ECLI:NL:RBNHO:2026:2362

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
10 maart 2026
Publicatiedatum
9 maart 2026
Zaaknummer
15/372523-24 en 15/009242-25 (gev ttz) (P)
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 197 SrArt. 66a Vreemdelingenwet 2000Art. 67 Vreemdelingenwet 2000Art. 313 SvArt. 138b Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak mishandeling en verkrachting, veroordeling verblijf ondanks inreisverbod

De rechtbank Noord-Holland heeft verdachte vrijgesproken van de ten laste gelegde mishandeling en opzet- dan wel schuldverkrachting wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs. De verklaringen van de aangeefster werden niet voldoende ondersteund door objectief bewijs zoals letselrapportages en getuigenverklaringen.

Wel werd bewezen verklaard dat verdachte als vreemdeling in Nederland verbleef terwijl hij wist dat tegen hem een inreisverbod was uitgevaardigd op grond van artikel 66a, zevende lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Dit verblijf vond plaats in de periode van 15 tot en met 18 september 2023. Verdachte had bezwaar gemaakt tegen het inreisverbod en mocht de beslissing op bezwaar in Nederland afwachten, waardoor het verblijf na 19 september 2023 niet onrechtmatig werd geacht.

De rechtbank legde een gevangenisstraf van twee maanden op, rekening houdend met de ernst van het feit, de persoon van verdachte en de doorlopen stappen van de terugkeerrichtlijn. De vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding werd afgewezen wegens het ontbreken van bewezenverklaring van mishandeling en verkrachting. Verdachte en benadeelde partij dragen ieder hun eigen proceskosten.

Uitkomst: Verdachte vrijgesproken van mishandeling en verkrachting, veroordeeld tot 2 maanden gevangenisstraf voor verblijf ondanks inreisverbod.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Team Straf, zittingsplaats Haarlem
Meervoudige strafkamer
Parketnummers: 15/372523-24 en 15/009242-25 (gev ttz) (P)
Uitspraakdatum: 10 maart 2026
Tegenspraak
verkort strafvonnis(art. 138b Sv)
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 24 februari 2026 in de zaak tegen:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1991 te [geboorteplaats] ,
zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande,
thans gedetineerd in [PI] .
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie,
mr. C.J. Booij en van wat de verdachte en zijn raadslieden, mr. P.P.J. van der Meij en mr. N.M. Delsing, advocaten te Amsterdam, naar voren hebben gebracht.

1.Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd wat in de dagvaardingen met de parketnummers 15/372523-24 en 15/009242-25 is omschreven. De rechtbank heeft op de terechtzitting van 3 maart 2025 de voeging bevolen van deze bij afzonderlijke dagvaardingen aangebrachte zaken en heeft de in deze dagvaardingen opgenomen feiten ten behoeve van de leesbaarheid van doorlopende nummers voorzien.
Aan de verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging als bedoeld in artikel 313 van Pro het Wetboek van Strafvordering in de zaak met parketnummer 15/372523-24, ten laste gelegd dat:
(Parketnummer 15/372523-24)feit 1hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 16 november 2024 tot en met 21 november 2024 te Oosterblokker, gemeente Drechterland, althans in Nederland [slachtoffer] heeft mishandeld door
- op/tegen het lichaam van die [slachtoffer] te spugen en/of
- (een) bord(en) en/of mobiele telefoon(s), althans (een) hard(e) voorwerp(en), tegen die [slachtoffer] te gooien en/of
- een scherp voorwerp tegen de keel van die [slachtoffer] te houden en/of
- die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, tegen het lichaam te slaan en/of
- die [slachtoffer] van de trap te trekken en/of
- die [slachtoffer] bij de arm(en) vast te pakken en/of
- die [slachtoffer] tegen het lichaam te schoppen en/of
- (in) de keel van die [slachtoffer] (dicht) te knijpen;
feit 2hij in de periode van 15 september 2023 tot en met 21 november 2024 te Oosterblokker, althans in Nederland, als vreemdeling heeft verbleven, terwijl hij wist of ernstige reden had te vermoeden dat hij op grond van een wettelijk voorschrift, te weten artikel 67 van Pro de Vreemdelingenwet 2000, tot ongewenst vreemdeling was verklaard of terwijl hij wist of ernstige reden had te vermoeden dat tegen hem een inreisverbod was uitgevaardigd met toepassing van artikel 66a, zevende lid, van de Vreemdelingenwet 2000;
(Parketnummer 15/009242-25)feit 3hij op of omstreeks 31 oktober 2024 te Oosterblokker, gemeente Drechterland, althans in Nederland, met een persoon, te weten [slachtoffer] een of meer seksuele handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten het een en/of meermalen:
- betasten van de vagina en/of clitoris van die [slachtoffer] en/of
- likken van de vagina van die [slachtoffer] en/of
- stoppen van zijn, verdachtes, tong tussen de schaamlippen en/of in de vagina van die [slachtoffer] en/of
- stoppen van zijn, verdachtes, vinger(s) tussen de schaamlippen en/of in de vagina van die [slachtoffer] en/of vingeren van die [slachtoffer] ;
terwijl hij, verdachte, wist, althans ernstige reden had om te vermoeden, dat bij die [slachtoffer] daartoe de wil ontbrak en welke opzetverkrachting werd voorafgaan door, vergezeld van en/of gevolgd door dwang, geweld en/of bedreiging, door
- het (heimelijk) toedienen aan en/of inspuiten bij die [slachtoffer] en/of die [slachtoffer] aanzetten tot het (in)nemen/spuiten van (hard)drugs en/of (een)(andere) bedwelmende stof(fen) en/of
- het (op dwingende toon) instrueren van die [slachtoffer] welke seksuele handelingen zij (al dan niet bij zichzelf) moet verrichten, wat zij moet doen of zeggen en/of
- het aannemen van een agressieve houding waartegen die [slachtoffer] geen weerstand kon bieden en/of
- het spugen in/op het gezicht en/of op/tegen het lichaam van die [slachtoffer] en/of
- het een of meermalen in/ het gezicht en/of tegen het lichaam slaan van die [slachtoffer] en/of
- het vastpakken van de keel van die [slachtoffer] en/of
- het filmen van de (gedeeltelijk) ontklede [slachtoffer] en/of het filmen van de seksuele handelingen die zij bij verdachte en/of zichzelf moet verrichten en het filmen van de seksuele handelingen die hij, verdachte, bij die [slachtoffer] verricht en/of
- het (aldus) misbruik maken van de kwetsbare positie waarin die [slachtoffer] zich bevond, doordat hij, verdachte fysiek en/of emotioneel overwicht had op die [slachtoffer] en aldus een voor die [slachtoffer] een ongelijkwaardige en/of bedreigende situatie heeft doen ontstaan waaraan of waardoor die [slachtoffer] zich niet kon verzetten tegen eerdergenoemde seksuele handelingen.

2.Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaardingen geldig zijn, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3.Standpunten van partijen

3.1
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot vrijspraak van feit 3 en tot bewezenverklaring van de feiten 1 en 2. Op het standpunt van de officier van justitie zal hierna, voor zover van belang, nader worden ingegaan.
3.2
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft bepleit dat de verdachte moet worden vrijgesproken van de ten laste gelegde feiten. Op het verweer van de verdediging zal hierna, voor zover van belang, nader worden ingegaan.
3.3
Oordeel van de rechtbank
3.3.1
Vrijspraak Feit 1
Naar het oordeel van de rechtbank is niet wettig en overtuigend bewezen wat aan de verdachte in feit 1 ten laste is gelegd, zodat hij daarvan moet worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
Het dossier bevat als mogelijk bewijs voor de ten laste gelegde mishandeling de verklaringen van de aangeefster, een letselrapportage, een proces-verbaal van bevindingen inhoudende een verklaring van een getuige waar de aangeefster op 22 november 2024 bij in de auto heeft gezeten en de bevindingen van de verbalisanten tijdens het onderzoek in de woning van de aangeefster. De aangeefster heeft – kort gezegd – verklaard dat zij in de ten laste gelegde periode door de verdachte werd gedrogeerd met medicijnen of drugs. Zij heeft aangegeven dat zij daardoor zweverig in haar hoofd en in de war is geweest. Zij heeft voorts verklaard dat zij onder invloed van drugs was toen zij op 21 november 2024 aangifte van mishandeling tegen de verdachte deed. Dit alles maakt dat de rechtbank in zeer grote mate behoedzaam moet omgaan bij het gebruik van de verklaringen van de aangeefster voor het bewijs van het onder feit 1 ten laste gelegde. Dit brengt voorts mee dat hoge eisen gesteld worden aan het (objectieve) steunbewijs om tot een bewezenverklaring van de ten laste gelegde mishandeling te kunnen komen.
Als mogelijk objectief steunbewijs voor de verklaringen van de aangeefster bevat het dossier een letselrapportage Forensische Geneeskunde. Tijdens het letselonderzoek van de aangeefster op 22 november 2024 zijn er bloeduitstortingen aan de linker bovenarm en het linker onderbeen bij haar vastgesteld. Volgens de forensisch arts past de gemelde toedracht, inhoudende dat zij in de daaraan voorafgegane weken door de verdachte is geslagen en geschopt, goed bij het letsel.
Aan deze letselrapportage kleven naar het oordeel van de rechtbank echter gebreken die beletten om die rapportage als ondersteunend bewijs te gebruiken. Daarbij is van belang dat uit de rapportage weliswaar blijkt dat het letsel passend zou kunnen zijn bij het gemelde tijdsinterval, zoals hiervoor aangegeven, maar dat er in algemene zin geen goede uitspraak is te doen over de ouderdom van bloeduitstortingen. Dit maakt dat de rechtbank niet zonder meer een relatie tussen de ten laste gelegde mishandeling en het letsel van de aangeefster kan vaststellen. Bovendien hebben de vader van de aangeefster en de verdachte verklaard dat de aangeefster met haar zoon heeft gevochten. Dit laat de mogelijkheid open dat de bloeduitstortingen door een ander dan de verdachte zijn toegebracht. Naar het oordeel van de rechtbank kan de letselrapportage daarom geen steun bieden aan de verklaringen van de aangeefster.
De rechtbank is verder van oordeel dat de verklaring van de getuige waar aangeefster op 22 november 2024 bij in de auto heeft gezeten, evenmin kan dienen als ondersteuning van de door de aangeefster afgelegde verklaringen. Deze getuige heeft tegen de politie verklaard dat de aangeefster wat blauwe plekken in haar gezicht leek te hebben. Het dossier bevat echter geen objectieve aanknopingspunten die deze mogelijke waarneming kunnen bevestigen. De getuige heeft voorts verklaard dat de aangeefster ineengedoken en trillend op de grond zat, waaruit de getuige opmaakte dat ze erg in paniek en in shock was. De rechtbank kan echter niet uitsluiten dat deze gemoedstoestand van de aangeefster verklaard kan worden doordat zij op dat moment onder invloed van drugs was. Daar komt bij dat de aangeefster tegen de getuige geen reden voor haar paniek heeft opgegeven en ook niet heeft gezegd dat zij op dat moment op de vlucht was voor de verdachte.
Verder bevat het dossier de bevindingen van verbalisanten die hebben waargenomen dat door de gehele woonkamer van de aangeefster scherven lagen en kapotte telefoons. De aangeefster heeft verklaard dat deze scherven het gevolg zijn van het feit dat de verdachte servies tegen haar heeft gegooid. De verdachte heeft verklaard dat het klopt dat hij borden en telefoons heeft stuk gegooid. Hij heeft ontkend dat hij het servies tegen de aangeefster heeft gegooid. De rechtbank is van oordeel dat het bij de aangeefster geconstateerde letsel niet past bij het scenario waarin er servies tegen haar lichaam is gegooid. Ook de bevindingen omtrent de op de grond van de woonkamer aangetroffen scherven kunnen daarom geen steun bieden aan de verklaringen van de aangeefster.
Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot het oordeel dat de verklaringen van de aangeefster onvoldoende worden ondersteund door andere bewijsmiddelen. De rechtbank is daarom van oordeel dat de verdachte moet worden vrijgesproken van de ten laste gelegde mishandeling.
3.3.2
Vrijspraak Feit 3
De rechtbank is, zoals door de officier van justitie gevorderd en door de verdediging bepleit, van oordeel dat de verklaringen van de aangeefster, inhoudende dat de verdachte haar heeft verkracht, onvoldoende door andere bewijsmiddelen worden ondersteund. De verdachte moet daarom worden vrijgesproken van de onder 3 ten laste gelegde opzet- dan wel schuldverkrachting.
3.3.3
Redengevende feiten en omstandigheden
De rechtbank grondt de beslissing dat de verdachte het in feit 2 bewezen verklaarde heeft begaan, op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn opgenomen.
De bewijsmiddelen zullen worden uitgewerkt in die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis vereist en zullen dan in een aan dit vonnis te hechten aanvulling worden opgenomen.
3.3.4
Bewijsmotivering ten aanzien van feit 2
Anders dan de verdediging heeft betoogd, is de rechtbank van oordeel dat de verdachte wist dat hem een inreisverbod was opgelegd. De rechtbank komt tot deze conclusie op grond van het volgende.
Bij beschikking van 20 november 2020 is de aan de verdachte verleende verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd met terugwerkende kracht ingetrokken per 8 februari 2014 en is hem met toepassing van artikel 66a, zevende lid, van de Vreemdelingenwet 2000 een inreisverbod voor de duur van tien jaren opgelegd. Dit besluit, zo staat in de beschikking vermeld, moet tevens aangemerkt worden als een terugkeerbesluit. Deze beschikking werd aan de verdacht aangetekend toegezonden op 20 november 2020 aan het laatst bekende adres van de verdachte. In de Staatscourant is daarvan mededeling gedaan op 20 november 2020.
Namens de verdachte is beroep ingesteld tegen de beschikking waarbij hem het inreisverbod is opgelegd. De rechtbank heeft het beroep op de zitting van 18 januari 2022 behandeld in aanwezigheid van de verdachte met zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het beroep op 23 maart 2022 ongegrond verklaard.
Tegen die uitspraak is hoger beroep ingesteld. Het hoger beroep is op 16 mei 2022 door de Raad van State ongegrond verklaard.
Op 7 juni 2022 is er door de ouders van de verdachte een brief naar de Koning gestuurd, waarop de Koning heeft gereageerd dat hij niets voor de verdachte kan betekenen.
Gelet op de hiervoor genoemde omstandigheden – in onderling verband en samenhang bezien – acht de rechtbank bewezen dat de verdachte op 15 september 2023, het begin van de ten laste gelegde periode, wist dat hem een inreisverbod was opgelegd.
Op 19 september 2023 heeft de verdachte een aanvraag ingediend om de afgifte van een document waaruit blijkt dat hij een afgeleid verblijfsrecht heeft op grond van artikel 20 van Pro het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie en het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 10 mei 2017 inzake Chavez-Vilchez e.a. [1] Bij beschikking van 6 december 2023 is deze aanvraag afgewezen. Op 29 december 2023 heeft de verdachte tegen deze beschikking bezwaar gemaakt. Aan de verdachte is toegestaan dat hij de beslissing op het bezwaar in Nederland kon afwachten. Bij beschikking van 26 juni 2024 is het bezwaar ongegrond verklaard.
Op grond van de stukken in het dossier kan de rechtbank niet vaststellen of het aan de verdachte opgelegde inreisverbod op het moment waarop hij de aanvraag van 19 september 2023 indiende, nog onverkort van kracht was. De rechtbank betrekt hierbij de omstandigheid dat de verdachte de beslissing op het door hem gemaakte bezwaar in Nederland mocht afwachten. Dat maakt dat de rechtbank niet kan vaststellen dat het verblijf van de verdachte in Nederland vanaf 19 september 2023 onrechtmatig was. Het dossier bevat geen bewijs dat de beslissing op bezwaar van 26 juni 2024 aan de verdachte is toegezonden en hij van die beslissing op de hoogte is geraakt of heeft kunnen raken. Dit brengt met zich dat de rechtbank de verdachte zal vrijspreken van het onder 2 ten last gelegde voorzover het de periode van 19 september 2023 tot en met 21 november 2024 betreft.
Uit het voorgaande volgt dat de verdachte in de periode van 15 september 2023 tot en met 18 september 2023 wist dat tegen hem een inreisverbod was uitgevaardigd en dat hij in weerwil van dat verbod in Nederland heeft verbleven. De rechtbank acht het onder 2 ten laste gelegde feit daarom bewezen voor zover het de periode van 15 tot en met 18 september 2023 betreft.
3.4
Bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat
hij in de periode van 15 september 2023 tot en met 18 september 2023 in Nederland, als vreemdeling heeft verbleven, terwijl hij wist dat tegen hem een inreisverbod was uitgevaardigd met toepassing van artikel 66a, zevende lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4.Kwalificatie en strafbaarheid van het feit

Het bewezen verklaarde levert op:
als vreemdeling in Nederland verblijven, terwijl hij weet of ernstige reden heeft te vermoeden, dat tegen hem een inreisverbod is uitgevaardigd met toepassing van artikel 66a, zevende lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezen verklaarde zou ontbreken. Het bewezen verklaarde is daarom strafbaar.

5.Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is daarom strafbaar.

6.Motivering van de sanctie

6.1
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte voor de feiten 1 en 2 gezamenlijk zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht maanden met aftrek van het voorarrest. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd om op grond van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht (Sr) aan de verdachte een contactverbod met de aangeefster en een locatieverbod voor [plaats] op te leggen voor de duur van vijf jaren. Aan elke overtreding hiervan verzoekt de officier van justitie twee weken hechtenis te koppelen met een maximum van zes maanden. Ook heeft hij verzocht de verboden dadelijk uitvoerbaar te verklaren.
6.2
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft gewezen op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en de impact op de verdachte van de negatieve media-aandacht die er is geweest voor deze zaak. De raadsman heeft verzocht om een lagere straf op te leggen dan door de officier van justitie is gevorderd en de voorlopige hechtenis op te heffen. De verdediging kan zich vinden in het gevorderde contactverbod, maar heeft zich verzet tegen oplegging van een locatieverbod.
6.3
Oordeel van de rechtbank
Bij de beslissing over de sanctie die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. Voorts komt de rechtbank tot een andere bewezenverklaring dan de officier van justitie.
Ernst van het feit
De verdachte heeft gedurende enkele dagen in Nederland verbleven, terwijl hij wist dat hem een inreisverbod was opgelegd. Hij heeft zich daarmee niets aangetrokken van een door het bevoegd gezag genomen besluit. Bovendien druist zijn handelen in tegen het belang dat de samenleving heeft bij het respecteren en naleven van dit besluit.
Persoon van de verdachte
Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op het op naam van de verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie, gedateerd 17 november 2025, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor eenzelfde overtreding van 197 Sr is veroordeeld.
Verder heeft de rechtbank kennis genomen van het over de verdachte uitgebrachte reclasseringsrapport van 18 december 2024.
Op te leggen straf
Gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde acht de rechtbank oplegging van een gevangenisstraf gerechtvaardigd. De rechtbank heeft bij het bepalen van de hoogte van de straf rekening gehouden met de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht en gekeken naar straffen die in vergelijkbare zaken zijn opgelegd.
Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf van twee maanden moet worden opgelegd.
Naar vaste jurisprudentie moet de rechter die een derdelander een onvoorwaardelijke gevangenisstraf oplegt wegens handelen in strijd met artikel 197 Sr Pro, zich ervan vergewissen dat de stappen van de in de Terugkeerrichtlijn vastgelegde terugkeerprocedure zijn doorlopen en daarvan in de motivering van zijn beslissing blijk geven (zie o.a. HR 20 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:242).
Met betrekking tot de door de Terugkeerrichtlijn voorgeschreven stappen stelt de rechtbank het volgende vast. De verdachte heeft de Iraakse nationaliteit. Bij beschikking van 20 november 2020 is vastgesteld dat de verdachte geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft en zijn jegens hem een terugkeerbesluit en een inreisverbod uitgevaardigd. Na meerdere uitnodigingen voor een vertrekgesprek heeft dit gesprek op 20 december 2023 met de verdachte plaatsgevonden. In dat gesprek heeft de verdachte verklaard dat hij geen medewerking gaat verlenen aan zijn vertrek uit Nederland, hetgeen hij ter zitting nogmaals heeft bevestigd.
Daarnaast heeft de Dienst Terugkeer en Vertrek (DT&V) contact gehad met de Consul van Irak. Op 7 januari 2025 is de verdachte in het huis van bewaring bezocht door de Consul van Irak. Tijdens dit bezoek heeft de verdachte eveneens aangegeven niet te willen terugkeren naar Irak en dat hij niet aan terugkeer zal meewerken. In overleg met de Iraakse autoriteiten en de DT&V is bekeken of de verdachte een reisdocument zou verkrijgen voor uitzetting in Nederland.
Naar het oordeel van de rechtbank zijn door de Nederlandse autoriteiten de inspanningen geleverd die redelijkerwijs van hen kunnen worden gevergd, om de verdachte – wiens identiteit en nationaliteit niet ter discussie staan – te doen vertrekken naar een in artikel 3, derde lid, van de Terugkeerrichtlijn bedoeld land. Op dit moment zijn er – voor zover de rechtbank bekend – geen lopende laissez-passer-aanvragen of andere openstaande vertrekprocedures aanhangig. Bij die stand van zaken staat het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf aan de verdachte niet in de weg aan de verwezenlijking van de met de terugkeerrichtlijn nagestreefde doelstelling.
Omdat de verdachte wordt vrijgesproken van de onder 1 en 3 ten laste gelegde feiten zal de rechtbank geen contact- en locatieverbod aan de verdachte opleggen, zoals door de officier van justitie is gevorderd.

7.Vordering benadeelde partij

De benadeelde partij [slachtoffer] heeft een vordering tot schadevergoeding van
€ 26.134,77 ingediend tegen de verdachte wegens materiële (€ 11.134,77) en immateriële
(€ 15.000,-) schade die zij als gevolg van de onder 1 en 3 ten laste gelegde feiten zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag.
De rechtbank is van oordeel dat de benadeelde partij niet in de vordering kan worden ontvangen omdat niet wettig en overtuigend is bewezen wat aan de verdachte onder feiten 1 en 3 is ten laste gelegd.
De rechtbank zal voorts bepalen dat de verdachte en de benadeelde partij [slachtoffer] ieder de eigen proceskosten zullen dragen.

8.Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het volgende wetsartikel is van toepassing:
197 Sr.

9.Beslissing

De rechtbank:
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte onder feiten 1 en 3 is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.
Verklaart bewezen dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven.
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.
Bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert.
Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van
2 (twee) maanden.
Bepaalt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Verklaart de benadeelde partij
[slachtoffer]niet-ontvankelijk in de vordering.
Bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer] en de verdachte ieder de eigen proceskosten dragen.
Het bevel tot voorlopige hechtenis is door de rechtbank bij beslissing van 25 februari 2026 opgeheven, welke beslissing afzonderlijk is geminuteerd.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door
mr. G.D. Kleijne, voorzitter,
mr. M.E. Francke en mr. H.H.E. Boomgaart, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffier mr. J. Dommershuijzen,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 10 maart 2026.

Voetnoten

1.ECLI:EU:C:2017:354