Uitspraak
[eiser] B.V.,
1.De procedure
- de akte van [eiser], tevens zijnde een akte wijziging van eis
- de akte van [gedaagde].
Rechtbank Noord-Holland
In deze civiele bodemzaak stond de geldigheid van een kostenbeding in een overeenkomst tussen eiser en gedaagde centraal. De kantonrechter oordeelde dat het kostenbeding niet transparant en oneerlijk was, omdat gedaagde onvoldoende vooraf was geïnformeerd over de omvang van de kosten, die uiteindelijk veel hoger uitvielen dan aanvankelijk was aangegeven.
De kantonrechter stelde vast dat de overeenkomst zonder het kostenbeding niet kon voortbestaan en verklaarde de gehele overeenkomst nietig. Hierdoor kon eiser geen aanspraak maken op vergoeding op grond van redelijkheid of ongerechtvaardigde verrijking. Wel werd geoordeeld dat eiser onverschuldigd had gepresteerd en daarom aanspraak kon maken op een redelijke vergoeding op grond van onverschuldigde betaling.
De rechter bepaalde dat gedaagde 50% van het gevorderde bedrag moest betalen, als een evenredige sanctie voor het oneerlijke beding. Daarnaast werden buitengerechtelijke kosten en proceskosten toegewezen, terwijl een vordering tot wettelijke rente werd beperkt tot de datum van dagvaarding. Een verzoek tot verrekening werd afgewezen wegens procesorde.
Het vonnis werd uitgesproken door kantonrechter M.W. Koenis op 14 januari 2026 en bevatte een uitvoerbaar bij voorraad verklaring.
Uitkomst: Het kostenbeding is nietig verklaard en gedaagde is veroordeeld tot betaling van 50% van het gevorderde bedrag wegens onverschuldigde betaling.