ECLI:NL:RBNHO:2026:2374

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
14 januari 2026
Publicatiedatum
9 maart 2026
Zaaknummer
10877340 \ CV EXPL 24-513
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:405 lid 2 BWArt. 6:212 BWArt. 6:119 BWArt. 6:203 lid 3 BWArt. 6:210 lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Nietigverklaring oneerlijk kostenbeding en gedeeltelijke toewijzing vordering onverschuldigde betaling

In deze civiele bodemzaak stond de geldigheid van een kostenbeding in een overeenkomst tussen eiser en gedaagde centraal. De kantonrechter oordeelde dat het kostenbeding niet transparant en oneerlijk was, omdat gedaagde onvoldoende vooraf was geïnformeerd over de omvang van de kosten, die uiteindelijk veel hoger uitvielen dan aanvankelijk was aangegeven.

De kantonrechter stelde vast dat de overeenkomst zonder het kostenbeding niet kon voortbestaan en verklaarde de gehele overeenkomst nietig. Hierdoor kon eiser geen aanspraak maken op vergoeding op grond van redelijkheid of ongerechtvaardigde verrijking. Wel werd geoordeeld dat eiser onverschuldigd had gepresteerd en daarom aanspraak kon maken op een redelijke vergoeding op grond van onverschuldigde betaling.

De rechter bepaalde dat gedaagde 50% van het gevorderde bedrag moest betalen, als een evenredige sanctie voor het oneerlijke beding. Daarnaast werden buitengerechtelijke kosten en proceskosten toegewezen, terwijl een vordering tot wettelijke rente werd beperkt tot de datum van dagvaarding. Een verzoek tot verrekening werd afgewezen wegens procesorde.

Het vonnis werd uitgesproken door kantonrechter M.W. Koenis op 14 januari 2026 en bevatte een uitvoerbaar bij voorraad verklaring.

Uitkomst: Het kostenbeding is nietig verklaard en gedaagde is veroordeeld tot betaling van 50% van het gevorderde bedrag wegens onverschuldigde betaling.

Uitspraak

RECHTBANKNOORD-HOLLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Haarlem
Zaaknummer: 10877340 \ CV EXPL 24-513
Vonnis van 14 januari 2026
in de zaak van
de besloten vennootschap
[eiser] B.V.,
te [plaats 1],
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: Armaere Incassospecialisten & Gerechtsdeurwaarders,
tegen
[gedaagde],
te [plaats 2],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
procederend in persoon.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 27 november 2024
- de akte van [eiser], tevens zijnde een akte wijziging van eis
- de akte van [gedaagde].
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De verdere beoordeling

2.1.
De kantonrechter heeft het kostenbeding in de tussen partijen gesloten overeenkomst in het tussenvonnis als niet transparant en vermoedelijk oneerlijk aangemerkt en partijen in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over zijn voornemen het beding te vernietigen. In haar akte na het tussenvonnis heeft [eiser] haar vordering gewijzigd in die zin dat zij, voor het geval het kostenbeding wordt vernietigd, aanspraak maakt op een in goede justitie te bepalen redelijke vergoeding, op grond van artikel 7:405 lid 2 Burgerlijk Pro Wetboek (BW) (redelijk loon) dan wel op grond van artikel 6:212 BW Pro (ongerechtvaardigde verrijking).
Het kostenbeding is oneerlijk
2.2.
[eiser] stelt zich in haar akte op het standpunt dat het kostenbeding niet oneerlijk is, omdat zij [gedaagde] voor het sluiten van de overeenkomst voldoende heeft geïnformeerd over de totale kosten van haar werkzaamheden. Ter onderbouwing heeft [eiser] een e-mail van 7 januari 2025 van de behandelend advocaat overgelegd waarin zij uiteenzet welke informatie ten aanzien van de kosten van de werkzaamheden voorafgaand aan het totstandkomen van de overeenkomst mondeling aan [gedaagde] is verstrekt. [gedaagde] heeft de juistheid van de gang van zaken zoals weergegeven in die e-mail betwist, waardoor deze niet vast is komen te staan. De kantonrechter blijft dan ook bij zijn oordeel dat het in de overeenkomst opgenomen kostenbeding niet transparant is. Ten overvloede merkt de kantonrechter nog het volgende op. Ook als de gang van zaken zoals door [eiser] geschetst wel zou zijn komen vast te staan, behoefde [gedaagde] op basis van de informatie voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst geen rekening te houden met een uiteindelijke declaratie van meer dan € 5.500,00. Dit bedrag is immers vele malen hoger dan het bedrag van € 750,00 wat aan [gedaagde] is doorgegeven voor het ‘checken’ van de vaststellingsovereenkomst. De kantonrechter begrijpt dat de werkzaamheden uiteindelijk meer hebben omvat dan dat, maar het had op de weg van [eiser] gelegen om voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst een indicatie van de (orde van grootte van) de meerkosten te geven. Dit had zij bijvoorbeeld kunnen doen door in de opdrachtbevestiging duidelijk te maken dat [gedaagde] in het geval er (uitgebreide) onderhandelingen plaats dienden te vinden er rekening mee zou moeten houden dat er minimaal een X-aantal uren aan de zaak zou worden besteed. Als [gedaagde] tussentijds zou zijn gewezen op oplopende kosten, dan zou dat [eiser] niet kunnen baten aangezien dit pas na het sluiten van de overeenkomst aan de orde zou zijn gekomen.
2.3.
Ter onderbouwing van haar standpunt dat het beding niet oneerlijk is, heeft [eiser] voorts verwezen naar een arrest van het Hof Amsterdam. [1] Zij stelt zich op het standpunt dat [gedaagde] het kostenbeding zou hebben aanvaard indien op eerlijke en billijke wijze was onderhandeld omdat hij met zijn vorige advocaat ook een uurtarief van € 275,00 exclusief kantoorkosten exclusief BTW was overeengekomen en dat er geen relevante wettelijke bepalingen zijn die de rechtspositie van [gedaagde] aanzienlijk verstoord hebben.
2.4.
De kantonrechter stelt voorop dat een consument zich, door zijn kennisachterstand, bij de totstandkoming van een overeenkomst als de onderhavige in beginsel in een zwakkere positie dan de advocaat bevindt. Dit alleen maakt al dat van een advocaat verwacht mag worden dat hij een consument voorafgaand aan het sluiten van een overeenkomst goed informeert over alle financiële consequenties die de overeenkomst voor de consument heeft. De kantonrechter blijft bij zijn oordeel dat het beding in dit geval wel in strijd met de goede trouw het evenwicht aanzienlijk verstoort ten nadele van [gedaagde] en dat het niet aannemelijk is dat [gedaagde] het beding had aanvaard indien er wel was onderhandeld. In aanvulling op het tussenvonnis overweegt hij daartoe nog als volgt. Omdat de declaratie slechts iets lager is dan de ontslagvergoeding die [gedaagde] heeft ontvangen, heeft hij per saldo weinig voordeel gehad van de werkzaamheden van [eiser]. [eiser] kon die uitkomst uiteraard niet voorspellen, maar wist voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst wel dat de onderhandelingspositie van [gedaagde] niet goed was waarmee voor [eiser] op dat moment redelijkerwijs voorzienbaar was dat de ontslagvergoeding beperkt in hoogte zou zijn. Het had daarom op de weg van [eiser] gelegen om [gedaagde] voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst duidelijk te informeren over de orde van grootte van de te maken meerkosten indien er (uitgebreid) zou moeten worden onderhandeld met de wederpartij. Indien [eiser] dat zou hebben gedaan en daarmee in zoverre zou zijn voldaan aan het transparantievereiste, mocht [eiser] er redelijkerwijs niet van uitgaan dat [gedaagde] ook dan zou hebben ingestemd met het kostenbeding. De kantonrechter oordeelt daarom dat het beding ook oneerlijk is.
De overeenkomst is nietig
2.5.
Wanneer een kostenbeding oneerlijk is, moet het buiten toepassing worden gelaten. Voor zover mogelijk blijft de overeenkomst voor het overige in stand. De kantonrechter is echter van oordeel dat de overeenkomst in dit geval niet kan bestaan zonder het kostenbeding, aangezien er dan geen overeenstemming is over een essentieel onderdeel van de overeenkomst. Uitgangspunt in een dergelijk geval is dat de kantonrechter de overeenkomst nietig moet verklaren. Slechts indien de consument als gevolg van nietigheid van de gehele overeenkomst uiterst nadelige gevolgen zou kunnen ondervinden en daardoor in zijn belangen wordt geschaad, kan het oneerlijke beding bij wege van uitzondering vervangen worden door een nationale bepaling van aanvullend recht. Het nietig verklaarde oneerlijke beding mag echter niet worden vervangen door een rechterlijke raming van de vergoeding die verschuldigd is voor de diensten. [2]
2.6.
[gedaagde] heeft zich in zijn akte na het tussenvonnis uitdrukkelijk op het standpunt gesteld dat de overeenkomst als niet bestaand moet worden beschouwd. De uitzondering dat de nietigverklaring van de overeenkomst in zijn geheel uiterst nadelige consequenties zou hebben voor [gedaagde] doet zich daarom niet voor. De kantonrechter verklaart de tussen partijen gesloten overeenkomst van opdracht dan ook nietig. Hierdoor kan [eiser] geen aanspraak maken op vergoeding van redelijk loon op grond van artikel 7:405 BW Pro.
2.7.
Dat de overeenkomst nietig is, wil echter niet zeggen dat [gedaagde] helemaal niets hoeft te betalen voor de door [eiser] verrichte werkzaamheden. De Hoge Raad heeft namelijk geoordeeld dat als een partij al geheel of ten dele uitvoering heeft gegeven aan haar verplichtingen op grond van de overeenkomst, de vernietiging van de overeenkomst meebrengt dat die partij onverschuldigd heeft gepresteerd. Dit kan volgens de Hoge Raad naar Nederlands recht grond opleveren voor een vordering uit onverschuldigde betaling of ongerechtvaardigde verrijking, waartegen het Unierecht zich niet in algemene zin verzet. [3]
2.8.
[eiser] heeft haar vordering na wijziging van eis tevens gegrond op ongerechtvaardigde verrijking. Daarvoor dient sprake te zijn van een verrijking van [gedaagde] die ten koste gaat van [eiser], waarbij het aankomt op een vergelijking tussen de feitelijke vermogenstoestand van [gedaagde] na het plaatsvinden van de gebeurtenissen waarop deze vordering is gebaseerd en zijn hypothetische vermogenstoestand zoals deze zou zij geweest indien deze gebeurtenissen niet zouden hebben plaatsgevonden [4] . [eiser] heeft met betrekking tot deze vermogensvergelijking niet meer opgemerkt dan dat zij is verarmd en dat [gedaagde] is verrijkt als gevolg van haar werkzaamheden en aanspraak maakt op een in goede justitie te bepalen vergoeding. [eiser] heeft daarmee in zoverre niet aan haar stelplicht voldaan. De kantonrechter tekent hierbij nog aan, dat een in goede justitie te bepalen vergoeding niet te verenigen is met het verbod op vervanging van het nietig verklaarde oneerlijke beding door een rechterlijke raming (zie overweging 2.5).
2.9.
In het betoog van [eiser] dat zij deugdelijke werkzaamheden heeft verricht die [gedaagde] in staat stelden een afgewogen keuze te maken om de opdracht te verstrekken die een redelijk loon rechtvaardigen ligt naar het oordeel van de kantonrechter tevens (het betoog) besloten dat het gefactureerde bedrag de waarde van haar prestatie weerspiegelt, en dat zij aanspraak maakt op vergoeding van die waarde voor zover dit redelijk is. De kantonrechter zal het betoog van [eiser] met aanvulling van rechtsgronden daarom tevens beoordelen als een beroep op onverschuldigde betaling. [5]
2.10.
De kantonrechter is van oordeel dat de vordering van [eiser] op grond van onverschuldigde betaling toewijsbaar is. De vernietiging van de overeenkomst met [gedaagde] brengt immers mee dat [eiser] onverschuldigd heeft gepresteerd en dat zij recht heeft op ongedaanmaking van haar prestatie. De vergoeding van de waarde van de prestatie treedt voor zover dit redelijk is in de plaats voor ongedaanmaking daarvan indien de aard van de prestatie uitsluit dat zij ongedaan wordt gemaakt en indien de ontvanger erin had toegestemd een tegenprestatie te verrichtten. [6]
2.11.
[gedaagde] stelt dat hij per saldo weinig voordeel heeft gehad van de werkzaamheden van [eiser], maar uit zijn betoog kan niet worden afgeleid dat hij betwist dat het door [eiser] gefactureerde bedrag de waarde van haar prestatie weerspiegelt. Dat betekent dat [eiser] in beginsel aanspraak kan maken op de gevorderde betaling voor de door haar verrichte werkzaamheden. De kantonrechter moet er echter ook rekening mee houden dat vernietiging van de overeenkomst de sanctie vormt op een oneerlijk kostenbeding. Die sanctie bepaalt naar het oordeel van de kantonrechter mede de omvang van de aanspraak op vergoeding ‘voor zover dit redelijk is’. [7]
2.12.
Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten komt de kantonrechter tot de conclusie dat [gedaagde] op grond van onverschuldigde betaling 50% van het door [eiser] gevorderde bedrag moet betalen, aangezien de kantonrechter dat met het oog op het opleggen van een doeltreffende, evenredige en afschrikkende sanctie redelijk voorkomt.
2.13.
[gedaagde] stelt voor het eerst in zijn akte na tussenvonnis dat hij aanspraak maakt op terugbetaling van een bedrag van € 775,97 dat hij als voorschot stelt te hebben betaald, waarmee hij kennelijk een beroep doet op verrekening. [gedaagde] heeft zijn stelling echter niet onderbouwd. [eiser] is bovendien niet in de gelegenheid geweest hierop te reageren en het is naar het oordeel van de kantonrechter in strijd met de beginselen van een goede procesorde om de procedure daarvoor in deze fase nog aan te houden. De kantonrechter gaat daarom aan het beroep op verrekening voorbij.
Conclusie
2.14.
De conclusie is dat [gedaagde] zal worden veroordeeld tot betaling van € 2.786,45.
2.15.
De vordering tot vergoeding van de verschenen wettelijke rente zal worden afgewezen, omdat [eiser] die rente (gelet op de toewijsbare hoofdsom) over een te hoog bedrag heeft berekend. Omdat [eiser] niet heeft gesteld vanaf welke datum het verzuim is ingetreden, zal de wettelijke rente worden toegewezen vanaf de datum van dagvaarding.
2.16.
De buitengerechtelijke kosten zijn toewijsbaar over deze hoofdsom, tot een bedrag van € 403,64.
2.17.
[gedaagde] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Nu een gedeelte van het gevorderde bedrag niet toewijsbaar is, kan [gedaagde] ten aanzien van het griffierecht slechts worden veroordeeld tot betaling van het griffierecht dat verschuldigd is voor het toe te wijzen bedrag, te weten € 496,00. Het meerdere, dat op grond van de dagvaarding aan de eisende partij in rekening is gebracht, dient voor rekening van [eiser] te blijven. Daarnaast blijven de kosten de laatste akte voor rekening van [eiser] zelf, nu het aan [eiser] zelf te wijten is dat deze akte genomen moest worden.
2.18.
De proceskosten van [eiser] worden derhalve begroot op:
- kosten van de dagvaarding
107,84
- griffierecht
496,00
- salaris gemachtigde
476,00
(2 punten × € 238,00)
- nakosten
119,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.198,84

3.De beslissing

De kantonrechter
3.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 2.786,45, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over het toegewezen bedrag, met ingang van 8 januari 2024, tot de dag van volledige betaling,
3.2.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 403,65 aan buitengerechtelijke kosten,
3.3.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.198,84, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
3.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
3.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.W. Koenis en in het openbaar uitgesproken op 14 januari 2026.

Voetnoten

1.Hof Amsterdam 26 november 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:3269.
2.HvJ EU 12 januari 2023, C-395/21, ECLI:EU:C:2023:14.
3.HR 4 oktober 2024, ECLI:NL:HR:2024:1366 r.o. 4.7.7
4.HR 21 februari 2025, ECLI:NL:HR:2025:322.
5.HR 24 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV0472.
6.Artikel 6:203 lid 3 BW Pro en artikel 6:210 lid 2 BW Pro.
7.Vergelijk HR 4 oktober 2024, ECLI:NL:HR:2024:1366 r.o. 4.7.7 - 4.7.9.