Uitspraak
1.Geding in cassatie
3.Beoordeling van het eerste en het derde middel
4.Beslissing
20 februari 2018.
Hoge Raad
De verdachte werd door het hof veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden wegens het illegaal verblijven in Nederland terwijl hij was verklaard tot ongewenste vreemdeling. De verdediging stelde dat de terugkeerprocedure, zoals voorgeschreven in de Terugkeerrichtlijn, niet volledig was doorlopen en dat de strafoplegging daarom ontoereikend was gemotiveerd.
De Hoge Raad herhaalt de relevante jurisprudentie waarin is bepaald dat bij het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf wegens overtreding van artikel 197 Sr Pro de rechter moet nagaan of de stappen van de terugkeerprocedure zijn gevolgd en dit in de motivering moet verwerken. Het hof had vastgesteld dat de verdachte geen medewerking verleende aan zijn terugkeer, dat hij diverse malen vergeefs aan ambassades was gepresenteerd voor reisdocumenten, en dat hij reeds meerdere malen vreemdelingenbewaring had ondergaan.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof niet onjuist heeft geoordeeld en dat de motivering toereikend is, ook al was de maximale duur van de vreemdelingenbewaring nog niet verstreken. Het cassatieberoep wordt verworpen, waarmee het hofarrest in stand blijft.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de veroordeling tot drie maanden onvoorwaardelijke gevangenisstraf wegens verblijf na ongewenstverklaring.