AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Beoordeling zuiverheid gecoördineerde pensioenregeling en belastingheffing pensioenuitkeringen
Eiser betwist de kwalificatie van het ouderdomspensioen van de gecoördineerde pensioenregeling als zuivere pensioenregeling in de zin van artikel 11, derde lid, van de Wet LB 1964. Hij stelt dat bepaalde elementen, zoals de leaving allowance, het ontbreken van AOW-inbouw, de mogelijkheid tot vervroegde pensionering en de ruime kring van pensioengerechtigden, de regeling onzuiver maken, waardoor een deel van het pensioen niet als loon belast zou moeten worden.
De rechtbank onderzoekt eerst of de tax-adjustment onderdeel is van het pensioen en concludeert dat dit niet het geval is. Vervolgens beoordeelt zij de gestelde onzuiverheden en verwijst naar eerdere uitspraken van het gerechtshof Amsterdam en de Hoge Raad die de regeling als zuiver hebben aangemerkt. De leaving allowance wordt gezien als een compensatie zonder doorslaggevende betekenis, het ontbreken van AOW-inbouw is niet relevant omdat medewerkers geen AOW-rechten opbouwen, en de mogelijkheid tot vervroegde pensionering naar 50 jaar wordt maatschappelijk aanvaard geacht.
Ook de ruime kring van pensioengerechtigden wordt niet als onzuiver beschouwd, omdat de aanvullende rechten voor 'other dependents' beperkt en uitzonderlijk zijn. De rechtbank volgt eiser niet in zijn stellingen over de belastingheffing van pensioenopbouw na 1995 wegens gebrek aan bewijs. Het beroep wordt ongegrond verklaard, maar eiser krijgt een vergoeding van € 1.250 voor immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn en een proceskostenvergoeding van € 233,50.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de pensioenuitkeringen worden als loon belast, met een immateriële schadevergoeding wegens termijnoverschrijding toegekend.
Uitspraak
Rechtbank noord-holland
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 24/7290
uitspraak van de meervoudige kamer van 27 februari 2026 in de zaak tussen
[eiser] , wonende te [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: mr. I. Leenders),
en
de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Den Haag, verweerder.
Procesverloop
Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2016 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 87.649 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 61.580. Daarbij is een bedrag aan belastingrente in rekening gebracht van € 2.090.
Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar de aanslag verminderd tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 67.268 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 68.105. De in rekening gebracht belastingrente is verminderd tot een bedrag van € 1.256.
Eiser heeft daartegen beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Partijen hebben vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn telkens in afschrift verstrekt aan de wederpartij.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 november 2025 te Haarlem.
Gelijktijdig is het beroep behandeld inzake de aanslagen IB/PVV 2008, 2009 en 2016 van [naam 1] (HAA 24/5549, HAA 24/5811 en HAA 24/5814).
Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde en mr. [naam 2] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [naam 3] , mr. [naam 4] en [naam 5] .
Overwegingen
Feiten
1. Van 1 december 1986 tot en met tot en met 8 juni 2004 heeft eiser in verband met zijn dienstverband bij de [organisatie] ( [organisatie] ) pensioen opgebouwd. Eiser ontvangt in 2016 een ouderdomspensioen van de [organisatie] in verband met het dienstverband.
2. Tot de gedingstukken behoort het pensioenreglement van de zogeheten gecoördineerde organisaties, waaronder [organisatie] , van 1 juli 1976 (getiteld ‘Pension Scheme Rules Applicable to Permanent Staff of the Co-ordinated Organisations’; hierna: de gecoördineerde pensioenregeling). In deze gecoördineerde pensioenregeling is - voor zover hier van belang - het volgende bepaald:
(…)
CHAPTER II RETIREMENT PENSION AND LEAVING ALLOWANCE
Article 7 – Conditions of entitlement
A staff member who has completed ten or more years actual service, within the meaning of Article 4, in one or more of the Organisations listed in Article 1 shall be entitled to a retirement pension.
Article 8 – Age of entitlement - Deferred pension and early pension
1. A staff member shall become eligible for a retirement pension at the age of sixty.
(…)
3. If a staff member retires before pensionable age, payment of his retirement pension shall be deferred until he reaches that age.
4. However, a staff member who retires before pensionable age may request early payment of his pension provided he is at least fifty years old.
In such case, the retirement pension shall be reduced by reference to the age of the staff member when he starts to draw his pension, as shown in the table below.
(…)
HIER STAAT EEN AFBEELDING
Article 10 – Rate of pension
1. Except where paragraphs 2 and 3 of Article 5 apply, the amount of the retirement pension shall be, per reckonable year of service within the meaning of Articles 4 and 6, 2 per cent of the salary corresponding to the last grade held by the staff member for not less than one year before termination of his appointment and the last step held in that grade.
2. The maximum rate of the pension shall be 70 per cent of this salary (…).
(…)
Article 11 – Leaving allowance
A staff member whose service terminates otherwise than by reason of death or invalidity and who is not entitled to a retirement pension nor to the benefit of the provisions of Article 12.2, shall be entitled on leaving to a payment of:
(i) the aggregate amount deducted from his salary in respect of his pension contribution, together with compound interest at the rate of 4 per cent per annum;
(ii) a leaving allowance equal to one month and a half of his last salary multiplied by the number of reckonable years of service credited within the meaning of Article 6;
(iii) one-third of the amounts paid to the Organisation under the provisions of Article 12.1, together with compound interest at the rate of 4 per cent per annum. Should, however, the whole of these amounts have to be refunded to his previous employer, the reckonable years of service corresponding to those amounts shall be disregarded in the calculation of the severance grant.
(…)
CHAPTER V ORPHAN’S OR DEPENDANT'S PENSION
Article 25 -Rate of pension
l. Where a staff member still serving or entitled to an invalidity or an immediate or deferred retirement pension dies, his children or other dependants shall be entitled to a pension under the terms of paragraphs 2 and 3 below.
2. Where the staff member dies leaving a spouse entitled to a survivor’s pension, the pension referred to in paragraph 1 above shall be:
- 40 per cent of the survivor’s pension, (…)
3. Where a staff member dies without leaving a spouse entitled to a survivor’s pension, the pension referred to in paragraph 1 above shall be:
- 80 per cent of the theoretical survivor’s pension, (…)
6. The expression "dependent children" shall mean children who were effectively dependent on the staff member or former staff member at the time of his death or were born not more than 300 days after his death.
The expression "other dependants" shall mean persons who, exceptionally, had been granted similar rights to dependent children under rules applying in the Co-ordinated Organisations before the death of the staff member or former staff member.
Article 26 – Cessation of entitlement
Entitlement to one of the pensions under Article 25 shall cease at the end of the month in which the child or the other dependent ceases to satisfy the conditions for entitlement to the allowance for a dependent child or dependent person under the Staff Rules and Regulations of the Organisation.
(…)
CHAPTER IX FINANCING THE PENSION SCHEME
Article 41 – Staff members’ contribution – Costing the Scheme
1. The staff members’ contribution to this Pension Scheme shall be 7 per cent of their salary and shall be deducted monthly.
2. (…)
3. Should the Councils of the Co-ordinated Organisations listed in article 1.1 deem it necessary to have an evaluation of the cost of the Pension Scheme made by one or more actuaries and should this show the staff members’ contributions to be insufficient to cover one third of the financing of the benefits payable under these Rules, the said Councils shall decide what changes, if any, are to be made in the rates of contribution.”
CHAPTER X Provisions relating to adjustment of pensions
Article 42 – Pensions which are subject to national tax legislation
1. The recipient of a pension under these Rules shall be entitled to the adjustment applying to the Member Country of the Organisation in which the pension and adjustment relating thereto are chargeable to income tax under the tax legislation in force in that country.
2. The adjustment shall equal 50% of the amount by which the recipient’s pension would theoretically need to be increased, were the balance remaining after deduction of the amount of national income tax or taxes on the total to correspond to the amount of the pension calculated in accordance with these Rules.
For such purpose, there shall be drawn up, for each Member country, in accordance with the implementing instructions referred to in paragraph 6, tables of equivalence specifying, for each amount of pension, the amount of the adjustment to be added thereto. The said tables shall determine the rights of the recipients.
3. In calculating the theoretical amount of income tax or taxes referred to in paragraph 2 of this Article, account shall be taken only of the provisions of tax legislation and regulations affecting the basis of liability and the amount of income tax or taxes for all pensioner-taxpayers in the country concerned.
Pensioners without spouse or dependants shall be deemed to be in the position of a pensioner without entitlement to any tax reliefs or allowances for family responsibilities, all other recipients being deemed to be pensioners enjoying the tax reliefs and allowances of a person who is married without children.
No account shall be taken:
of individual factors related to the personal circumstances or private means of a particular pensioner,
of income other than that arising under these Rules,
of the income of the spouse or dependents of the pensioner.
On the other hand, account shall, in particular, be taken of circumstances arising in the course of the year as a result of:
a change in civil status or settlement in another place of residence with a different taxation system,
commencement or cessation of payment of the pension.
3. Bij de vaststelling van de aanslag IB/PVV 2016 is de pensioenuitkering aangemerkt als belastbaar inkomen uit werk en woning (box 1) op grond van artikel 3.82, aanhef en onderdeel c, Wet IB 2001 en is ter zake van de pensioenaanspraak geen inkomen uit sparen en beleggen (box 3) in aanmerking genomen.
4. In de uitspraak op bezwaar heeft verweerder het pensioen op verzoek van eiser belast volgens het Besluit Pensioenen Internationale Organisaties (Besluit van de Staatssecretaris van Financiën van 19 augustus 2022, nr. 2022-206968, Stcrt. 2022, 21897; hierna: het Besluit) en de aanslag verminderd. Het pensioen (exclusief tax-adjustment) is voor twee derde (2/3) deel belast als inkomen uit werk en woning (box 1) en voor een derde (1/3) deel belast als inkomen uit sparen en beleggen (box 3). In box 3 is voor de bepaling van de waarde van de pensioenaanspraak uitgegaan van de uitgangspunten zoals vermeld in artikel 19 UitvoeringsbesluitPro inkomstenbelasting 2001 (hierna: UBIB 2001). De tax-adjustment is volledig belast in box 1.
5. De aanslag is aldus als volgt berekend:
HIER STAAT EEN AFBEELDINGMET EEN BEREKENING
6. Het gerechtshof Amsterdam heeft met betrekking tot de aan eiser respectievelijk [naam 1] opgelegde aanslagen IB/PVV 2013, 2014 en 2015 in hoger beroep geoordeeld dat de gecoördineerde pensioenregeling zuiver is en dat de pensioenuitkeringen tot het loon behoren (gerechtshof Amsterdam 5 april 2022, ECLI:NL:GHAMS:2022:1290 respectievelijk ECLI:NL:GHAMS:2022:1291). De hiertegen ingestelde cassatieberoepen zijn door de Hoge Raad met verwijzing naar artikel 81, eerste lid, van de Wet op de rechterlijke organisatie, ongegrond verklaard (HR 23 februari 2024, ECLI:NL:HR:2024:271 respectievelijk ECLI:NL:HR:2024:272).
Geschil7. In geschil is of en in hoeverre de pensioenuitkeringen behoren tot het belastbaar inkomen uit werk en woning (box 1) en het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen (box 3). Meer specifiek is in geschil of de gecoördineerde pensioenregeling tot 1995 kwalificeert als zuivere pensioenregeling in de zin van artikel 11, derde lid, van de Wet LB (tekst 1994) of dat deze als onzuivere pensioenregeling moet worden aangemerkt.
Indien sprake is van een onzuivere pensioenregeling, dan is voorts in geschil of voor het pensioen opgebouwd na 1 januari 1995 een beroep kan worden gedaan op het Besluit.
8. Eiser stelt dat de gecoördineerde pensioenregeling kwalificeert als onzuivere pensioenregeling. Daarvan uitgaande dient volgens eiser het deel van het pensioen dat toerekenbaar is aan de pensioenopbouw van 1 december 1986 tot en met 31 december 1994 - in het arrest van de Hoge Raad van 16 januari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BF7264, aangeduid als deel 1 van de pensioenuitkeringen - worden vrijgesteld van belastingheffing in box 1 en 3. Het overige (na 31 december 1994 opgebouwde) pensioen - in het arrest van de Hoge Raad van 16 januari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BF7264, aangeduid als deel 2 en deel 3 van de pensioenuitkeringen - dient alsdan eveneens te worden belast volgens het Besluit.
Eiser concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vermindering van de aanslag. Daarnaast verzoekt eiser om een (integrale) proceskostenvergoeding en vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn.
9. Verweerder stelt dat de gecoördineerde pensioenregeling kwalificeert als zuivere pensioenregeling. Indien de gecoördineerde pensioenregeling wordt aangemerkt als een onzuivere pensioenregeling, dan is volgens verweerder het Besluit niet van toepassing op deel 2 en deel 3 van de pensioenuitkering. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.
10. Voor het overige verwijst de rechtbank naar de gedingstukken.
Beoordeling van het geschil
Op de zaak betrekking hebbende stukken
11. Voordat de rechtbank toekomt aan de inhoudelijke beoordeling dient de vraag te worden beantwoord of verweerder de op de zaak betrekking hebbende stukken heeft overgelegd.
12. Eiser meent dat de stukken uit de dossiers in de procedures die hebben geleid tot de arresten genoemd onder 6, behoren tot de op de zaken betrekking hebbende stukken en dat verweerder gehouden is die stukken te overleggen. De rechtbank kan eiser hierin niet volgen, reeds omdat de stukken uit de eerdere procedures betrekking hebben op andere zaken. De omstandigheid dat het in die zaken – evenals in casu – ging om de vraag of het onderhavige pensioen moet worden aangemerkt als een (on)zuivere pensioenregeling, brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel. Naar de rechtbank begrijpt heeft verweerder de thans voorliggende besluiten gebaseerd op het pensioenreglement dat zich in het dossier bevindt en niet op stukken uit de eerdere procedures. Verweerder verwijst voor zijn standpunt weliswaar naar genoemde oordelen van de Hoge Raad en het gerechtshof Amsterdam, maar niet naar de (inhoud van de) in die procedures gewisselde stukken. Die stukken heeft verweerder dan ook niet in het onderhavige dossier gevoegd en dat hoefde verweerder ook niet te doen. Eiser heeft bovendien – met uitzondering van de hierna te bespreken wijzigingsbesluiten en/of geactualiseerde versies van het pensioenreglement – niet concreet gemaakt op welke stukken hij doelt. Eiser heeft uit eigen beweging stukken ingebracht uit de eerdere procedures, zodat ervan uit kan worden gegaan dat hij over die stukken beschikt. Het ligt dan ook op de weg van eiser nader te onderbouwen welke stukken uit die eerdere procedures volgens hem tot de op de zaken betrekking hebbende stukken moeten worden gerekend en van belang kunnen zijn voor de te nemen beslissing. Verweerder is gelet op dit een en ander niet gehouden nadere stukken te overleggen en van schending van artikel 8:42 vanPro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is geen sprake.
13. Bovenstaande lijdt uitzondering voor zover het gaat om het volgende. Volgens eiser beschikt verweerder over stukken waaruit blijkt dat het pensioenreglement na 1 juli 1976 niet op voor deze zaak relevante punten is gewijzigd. Uit een door eiser overgelegde brief van [organisatie] aan een medewerker van de Belastingdienst van 26 november 2015, volgt dat het om wijzigingsbesluiten en/of geactualiseerde versies van het pensioenreglement gaat.
14. Verweerder heeft dienaangaande naar voren gebracht dat de inhoud van het pensioenreglement in de jaren tussen datum indiensttreding en vóór 1995 in de onderhavige procedure geen onderwerp van geschil is en dat de gecoördineerde pensioenregeling van 1 juli 1976 integraal als bijlage bij het verweerschrift is gevoegd. Verder heeft verweerder naar voren gebracht dat hij niet beschikt over mogelijk gewijzigde versies van de gecoördineerde pensioenregeling in de jaren tussen datum indiensttreding en vóór 1995 en dat, als zij er al over zou beschikken, deze geen relevantie hebben voor de onderhavige procedures nu de inhoud van het pensioenreglement niet in geschil is. Verweerder heeft geen verklaring kunnen geven waarom hij niet meer beschikt over de stukken bij de brief van 26 november 2015.
15. De rechtbank is van oordeel dat ervan uit moet worden gegaan dat de genoemde stukken op de zaak betrekking hebbende stukken zijn. Op verweerder rust daarom op grond van artikel 8:42 vanPro de Awb de verplichting die stukken aan de rechter toe te zenden. De hierboven weergegeven verklaringen van verweerder vat de rechtbank op als een weigering de stukken alsnog over te leggen. Aan deze weigering verbindt de rechtbank op grond van artikel 8:31 vanPro de Awb de gevolgtrekking die eiser voorstaat, te weten dat ervan wordt uitgegaan dat de pensioenregeling van [organisatie] sinds 1976 niet op voor deze zaak relevante punten is gewijzigd (vgl. gerechtshof Amsterdam 5 april 2022, ECLI:NL:GHAMS:2022:1290 en ECLI:NL:GHAMS:2022:1291, rechtsoverwegingen 4.3.1-4.3.4).
Wettelijk kader
16.1.
Voor de inkomstenbelasting wordt onder loon verstaan: loon overeenkomstig de wettelijke bepalingen van de loonbelasting (artikel 3.81 Wet IB 2001).
16.2.
Artikel 3.82, aanhef en onderdeel c, van de Wet IB 2001 luidt:
“Tot loon wordt gerekend:
(…)
c. uitkeringen op grond van een pensioenregeling van een internationale organisatie, behoudens voorzover aannemelijk is dat over de aanspraken ingevolge die pensioenregeling een heffing naar het inkomen heeft plaatsgevonden die naar aard en strekking overeenkomt met de loonbelasting of de inkomstenbelasting.”
17.1.
Volgens artikel 10 vanPro de Wet op de loonbelasting 1964 (Wet LB 1964), behoort tot het loon al hetgeen uit een dienstbetrekking of een vroegere dienstbetrekking wordt genoten, daaronder mede begrepen hetgeen wordt vergoed of verstrekt in het kader van de dienstbetrekking. Ingevolge het tweede lid behoren tot het loon aanspraken om na verloop van tijd of onder een voorwaarde een of meer uitkeringen of verstrekkingen te ontvangen.
17.2.
Artikel 38 vanPro de Wet LB 1964 luidde tot 1 januari 1995 als volgt:
“Op uitkeringen en verstrekkingen ingevolge een op 31 december 1994 bestaande aanspraak die voor 1 januari 1995 tot het loon heeft behoord, blijft artikel 11, eerste lid, onderdeel g, zoals dat luidde op 31 december 1994, van kracht.”
17.3.
Artikel 11, eerste lid aanhef en onderdeel g, van de Wet LB 1964 luidde tot 1 januari 1995 als volgt:
“Tot het loon behoren niet:
(…)
g. uitkeringen en verstrekkingen ingevolge een aanspraak die tot het loon behoort;”
17.4.
In artikel 11, derde lid, van de Wet LB 1964 is tot 1 januari 1995 bepaald dat onder pensioenregeling wordt verstaan een regeling die uitsluitend of nagenoeg uitsluitend:
“a. ten doel heeft de verzorging van werknemers en gewezen werknemers bij invaliditeit en ouderdom en de verzorging van hun echtgenoten en van hun kinderen en pleegkinderen die de leeftijd van 21 jaar nog niet hebben bereikt en niet gehuwd zijn of gehuwd zijn geweest, en
b. een pensioen inhoudt dat niet uitgaat boven hetgeen naar maatschappelijke opvattingen, mede in verband met diensttijd en genoten beloning, redelijk moet worden geacht.”
Tax-adjustment onderdeel van het pensioen?
18. Ter zitting (zie pleitnota) heeft eiser nader het standpunt ingenomen dat de zogenoemde tax-adjustment onderdeel uitmaakt van de gecoördineerde pensioenregeling, dat deze tax-adjustment dient te worden meegenomen in de berekening van de belastingheffing over het pensioen en in zijn geheel in box 1 dient te worden belast. De rechtbank zal eerst beoordelen of de tax-adjustment onderdeel is van het pensioen en daarna de vraag behandelen of de gecoördineerde pensioenregeling (on)zuiver is.
19. De rechtbank is van oordeel dat de tax-adjustment geen onderdeel vormt van het pensioen. Het feit dat de tax-adjustment, evenals het ouderdomspensioen, in het pensioenreglement is geregeld, maakt nog niet dat sprake is van een pensioen in de zin van artikel 11 vanPro de Wet LB 1964. De (voorwaarden voor) aanspraak op de tax-adjustment volgt uit artikel 42 vanPro het pensioenreglement. Verweerder heeft gesteld dat de tax-adjustment niet wordt gefinancierd uit de door de werknemers betaalde pensioenpremies. Eiser heeft dit niet weersproken. De rechtbank acht niet aannemelijk dat de tax-adjustment direct verband houdt met de ingelegde premies, zodat de tax-adjustment geen onderdeel vormt van opgebouwde (pensioen)aanspraken. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de vraag naar de belastbaarheid van de tax-adjustment afzonderlijk moet worden beschouwd en niet als onderdeel van de pensioenaanspraken en -uitkeringen.
20. Hiervan uitgaande is niet in geschil dat de tax-adjustment terecht in box 1 in aanmerking is genomen als loon. De rechtbank volgt partijen hierin.
(On)zuiverheid gecoördineerde pensioenregeling voor 1 januari 1995
21. Eiser stelt zich op het standpunt dat de gecoördineerde pensioenregeling voor 1 januari 1995 niet voldeed aan de voorwaarden die aan een pensioenregeling werden gesteld in artikel 11, derde lid, van de Wet LB 1964. Destijds had een (zuivere) pensioenregeling in de zin van de Wet LB 1964 (nagenoeg) uitsluitend ten doel de verzorging van (gewezen) werknemers bij invaliditeit en ouderdom en de verzorging van – kort gezegd – hun nabestaanden, en hield zij een pensioen in dat niet uitging boven hetgeen naar maatschappelijke opvattingen redelijk moest worden geacht (artikel 11, derde lid, van de Wet LB 1964, tekst tot 1 januari 1995). Als de pensioenregeling van [organisatie] niet aan deze voorwaarden voldeed, en daarom voor 1 januari 1995 al ‘onzuiver’ was, hebben destijds aan eiser toegekende aanspraken tot het loon in de zin van artikel 10 vanPro de Wet LB 1964 behoord. Dit is van belang, omdat door de werking van overgangsrecht uitkeringen die voortvloeien uit op 31 december 1994 bestaande pensioenaanspraken die voor 1 januari 1995 tot het loon hebben behoord, ook in het jaar 2016 nog is vrijgesteld van inkomstenbelasting op grond van het op 1 januari 1995 vervallen artikel 11, eerste lid, letter g, van de Wet LB 1964 (zie HR 18 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1596, onder verwijzing naar hoofdstuk 2, artikel I, onderdeel O, aanhef en letter b, van de Invoeringswet IB 2001). Bedoeld overgangsrecht gaat naar zijn strekking voor op het bepaalde in artikel 3.82, aanhef en letter c, van de Wet IB 2001 (uitbreiding van het loonbegrip in de inkomstenbelasting voor uitkeringen op grond van een pensioenregeling van een internationale organisatie). In gelijke zin gerechtshof Amsterdam 5 april 2022, ECLI:NL:GHAMS:2022:1290 en ECLI:NL:GHAMS:2022:1291, rechtsoverweging 4.4.2.
22. Eiser stelt dat de gecoördineerde pensioenregeling als onzuiver moet worden gekwalificeerd vanwege een aantal onzuivere elementen daarin. Deze elementen zijn volgens eiser kort gezegd: de zogenoemde leaving allowance, het gegeven dat in het reglement geen rekening is gehouden met een AOW-inbouw, de mogelijkheid tot vervroeging van de pensioeningangsdatum van 60 naar 50 jaar en de ruime kring van pensioengerechtigden. De rechtbank zal de op dit punt ingenomen stellingen van eiser hierna bespreken.
Leaving allowance
23. De rechtbank is van oordeel dat de leaving allowance geen reden vormt de pensioenregeling van [organisatie] als onzuiver aan te merken en verwijst in dit kader naar bovengenoemde uitspraken van gerechtshof Amsterdam (ECLI:NL:GHAMS:2022:1290 en ECLI:NL:GHAMS:2022:1291, rechtsoverweging 4.4.5), waarin zulks is geoordeeld. Naar het oordeel van de rechtbank moet de leaving allowance worden geduid als een compensatie voor vertrekkende medewerkers die gedurende hun dienstjaren nog geen recht op een ouderdomspensioen hebben opgebouwd, terwijl op hun salaris wel pensioenpremies zijn ingehouden. Aan deze compensatie moet binnen het geheel van het reglement niet een meer dan bijkomstige betekenis worden toegekend, zodat reeds daarom niet het oordeel is gerechtvaardigd dat de pensioenregeling van [organisatie] niet (nagenoeg) uitsluitend de verzorging van (gewezen) werknemers en hun nabestaanden bij invaliditeit en ouderdom ten doel heeft.
24. De stelling van eiser dat het ontbreken van een afkoopverbod de pensioenregeling onzuiver maakt, kan de rechtbank niet volgen. Eiser verwijst in dat verband naar Kamerstukken II 1998/99, 25020, nr. 6, p. 11, maar miskent dat hier de vraag voorligt of de gecoördineerde pensioenregeling per 31 december 1994 (on)zuiver was. Wetswijzigingen van na die datum zijn in dit verband niet relevant en de door eiser genoemde eis gold niet ten tijde van belang. De vergelijking die eiser maakt met ‘sectie V. Social security, C. Pensions’ van de Verenigde Naties, kan de rechtbank evenmin volgen nu die bepaling qua inhoud en strekking verschilt van het bepaalde in artikel 11 vanPro het pensioenreglement. De verwijzing hiernaar doet niet af aan de vaststelling dat de leaving allowance een niet meer dan bijkomstige betekenis heeft en de gecoördineerde pensioenregeling niet onzuiver maakt.
AOW-inbouw
25. Het ontbreken van AOW-inbouw in het reglement rechtvaardigt volgens de rechtbank niet de conclusie dat de gecoördineerde pensioenregeling (voor 1 januari 1995) onzuiver is. Medewerkers van [organisatie] bouwen immers geen rechten op een AOW-uitkering of een vergelijkbare basisoudedagsvoorziening op. Als in hun geval bij het bepalen van de pensioengrondslag het recht op een AOW-uitkering in aanmerking zou worden genomen, dan is het effect daarvan nihil (zie gerechtshof Amsterdam 5 april 2022, ECLI:NL:GHAMS:2022:1290 en ECLI:NL:GHAMS:2022:1291, rechtsoverweging 4.4.6). De door eiser (ook reeds bij het gerechtshof Amsterdam) overgelegde opinie van 3 oktober 2021 brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel.
Vervroeging van de pensioeningangsdatum
26. De rechtbank is van oordeel dat de flexibele pensioneringsdatum naar 50 jaar niet in betekenende mate afwijkt van de destijds (ultimo 1994) geldende maatschappelijke opvattingen. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.
27. Uitgangspunt in de gecoördineerde pensioenregeling is dat het pensioen ingaat op 60-jarige leeftijd (artikel 8 pensioenreglementPro). De keuze voor vervroegd pensioen betreft een individuele keuze. Als er wordt gekozen voor vervroegd pensioen wordt een actuariële korting volgens de tabel in artikel 8 toegepastPro. De mogelijkheid om met 50 jaar met pensioen te gaan tast naar het oordeel van de rechtbank de essentie van de pensioenregeling, namelijk verzorging bij ouderdom, niet aan.
28. Uit het arrest van de Hoge Raad van 2 december 1992, nr. 27 565, ECLI:HR:1992:ZC5184, volgt dat vóór 1 januari 1995 naar maatschappelijke opvattingen een pensioenleeftijd van 60 jaar aanvaardbaar was en dat voorts ingeval van bijzondere omstandigheden gelegen in de aard van de functie de pensioenleeftijd lager kon liggen.
Het is aannemelijk dat het werken voor een internationale organisatie een groot aanpassingsvermogen vraagt van haar werknemers. Zo zullen zij zich veelal moeten aanpassen aan een andere cultuur. In zoverre kon worden gesproken van bijzondere omstandigheden.
29. Bij de beoordeling van de toenmalige maatschappelijke aanvaardbaarheid van de mogelijkheid van vervroegd pensioen moet naar het oordeel van de rechtbank ook worden gekeken naar de internationale context waarin de gecoördineerde pensioenregeling tot stand is gekomen. Aannemelijk is dat de bandbreedtes van de pensioenleeftijd zijn afgestemd op de pensioenvoorwaarden van de landen die betrokken zijn geweest bij de totstandkoming van het reglement en dat het in de vertegenwoordigende landen niet ongebruikelijk was om op een (veel) lagere leeftijd dan 60 jaar met pensioen te gaan. Ook vanuit deze optiek is de mogelijkheid van vervroegd pensioen naar destijds geldende maatschappelijke opvattingen redelijk te noemen.
30. Nu de flexibele pensioneringsdatum naar 50 jaar niet in betekenende mate afwijkt van de destijds geldende maatschappelijke opvattingen, maakt dit de gecoördineerde pensioenregeling van [organisatie] niet onzuiver, ook niet in combinatie met de overige elementen van de gecoördineerde pensioenregeling.
Kring van pensioengerechtigden
31. Eiser stelt dat in het pensioenreglement de kring van pensioengerechtigden veel ruimer is dan destijds in Nederland gebruikelijk was omdat het wezenpensioen ook kan zien op “other dependents” en dus een ruime strekking heeft, ook buiten de familierechtelijke kring. Uit de gecoördineerde pensioenregeling maakt de rechtbank echter op dat dit ziet op uitzonderlijke gevallen. De rechtbank is van oordeel dat artikel 25 vanPro het pensioenreglement in samenhang met artikel 26 vanPro het pensioenreglement moet worden gezien. Artikel 26 bepaaltPro dat het wezenpensioen eindigt aan het eind van de maand waarin niet langer aanspraak bestaat op de “allowance for a dependent child or dependent person”. De aanspraak op die allowance is geregeld in de Staff Rules and Regulations. Zij bestaat voor kinderen en “other dependents” tot zij de leeftijd van 18 bereiken, dan wel 26 zolang zij een studie of beroepsopleiding volgen dan wel militaire dienstplicht vervullen. De kring van nagelaten betrekkingen zoals volgt uit het pensioenreglement, is daarmee niet groter dan destijds in Nederland gebruikelijk was. Ook in zoverre is geen sprake van een onzuivere pensioenregeling, ook niet in combinatie met de hiervoor besproken elementen.
Conclusie ten aanzien van de pensioenuitkeringen
32. De hiervoor besproken elementen brengen de rechtbank niet - ook niet in onderlinge samenhang bezien - tot het oordeel dat de gecoördineerde pensioenregeling onzuiver is. Gelet hierop zijn de pensioenuitkeringen terecht belast als loon, gelijk gerechtshof Amsterdam heeft geoordeeld in bovengenoemde uitspraken (rechtsoverwegingen 4.4.7-4.4.10). De aanslagen zijn in bezwaar op verzoek van eiser vastgesteld in overeenstemming met het Besluit. Voor zover eiser stelt dat een deel van de pensioenuitkeringen niet in box 1 mag worden belast en daarmee terugkomt op het verzoek om toepassing van het Besluit rust op hem de bewijslast. Eiser heeft echter geen informatie aangedragen over de opbouwfase van het pensioen en gesteld noch gebleken is dat afwijking van het Besluit leidt tot een lager belastbaar inkomen of een gunstigere uitkomst voor eiser.
33. Ten aanzien van de pensioenuitkeringen toerekenbaar aan de pensioenopbouw van 1995 tot en met 2000 (deel 2 van de pensioenuitkeringen) heeft eiser in zijn pleitnota nader het standpunt ingenomen dat de saldomethode als bedoeld in artikel 25, eerste lid, aanhef en onderdeel g, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, dient te worden toegepast, hetgeen kort gezegd betekent dat de pensioenuitkeringen belastbaar zijn als inkomen in box 1 zodra het bedrag van de uitkeringen de waarde van de geleverde tegenprestatie te boven gaat. Ten aanzien van de pensioenuitkeringen toerekenbaar aan de pensioenopbouw van vanaf 2001 (deel 3 van de pensioenuitkeringen) heeft eiser in zijn pleitnota nader het standpunt ingenomen dat deze moeten worden vrijgesteld van belastingheffing omdat er een interne heffing heeft plaatsgevonden over de pensioenaanspraken.
Ook op dit punt rust op eiser de bewijslast. Eiser heeft ook hier niet voldaan aan de op hem rustende bewijslast. Zonder nadere onderbouwing valt niet in te zien dat deze standpunten voor eiser leiden tot een gunstiger resultaat dan toepassing van het Besluit.
Immateriële schadevergoeding
34. Eiser heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Ter zitting zijn partijen het erover eens geworden dat verweerder aan eiser om die reden een vergoeding verschuldigd is van € 1.250. De rechtbank ziet geen reden om hiervan af te wijken en zal op dit punt in navolging van partijen beslissen.
Slotsom
35. Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard. Wel zal verweerder worden veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade van eiser.
Proceskosten en griffierecht
36. In de omstandigheid dat eiser een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in bezwaar wordt toegekend, vindt de rechtbank aanleiding om verweerder te veroordelen in de kosten van het geding. Bij de berekening van de vergoeding voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand neemt de rechtbank tot uitgangspunt dat i) een verzoek om schadevergoeding een proceshandeling is waaraan 1 punt wordt toegekend, en ii) op een dergelijk verzoek van toepassing is wegingsfactor 0,25 (zeer licht) zoals voorzien in de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht (vgl. HR 10 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1526). De door verweerder aan eiser te vergoeden proceskosten bedragen aldus € 233,50 (€ 0,25 maal € 934).
37. Zoals de Hoge Raad heeft geoordeeld in het arrest van 20 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:660, bestaat voor een vergoeding van de in bezwaar gemaakte kosten geen aanleiding nu de uitspraak op bezwaar volledig in stand is gebleven. Voor vergoeding van de in bezwaar gemaakte kosten is – na een daartoe in de bezwaarfase gedaan verzoek – alleen plaats voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens een aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid (artikel 7:15, lid 2, Awb). In deze procedure is niet aan deze voorwaarde voldaan.
38. Nu eiser na 31 mei 2024 heeft verzocht om vergoeding van de immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn zal het betaalde griffierecht niet worden vergoed (zie HR 31 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:567).
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt verweerder tot vergoeding van immateriële schade van eiser tot een bedrag van € 1.250, en
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 233,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.A. Fase, voorzitter, en mr. J. Snitker en mr. M.C. van As, leden, in aanwezigheid van mr. T. van Opzeeland, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 februari 2026.
griffier voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift per post verzonden op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer).
U kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2. het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de datum van verzending;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).