2014, C-464/12 (ATP PensionService), ECLI:EU:C:2014:139.
15.HvJ 7 maart 2013, C-424/11 (Wheels Common Investment Fund Trustees e.a.), ECLI:EU:C:2013:144, HvJ 13 maart 2014, C-464/12 (ATP PensionService), ECLI:EU:C:2014:139 en HvJ 9 december 2015, C-595/13 (Fiscale Eenheid X), ECLI:EU:C:2015:801.
16.vgl. HvJ 19 juli 2012 Deutsche Bank AG, C-44/11, ECLI:EU:C:2012:484, overweging 42.
17.vgl. HvJ EU 10 september 2002, (Kügler), ECLI:EU:C:2002:473 en HvJ EU 15 november 2012, (Zimmermann). ECLI:EU:C:2012:716.