Uitspraak
Rechtbank noord-holland
uitspraak van de meervoudige kamer van 27 februari 2026 in de zaak tussen
[eiser] , wonende te [woonplaats] , eiser
de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Den Haag, verweerder.
Procesverloop
Overwegingen
1 juli 1976 niet op voor deze zaak relevante punten is gewijzigd. Uit een door eiser overgelegde brief van [organisatie] aan een medewerker van de Belastingdienst van
26 november 2015, volgt dat het om wijzigingsbesluiten en/of geactualiseerde versies van het pensioenreglement gaat.
1 juli 1976 integraal als bijlage bij het verweerschrift is gevoegd. Verder heeft verweerder naar voren gebracht dat hij niet beschikt over mogelijk gewijzigde versies van de gecoördineerde pensioenregeling in de jaren tussen datum indiensttreding en vóór 1995 en dat, als zij er al over zou beschikken, deze geen relevantie hebben voor de onderhavige procedures nu de inhoud van het pensioenreglement niet in geschil is. Verweerder heeft geen verklaring kunnen geven waarom hij niet meer beschikt over de stukken bij de brief van 26 november 2015.
1 januari 1995 niet voldeed aan de voorwaarden die aan een pensioenregeling werden gesteld in artikel 11, derde lid, van de Wet LB 1964. Destijds had een (zuivere) pensioenregeling in de zin van de Wet LB 1964 (nagenoeg) uitsluitend ten doel de verzorging van (gewezen) werknemers bij invaliditeit en ouderdom en de verzorging van – kort gezegd – hun nabestaanden, en hield zij een pensioen in dat niet uitging boven hetgeen naar maatschappelijke opvattingen redelijk moest worden geacht (artikel 11, derde lid, van de Wet LB 1964, tekst tot 1 januari 1995). Als de pensioenregeling van [organisatie] niet aan deze voorwaarden voldeed, en daarom voor 1 januari 1995 al ‘onzuiver’ was, hebben destijds aan eiser toegekende aanspraken tot het loon in de zin van artikel 10 van Pro de Wet LB 1964 behoord. Dit is van belang, omdat door de werking van overgangsrecht uitkeringen die voortvloeien uit op 31 december 1994 bestaande pensioenaanspraken die voor 1 januari 1995 tot het loon hebben behoord, ook in het jaar 2016 nog is vrijgesteld van inkomstenbelasting op grond van het op 1 januari 1995 vervallen artikel 11, eerste lid, letter g, van de Wet LB 1964 (zie HR 18 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1596, onder verwijzing naar hoofdstuk 2, artikel I, onderdeel O, aanhef en letter b, van de Invoeringswet IB 2001). Bedoeld overgangsrecht gaat naar zijn strekking voor op het bepaalde in artikel 3.82, aanhef en letter c, van de Wet IB 2001 (uitbreiding van het loonbegrip in de inkomstenbelasting voor uitkeringen op grond van een pensioenregeling van een internationale organisatie). In gelijke zin gerechtshof Amsterdam 5 april 2022, ECLI:NL:GHAMS:2022:1290 en ECLI:NL:GHAMS:2022:1291, rechtsoverweging 4.4.2.
3 oktober 2021 brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel.