ECLI:NL:RBNHO:2026:2470

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
17 februari 2026
Publicatiedatum
10 maart 2026
Zaaknummer
HAA 24/7341
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 EVRMArt. 6:106 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken procesbelang bij beëindiging maatschappelijke opvang

Eiser maakte bezwaar tegen de beëindiging van zijn maatschappelijke opvang per 29 maart 2024. Het college verklaarde het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van procesbelang. Eiser stelde beroep in tegen dit besluit en voerde aan dat er wel procesbelang is vanwege mogelijke schadevergoeding op grond van schending van artikel 3 EVRM Pro.

De rechtbank oordeelde dat procesbelang alleen aanwezig is als het resultaat van het beroep feitelijk betekenis heeft voor de indiener. Omdat eiser inmiddels over een eigen sociale huurwoning beschikt en opvang is aangeboden, ontbreekt dit belang. Daarnaast is het onaannemelijk dat eiser schade heeft geleden, omdat geen bewijs is geleverd en een schending van een fundamenteel recht niet automatisch leidt tot schadevergoeding.

De rechtbank verklaarde het beroep daarom niet-ontvankelijk. De uitspraak is gedaan door rechter M. Jurgens en griffier S.A. Zorge op 17 februari 2026. Partijen zijn geïnformeerd over de mogelijkheid tot hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep.

Uitkomst: Het beroep van eiser wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 24/7341

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 februari 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

(gemachtigde: mr. J. Sprakel),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlem, het college
(gemachtigden: mr. B.E. Robbe en mr. M.J. Ferwerda).

Procesverloop

1. Met het e-mailbericht van 7 maart 2024 is aan eiser medegedeeld dat de maatschappelijke opvang wordt beëindigd per 29 maart 2024.
1.1.
Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen genoemd e-mailbericht.
1.2.
Met het bestreden besluit van 1 oktober 2024 heeft het college het bezwaar van eiser kennelijk niet-ontvankelijk verklaard, omdat een procesbelang ontbreekt.
1.3.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
1.4.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.5.
De rechtbank heeft het beroep op 15 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen de gemachtigde van eiser en de gemachtigden van het college.

Standpunt eiser

2. Eiser stelt zich op het standpunt dat sprake is van een procesbelang. Als sprake is van een onrechtmatige beëindiging van de maatschappelijke opvang dan biedt dit ruimte voor het claimen van een schadevergoeding. De schade is niet objectief vast te stellen, maar aansluiting kan worden gezocht bij de forfaitaire bedragen die worden gehanteerd bij, naar de rechtbank begrijpt, de vergoeding wegens onrechtmatige detentie. Dit bedrag kan in zaken die spelen op het gebied van dakloosheid worden gekoppeld aan schending van het bepaalde in artikel 3 EVRM Pro. Op basis hiervan heeft eiser recht op een schadevergoeding van € 2.250,00. Daarnaast heeft het college onvoldoende gemotiveerd waarom sprake is van een kennelijk niet-ontvankelijk bezwaar.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
3.1.
Volgens vaste rechtspraak is pas sprake van (voldoende) procesbelang als het resultaat dat de indiener van een bezwaar- of beroepschrift met het maken van bezwaar of het indienen van (hoger) beroep nastreeft, daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor deze indiener feitelijk betekenis kan hebben. Dat betekent dat er aanleiding is om een (hoger) beroep inhoudelijk te beoordelen indien de indiener daarbij een actueel en reëel belang heeft. Het hebben van een louter formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van (voldoende) procesbelang. Als sprake is van een reeds verstreken periode, blijft procesbelang aanwezig als een inhoudelijk oordeel over het bestreden besluit van belang kan zijn voor een toekomstige periode. Daarnaast kan procesbelang aanwezig zijn in verband met de beoordeling van een verzoek om schadevergoeding, tenzij op voorhand onaannemelijk is dat schade is geleden.
3.2.
Aan eiser is ten tijde van het nemen van het bestreden besluit opvang aangeboden en inmiddels beschikt eiser over een eigen sociale huurwoning. Eiser heeft daarom naar het oordeel van de rechtbank geen procesbelang meer bij dit beroep, omdat het resultaat dat hij nastreeft voor hem feitelijk geen betekenis meer heeft.
3.3.
Verder is op voorhand onaannemelijk dat schade is geleden, nu daarvoor nog geen begin van bewijs is aangedragen. De enkele veronderstelling dat dakloosheid en daarmee de schade in de sfeer zou liggen van het bepaalde in artikel 3 EVRM Pro treft ook geen doel, omdat van een aantasting in de persoon op andere wijze als bedoeld in artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek, niet reeds sprake is bij de enkele schending van een fundamenteel recht, voor zover daar al sprake van zou zijn bij dakloosheid. [1] De rechtspraak van het EHRM noopt daar nochtans niet toe. [2]
3.4.
De rechtbank verklaart het beroep van eiser daarom niet ontvankelijk.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Jurgens, rechter, in aanwezigheid van mr. S.A. Zorge, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 17 februari 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Vgl HR 15 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:376 en CRvB 28 augustus 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1389
2.Vgl. EHRM 21 januari 2011, ECLI:CE:ECHR:2011:0121JUD003069609.