Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2026:2276

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
5 maart 2026
Publicatiedatum
5 maart 2026
Zaaknummer
11789151 \ CV EXPL 25-2013
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:628 lid 1 BWArt. 7:628 lid 2 BWArt. 7:629 lid 1 BWArt. 7:629 lid 5 BWArt. 7:629 lid 11 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Loonvordering werknemer na herstel en beschikbaarstelling voor werk

De werknemer trad in 2017 in dienst als office manager en viel in november 2020 wegens ziekte uit. Het UWV kende haar in april 2024 een WIA-uitkering toe met ingang van maart 2024. De werknemer meldde zich per 1 maart 2025 hersteld en beschikbaar voor werk, maar de werkgever liet haar niet toe tot het werk en betaalde geen loon.

De werknemer vorderde loonbetaling vanaf 1 maart 2025 tot het vonnis, vermeerderd met wettelijke verhoging en rente. De werkgever erkende loonplicht maar stelde dat alleen 70% loon verschuldigd was en dat de WIA-uitkering in mindering moest worden gebracht.

De kantonrechter oordeelde dat het recht op 70% loon tijdens ziekte was geëindigd op 18 maart 2024 en dat de werknemer vanaf 1 maart 2025 volledig geschikt was. Omdat de werkgever de werknemer niet tot het werk toeliet en geen onderzoek deed, moest de werkgever het volledige loon betalen. De WIA-uitkering wordt vermoed met terugwerkende kracht ingetrokken. De loonbetaling wordt toegewezen tot 4 februari 2026 vanwege zwangerschapsuitkering. De wettelijke verhoging wordt gematigd tot 20% en de werkgever wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: Werkgever wordt veroordeeld tot betaling van volledig loon vanaf 1 maart 2025 tot 4 februari 2026 wegens niet-toelating werknemer tot werk na herstel.

Uitspraak

RECHTBANKNOORD-HOLLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Zaanstad
Zaaknummer: 11789151 \ CV EXPL 25-2013
Vonnis van 5 maart 2026
in de zaak van
[eiser],
te [plaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. J.F.R. Eisenberger,
tegen
[gedaagde],
te [plaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. J. van den Bosch.
De zaak in het kort
In deze zaak vordert een werknemer betaling van loon. De werknemer heeft zich na een periode van arbeidsongeschiktheid hersteld gemeld en beschikbaar gesteld voor werk bij de werkgever. De kantonrechter wijst de loonvordering toe, omdat het voor rekening van de werkgever komt dat de werknemer niet is toegelaten tot het werk.

1.De procedure

1.1.
[eiser] heeft met een dagvaarding van 18 juni 2025 een vordering tegen [gedaagde] ingesteld. [gedaagde] heeft schriftelijk geantwoord.
1.2.
Op 5 februari 2026 heeft een zitting plaatsgevonden. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht. Partijen hebben gebruik gemaakt van pleitaantekeningen, die zijn overgelegd. Voorafgaand aan de zitting heeft [gedaagde] op 2 februari 2026 nog stukken toegezonden.

2.De feiten

2.1.
[eiser] , geboren [geboortedatum] , is op 26 juni 2017 in dienst getreden bij [gedaagde] . De functie van [eiser] is office manager, met een loon van € 2.214,19 bruto per maand.
2.2.
[eiser] is op 6 november 2020 wegens ziekte uitgevallen voor haar werk.
2.3.
Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv) heeft in een beslissing van 4 april 2024 een WIA-uitkering toegekend aan [eiser] , op basis van een mate van arbeidsongeschiktheid van 39,19% en met ingang van 18 maart 2024. In de beslissing staat ook dat [eiser] normaal gesproken 104 weken na de eerste ziektedag een WIA-uitkering krijgt, maar dat in dit geval van een latere datum wordt uitgegaan, omdat de werkgever van [eiser] het loon tijdens ziekte tot 17 maart 2024 moest doorbetalen.
2.4.
[eiser] heeft in een e-mail van 26 februari 2025 aan [gedaagde] laten weten dat zij per 1 maart 2025 weer volledig beschikbaar is voor werk. In een e-mail aan [gedaagde] van 7 maart 2025 heeft de advocaat van [eiser] herhaald dat zij zich weer beschikbaar heeft gesteld en dat [gedaagde] in overweging wordt gegeven om [eiser] op te roepen voor de bedongen arbeid.
2.5.
In een e-mail van 16 april 2025 deelt [eiser] aan [gedaagde] mee dat zij aanspraak maakt op betaling van loon vanaf 1 maart 2025. In een e-mail van 29 april 2025 wijst [eiser] [gedaagde] er opnieuw op dat zij beschikbaar is voor werk en vraagt zij om een reactie.
2.6.
[gedaagde] heeft geen loon betaald na 1 maart 2025. [gedaagde] heeft [eiser] ook niet opgeroepen om te komen werken en heeft geen arbodienst, bedrijfsarts of arbeidsdeskundige ingeschakeld.
2.7.
Met een brief van 30 januari 2026 heeft het Uwv aan de huidige gemachtigde van [gedaagde] meegedeeld dat een ontslagaanvraag voor [eiser] in behandeling is genomen.

3.Het geschil

3.1.
[eiser] vordert dat [gedaagde] wordt veroordeeld tot betaling van
€ 2.214,19 bruto per maand aan loon vanaf 1 maart 2025 tot aan de datum van het vonnis in deze zaak. [eiser] vordert ook wettelijke verhoging en wettelijke rente. [eiser] legt aan haar vordering ten grondslag – kort weergegeven – dat zij hersteld is per 1 maart 2025 en zich beschikbaar heeft gesteld voor werkzaamheden, zodat zij op grond van artikel 7:628 lid 1 van Pro het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) recht heeft op loon.
3.2.
[gedaagde] erkent dat zij is gehouden tot betaling van het loon van [eiser] . Volgens [gedaagde] moet de vordering van [eiser] toch worden afgewezen, omdat – samengevat – [eiser] op grond van artikel 7:629 lid 1 BW Pro alleen aanspraak heeft op 70% van haar loon en daarop nog in mindering moet komen de WIA-uitkering die aan [eiser] wordt betaald. Dat betekent volgens [gedaagde] dat [eiser] slechts aanspraak heeft op een bedrag van in totaal € 2.813,15 bruto aan loon, en het daarmee overeenkomende nettobedrag van € 1.911,25 is rond 31 januari 2026 al aan [eiser] betaald. Daarbij wijst [gedaagde] erop dat de WIA-uitkering van [eiser] in ieder geval in mindering moet komen op het loon, op grond van artikel 7:628 lid 2 BW Pro dan wel artikel 7:629 lid 5 BW Pro. Daarnaast maakt [gedaagde] bezwaar tegen de gevorderde wettelijke verhoging.

4.De beoordeling

4.1.
Het gaat in deze zaak om de vraag of [gedaagde] moet worden veroordeeld tot betaling van € 2.214,19 bruto aan loon per maand, vanaf 1 maart 2025 tot aan de datum van het vonnis in deze zaak.
4.2.
De kantonrechter oordeelt dat de vordering van [eiser] grotendeels moet worden toegewezen. Dat oordeel wordt hierna uitgelegd.
4.3.
[gedaagde] heeft erkend dat zij gehouden is tot betaling van het loon aan [eiser] vanaf 1 maart 2025. Daaruit volgt dat [gedaagde] in beginsel ook verplicht is om vanaf 1 maart 2025 een bedrag van € 2.214,19 bruto aan loon per maand te betalen aan [eiser] .
4.4.
Het verweer van [gedaagde] dat [eiser] op grond van artikel 7:629 lid 1 BW Pro alleen aanspraak heeft op 70% van haar loon en niet op 100%, gaat niet op.
4.5.
Op grond van artikel 7:629 lid 1 BW Pro heeft een werknemer voor een tijdvak van 104 weken recht op 70% van het loon, indien hij de bedongen arbeid niet heeft verricht omdat hij in verband met ongeschiktheid ten gevolge van ziekte daartoe verhinderd was. Dat tijdvak van 104 weken wordt verlengd met een jaar als het Uwv een zogenoemde loonsanctie heeft opgelegd, en als werkgever en werknemer samen verzoeken om een verlenging van dat tijdvak. [1] In dit geval is sprake geweest van zowel een loonsanctie van het Uwv als van een verlenging op verzoek van partijen, waardoor het tijdvak als bedoeld in artikel 7:629 lid 1 BW Pro is verlengd tot 18 maart 2024.
4.6.
Het voorgaande betekent dat het tijdvak waarover [eiser] op grond van artikel 7:629 lid 1 BW Pro recht had op doorbetaling van loon tijdens ziekte, is geëindigd op 18 maart 2024. Dat betekent dat er na 18 maart 2024 geen recht meer kan zijn op doorbetaling van loon tijdens ziekte zoals bedoeld in artikel 7:629 lid 1 BW Pro. Dit artikel is na die datum dus niet meer van toepassing. Van een nieuwe ziekmelding nadien is geen sprake (geweest).
4.7.
Anders dan [gedaagde] stelt, kan dus niet worden geoordeeld dat [eiser] per 1 maart 2025 op grond van artikel 7:629 lid 1 BW Pro alleen aanspraak heeft op 70% van haar loon, omdat dit artikel op en na die datum niet meer van toepassing was.
4.8.
Overigens constateert de kantonrechter dat er ook geen reden is om te oordelen dat [eiser] per 1 maart 2025 nog wegens ziekte verhinderd was om de bedongen arbeid, te weten haar functie als office manager, te verrichten. [eiser] heeft zich hersteld gemeld en toegelicht dat haar medische klachten niet meer aanwezig zijn. [gedaagde] heeft naar aanleiding van die hersteldmelding geen onderzoek door een bedrijfsarts laten doen. Op de zitting heeft [gedaagde] verklaard dat zij onlangs toch nog haar bedrijfsarts heeft geraadpleegd, maar dat de bedrijfsarts heeft opgemerkt dat moet worden uitgegaan van de hersteldmelding door [eiser] en dat het geen zin heeft om daarnaar nog nader medisch onderzoek te doen. Er zijn voor het overige geen gegevens of stukken waaruit kan worden afgeleid dat [eiser] nog wegens ziekte verhinderd is om te werken.
4.9.
Gelet op het voorgaande neemt de kantonrechter dus als vaststaand aan dat [eiser] op en na 1 maart 2025 niet meer wegens ziekte ongeschikt was voor haar eigen werk of andere (passende) werkzaamheden. Daaraan doet niet af dat [eiser] op en na 1 maart 2025 een WIA-uitkering heeft ontvangen, ook omdat voldoende aannemelijk is dat die uitkering met terugwerkende kracht zal worden ingetrokken, zoals hierna nog zal worden besproken.
4.10.
De vraag of [eiser] aanspraak heeft op loon moet dus niet worden beoordeeld aan de hand van artikel 7:629 lid 1 BW Pro, maar op basis van artikel 7:628 lid 1 BW Pro.
4.11.
Volgens artikel 7:628 lid 1 BW Pro is de werkgever verplicht het loon te betalen als de werknemer de overeengekomen arbeid geheel of gedeeltelijk niet heeft verricht, tenzij het geheel of gedeeltelijk niet verrichten van de overeengekomen arbeid in redelijkheid voor rekening van de werknemer behoort te komen.
4.12.
Uit rechtspraak over artikel 7:628 lid 1 BW Pro volgt dat het in redelijkheid voor rekening van de werkgever behoort te komen als een werkgever weigert om een werknemer toe te laten tot het werk, indien die werknemer zichzelf niet (meer) ongeschikt acht om het eigen werk te verrichten, zich daartoe bereid heeft verklaard en (achteraf) blijkt inderdaad niet ongeschikt te zijn geweest voor het eigen werk. [2] Deze regel geldt ook als een werknemer zijn visie op zijn geschiktheid om de werkzaamheden te hervatten op geen enkele wijze medisch heeft onderbouwd. Het komt eveneens voor rekening van een werkgever als een werknemer zich bereid heeft verklaard andere passende arbeid te verrichten en de werkgever heeft nagelaten zo spoedig als redelijkerwijs mogelijk is te onderzoeken of andere passende arbeid voorhanden is en daarover duidelijkheid te verschaffen aan de werknemer. [3]
4.13.
Vast staat dat [eiser] op 26 februari 2025 en nadien bij herhaling heeft laten weten dat zij per 1 maart 2025 hersteld is voor haar eigen werk, zich beschikbaar heeft gesteld om te werken en aanspraak heeft gemaakt op betaling van loon. Ook staat vast dat [gedaagde] vervolgens geen enkel onderzoek heeft gedaan of laten doen naar de mogelijkheid van werkhervatting en [eiser] niet heeft toegelaten tot het werk.
4.14.
Gelet op het voorgaande komt het voor rekening van [gedaagde] dat [eiser] sinds 1 maart 2025 geen werkzaamheden meer heeft verricht. Immers, [eiser] heeft zich hersteld gemeld en beschikbaar gesteld, [eiser] blijkt niet ongeschikt te zijn geweest voor het eigen werk, en [gedaagde] heeft [eiser] zonder nader onderzoek niet toegelaten tot het werk.
4.15.
[gedaagde] moet daarom loon betalen op grond van artikel 7:628 lid 1 BW Pro. Het gaat daarbij om volledige loonbetaling, omdat [eiser] zich ook volledig geschikt en beschikbaar heeft gemeld. [eiser] heeft dus recht op een bedrag aan loon van
€ 2.214,19 bruto per maand vanaf 1 maart 2025.
4.16.
[gedaagde] stelt dat op de loonbetaling de WIA-uitkering in mindering moet komen die aan [eiser] wordt betaald. Die stelling treft geen doel, om de volgende reden.
4.17.
Volgens artikel 7:628 lid 2 BW Pro wordt het loon verminderd met het bedrag van een geldelijke uitkering die de werknemer krachtens onder meer een wettelijk voorgeschreven verzekering toekomt.
4.18.
Aan [eiser] is een WIA-uitkering toegekend met ingang van 18 maart 2024. Die WIA-uitkering bedraagt vanaf 18 maart 2024 per maand € 2.158,08 bruto en vanaf 18 oktober 2025 € 628,79 bruto. Een WIA-uitkering is een uitkering krachtens een wettelijke verzekering als bedoeld in artikel 7:628 lid 2 BW Pro. De WIA-uitkering moet dus in beginsel in mindering komen op het loon van [eiser] .
4.19.
Echter, [eiser] heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat haar geen WIA-uitkering toekomt per 1 maart 2025 en dat de toegekende WIA-uitkering met terugwerkende kracht zal worden ingetrokken of verlaagd naar nihil. Immers, vast staat dat [eiser] vanaf 1 maart 2025 volledig hersteld en geschikt is om haar eigen werkzaamheden te verrichten en dat zij met ingang van die datum recht heeft op betaling van haar volledige loon, als gevolg van dit vonnis. [eiser] stelt terecht dat haar in een dergelijk geval geen WIA-uitkering meer toekomt, omdat zij niet arbeidsongeschikt is en niet wordt voldaan aan de voorwaarde voor het recht op een WIA-uitkering. [4] [eiser] kan daarom worden gevolgd in haar standpunt dat ervan moet worden uitgegaan dat de toegekende WIA-uitkering met terugwerkende kracht zal worden ingetrokken of verlaagd tot nihil en zal worden teruggevorderd, en dat redelijkerwijs te verwachten is dat het Uwv een besluit met die strekking zal (moeten) nemen. [5] [gedaagde] heeft deze stelling en dit standpunt van [eiser] onvoldoende betwist en niet weerlegd.
4.20.
Hierbij weegt mee dat [eiser] op de zitting op haar mobiele telefoon een bericht heeft getoond van het Uwv, waaruit blijkt dat zij in april 2025 met het Uwv heeft besproken dat zij zich hersteld heeft gemeld en aanspraak maakt op loon. Uit dat bericht blijkt ook dat het Uwv aan [eiser] laat weten dat zij het Uwv op de hoogte moet houden van haar loonclaim en dat dit gevolgen kan hebben voor haar WIA-uitkering. Daarmee is temeer aannemelijk dat aan [eiser] geen WIA-uitkering toekomt en dat deze uitkering zal worden ingetrokken of verlaagd tot nihil.
4.21.
De kantonrechter komt daarom tot de conclusie dat moet worden aangenomen dat aan [eiser] geen WIA-uitkering toekomt, zoals bedoeld in artikel 7:628 lid 2 BW Pro. Er is dus geen grondslag om die uitkering in mindering te brengen op het loon. Voor zover op enig moment komt vast te staan dat het Uwv ondanks de toewijzing van de loonvordering in dit vonnis niettemin besluit om de WIA-uitkering op en na 1 maart 2025 voort te zetten en niet terug te vorderen, moet die uitkering alsnog in mindering komen op het loon, maar van een dergelijke situatie is nu geen sprake.
4.22.
De kantonrechter komt daarom tot de conclusie dat [gedaagde] moet worden veroordeeld tot betaling van € 2.214,19 bruto aan loon per maand, vanaf 1 maart 2025.
4.23.
[eiser] heeft gevorderd dat [gedaagde] wordt veroordeeld tot betaling van loon tot aan de datum van het vonnis in deze zaak, dus tot 5 maart 2026. Echter, op de zitting heeft [eiser] erkend dat zij met ingang van 4 februari 2026 een zwangerschapsuitkering ontvangt van het Uwv, ter hoogte van haar volledige loon, en dat die uitkering wel in mindering moet komen op het loon. Niet in geschil is dat dit betekent dat [gedaagde] vanaf 4 februari 2026 en over de periode tot 5 maart 2026 geen loon hoeft te betalen. De veroordeling tot loonbetaling zal daarom worden beperkt tot 4 februari 2026.
4.24.
De gevorderde wettelijke verhoging wordt gematigd tot 20%. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat [gedaagde] via haar gemachtigde wel heeft gereageerd op de beschikbaarstelling door [eiser] , in die zin dat voorstellen zijn gedaan om te komen tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst, en dat [eiser] op en na 1 maart 2025 vervangende inkomsten heeft gehad, omdat zij een WIA-uitkering heeft ontvangen. De verwijzing door [eiser] naar een eerder vonnis van de kantonrechter in een andere zaak tussen partijen, waarin de wettelijke verhoging niet is gematigd, leidt niet tot een ander oordeel. In die zaak ging om een ander geschil, over de betaling van loon over vakantiedagen.
4.25.
De gevorderde wettelijke rente is toewijsbaar, omdat [gedaagde] te laat betaalt en in verzuim is vanaf 1 maart 2025.
4.26.
[gedaagde] krijgt ongelijk en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Omdat [eiser] heeft geprocedeerd op basis van een toevoeging, zal [gedaagde] niet worden veroordeeld tot betaling van de explootkosten en betekeningskosten
.De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- griffierecht
90,00
- salaris gemachtigde
434,00
(2 punten × € 217,00)
- nakosten
144,00
Totaal
668,00

5.De beslissing

De kantonrechter:
5.1.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiser] van € 2.214,19 bruto aan loon per maand, vanaf 1 maart 2025 en tot 4 februari 2026, te vermeerderen met de wettelijke verhoging met een maximum van 20% en te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 maart 2025 tot de dag van volledige betaling;
5.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 668,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe;
5.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad. [6]
Dit vonnis is gewezen door mr. P.J. Jansen en in het openbaar uitgesproken op 5 maart 2026.

Voetnoten

1.Artikel 7:629 lid 11 BW Pro.
2.Zie de uitspraak van de Hoge Raad van 6 april 2001, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl met nummer ECLI:NL:HR:2001:AB0904 (
3.Zie de uitspraak van de Hoge Raad van 17 januari 2003, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl met nummer ECLI:NL:HR:2003:AF0175 (
4.Zie o.a. artikel 5 van Pro de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (hierna: Wet WIA).
5.Zie artikel 56, 76 en 77 Wet WIA.
6.Uitvoerbaar bij voorraad betekent dat de veroordelingen in het vonnis uitgevoerd moeten worden, ook als eventueel in hoger beroep wordt gegaan.