Uitspraak
RECHTBANK
1.Het procesverloop
2.De feiten
3.De standpunten
4.De beoordeling
5.De beslissing
en mr. A.K. Korteweg, leden van de wrakingskamer, in tegenwoordigheid van
Rechtbank Noord-Holland
Verzoeker heeft op 3 februari 2026 wraking verzocht tegen de rechtbank Noord-Holland en de behandelende rechter in een belastingverzetzaak. Het verzoek richt zich op vermeende partijdigheid vanwege de afwijzing van een uitstelverzoek en de voortzetting van de procedure ondanks een onvolledig procesdossier.
De wrakingskamer overweegt dat een wrakingsverzoek alleen kan worden gericht tegen de met de zaak belaste rechter en niet tegen de rechtbank als geheel. Daarom verklaart zij het verzoek voor zover het de hele rechtbank betreft niet-ontvankelijk. Voor zover het verzoek tegen de rechter is gericht, wordt het afgewezen omdat de afwijzing van het uitstelverzoek een procesbeslissing betreft die geen grond voor wraking vormt.
De wrakingskamer benadrukt dat de motivering van een procesbeslissing niet kan leiden tot wraking, tenzij sprake is van objectief vast te stellen vooringenomenheid, wat hier niet het geval is. Verzoeker wordt erop gewezen dat hij zijn klachten kan aanvoeren in de hoofdzaak of verzetszaak. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 februari 2026 door de wrakingskamer.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de rechtbank wordt niet-ontvankelijk verklaard en het wrakingsverzoek tegen de rechter wordt afgewezen.