ECLI:NL:RBNHO:2026:2478

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
17 maart 2026
Publicatiedatum
10 maart 2026
Zaaknummer
24/3743
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6.2 WaterwetArt. 8.5 WaterwetArt. 4.23 Invoeringswet OmgevingswetArt. 6.21 WaterregelingArt. 5:31d Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging last onder dwangsom voor onvergund lozen van stoffen in oppervlaktewater

Eiseres exploiteert een bedrijfslocatie waar afvalwater wordt geloosd op oppervlaktewater. Uit controles bleek dat zij stoffen loost die niet in haar watervergunning zijn opgenomen, wat in strijd is met artikel 6.2 van de Waterwet. Verweerder legde daarom een last onder dwangsom op en nam een invorderingsbesluit.

Eiseres voerde aan dat de gehele afvalstroom vergund zou zijn en dat het onmogelijk is om alle stoffen in het afvalwater te kennen. De rechtbank oordeelt dat de watervergunning slechts betrekking heeft op specifieke stoffen die vooraf bekend en aangevraagd moeten zijn. Het feit dat eiseres geen producent is, doet hier niet aan af. Ook is het aan eiseres om zicht te houden op de stoffen in haar afvalwater, ook als zij afval van derden verwerkt.

De rechtbank vindt de last onder dwangsom uitvoerbaar, proportioneel en evenredig, ondanks de hoge kosten voor eiseres. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel faalt. Het beroep tegen de last en het invorderingsbesluit wordt ongegrond verklaard, waardoor deze in stand blijven.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de last onder dwangsom en het invorderingsbesluit.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 24/3743

uitspraak van de meervoudige kamer van 17 maart 2026 in de zaak tussen

[eiseres], statutaire gevestigd te [plaats 1] , eiseres
(gemachtigde: [gemachtigde] ),
en

de minister van Infrastructuur en Waterstaat, verweerder

(gemachtigde: mr. S. de Bruin en mr. L.C. Joustra).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de aan eiseres opgelegde last onder dwangsom voor het beëindigen en beëindigd houden van het onvergund lozen van stoffen in het oppervlaktewater op de bedrijfslocatie van eiseres aan de [adres] in [plaats 2] en het daarna genomen invorderingsbesluit. Eiseres is het hier niet mee eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of verweerder terecht de last onder dwangsom heeft opgelegd en daarna het invorderingsbesluit heeft genomen.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder terecht de last onder dwangsom heeft opgelegd en de verbeurde dwangsommen heeft ingevorderd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. Onder 4 staat het overgangsrecht. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 5. Daarbij gaat de rechtbank eerst in op de vraag of sprake is van een overtreding. Onder 6 bespreekt de rechtbank of de opgelegde last uitvoerbaar is. Onder 7 bespreekt de rechtbank of de last proportioneel en evenredig is. Daarna gaat de rechtbank kort in op het invorderingsbesluit. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.
1.3.
De wettelijke regels en beleidsregels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.

Procesverloop

2. Met het bestreden besluit van 24 mei 2024 op het bezwaar van eiseres is verweerder bij het besluit van 20 december 2023 tot oplegging van de last onder dwangsom gebleven.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
Op 20 augustus 2024 heeft verweerder een invorderingsbesluit genomen.
2.3.
Verweerder heeft op 22 november 2024 een verweerschrift ingediend.
2.4.
De rechtbank heeft het beroep op 3 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen namens [eiseres] : [gemachtigde] en [naam 1] . Namens verweerder hebben deelgenomen: mr. S. de Bruin, mr. L.C. Joustra en [naam 2] .

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Eiseres is werkzaam op het gebied van eindverwerking van afvalstoffen op een aantal grootschalige stortplaatsen en op het gebied van het recyclen van afvalstoffen. Eiseres is statutair gevestigd in [plaats 1] . Daarnaast heeft eiseres [aantal] vestigingen in Nederland, waaronder een bedrijfslocatie aan de [adres] in [plaats 2] . Deze locatie heeft eiseres in [jaartal] overgenomen van een failliete firma en zij heeft dezelfde activiteiten daar voortgezet, namelijk recycling van grond en bouwstoffen. De activiteiten op deze bedrijfslocatie vinden voornamelijk in de buitenlucht plaats. Het hemelwater dat op het terrein valt, wordt verzameld en geloosd op het oppervlaktewater van de [naam water] .
3.1
De aan de thans failliete firma [naam failliete firma] verleende watervergunning uit 2006 is, via een wijziging van de tenaamstelling overgenomen door eiseres. Gelijktijdig met de revisie van de milieuvergunning van eiseres is deze watervergunning gewijzigd op 13 januari 2022. De watervergunning is ten slotte op 26 juni 2023 nogmaals gewijzigd. Deze vergunning is nu onherroepelijk.
3.2
In het kader van controles zijn op 30 maart 2023, 13 juli 2023 en 27 juli 2023 monsternames van afvalwater gedaan op hetzelfde lozingspunt bij de [adres] in [plaats 2] door een toezichthouder van verweerder. Uit de analyseresultaten van deze monsterafnames zijn twee overtredingen geconstateerd, namelijk een te hoge concentratie aan Chemisch Zuurstof Gebruik (CZV) en lozing van niet vergunde stoffen.
3.3
Op 11 oktober 2023 is het voornemen tot het opleggen van een last onder dwangsom aan eiseres kenbaar gemaakt. Eiseres heeft daartegen een zienswijze ingediend. Eiseres heeft ten aanzien van de CZV-overschrijding een wijzigingsvergunning bij verweerder aangevraagd. Verweerder heeft daarom besloten om af te zien van het opleggen van een last voor deze overtreding.
3.4
In het primaire besluit van 20 december 2023 heeft verweerder aan eiseres een last onder dwangsom opgelegd voor het beëindigen en beëindigd houden van het onvergund lozen van de hieronder vermelde stoffen in het oppervlaktewater op de bedrijfslocatie aan de [adres] in [plaats 2] . Dit is in strijd met artikel 6.2 Waterwet. Het betreft barium (KRW-stof), aluminium, ijzer, kalium, mangaan, lithium, kobalt, titanium, strontium, kwik, vanadium en antimoon [1] . Als deze niet-vergunde stoffen aangetroffen worden in het effluent, wordt van rechtswege de dwangsom verbeurd. Sommige stoffen die onvergund zijn geloosd door eiseres vallen onder de CMR stoffen en zijn dus waterbezwaarlijk [2] in de categorie Z (ZZS) volgens de Algemene Boordelingsmethodiek en schadelijk. Het belang van het opleggen van de last is erin gelegen om zo spoedig mogelijk het lozen van onvergunde stoffen te stoppen.
De stelling dat eiseres een vergunning heeft voor het lozen van haar afvalwater inclusief alle stoffen die daarin zitten, is onjuist. De bij eiseres aangetroffen stoffen zijn in de watervergunningen van eiseres niet vergund. Verweerder kan niet beoordelen of de overtreding gelegaliseerd kan worden, omdat eiseres daartoe niet een voldoende lange meetreeks heeft uitgevoerd. Ook heeft eiseres nog geen aanvraag tot legalisatie ingediend. Na afweging van alle belangen is niet gebleken dat sprake is van bijzondere omstandigheden die vereisen dat van het opleggen van de last onder dwangsom moet worden afgezien. Het algemeen belang, het waterkwaliteitsbelang en het voorkomen van ongewenste precedentwerking maken het opleggen van de last noodzakelijk.
De begunstigingstermijn is acht weken. Verweerder ziet geen aanleiding om een langere termijn vast te stellen. Indien eiseres voor het verstrijken van de begunstigingstermijn niet aan de last voldoet, verbeurt zij een dwangsom van € 5.000,- per overtreding, tot een maximumbedrag van € 20.000,-.
3.5
Eiseres heeft hiertegen bezwaar gemaakt en verweerder verzocht de begunstigingstermijn te verlengen. Verweerder heeft het verzoek om de begunstigingstermijn te verlengen op 19 februari 2024 afgewezen.
3.6
In het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiseres afgewezen, de last gehandhaafd en aanvullend het volgende gesteld. Dat het gehele afvalwater vergund zou zijn (inclusief onbekende stoffen) is onjuist gezien de systematiek van de Waterwet, de Europese Kaderrichtlijn Water 2000/60 (KRW) en de jurisprudentie [3] van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling). De stelling dat de last niet uitvoerbaar is, wordt niet gevolgd. Het is volgens verweerder voor eiseres feitelijk mogelijk om de overtreding te beëindigen. Voor zover afval van andere bedrijven wordt verwerkt, draagt eiseres op grond van de jurisprudentie [4] de verantwoordelijkheid voor de afvalstoffen die zij van die bedrijven aanneemt. De last is ook evenredig. Verweerder heeft de interventiematrix van de Landelijke Handhavingsstrategie gevolgd. Er zijn geen bijzondere omstandigheden die maken dat van het opleggen van de last moet worden afgezien. Er is ook geen concreet zicht op legalisatie. Tot slot merkt verweerder buiten het bezwaar om op dat per abuis kwik stond opgenomen in de last. Deze stof is uitdrukkelijk opgenomen in voorschrift 2 van de watervergunning en daarom wel vergund. De last wordt op dit punt wel aangepast.
3.7
Op 20 augustus 2024 heeft verweerder eiseres bericht dat zij dwangsommen ter hoogte van € 20.000,- heeft verbeurd. De laatste dag om aan de last te voldoen was op 14 februari 2024. Een verzoek tot verlenging van de begunstigingstermijn is afgewezen. Verweerder heeft wel aangegeven bereid te zijn om na het verbeuren van dwangsommen pas tot het innen van die dwangsommen over te gaan na de beslissing op bezwaar tegen de last. Op 12 maart 2024 heeft een controle en monsterafname plaatsgevonden. Uit de analyseresultaten van de monstername is gebleken dat alle in de last genoemde onvergunde parameters nog aanwezig zijn in het effluent. In totaal is € 20.000,- verbeurd. Eiseres moet de verbeurde dwangsommen binnen zes weken na 20 augustus 2024 betalen.
3.8
Tot slot is ter zitting gebleken dat eiseres de verbeurde dwangsommen heeft betaald en dat een aanvraag voor legalisatie is ingediend in maart 2025. Tot op heden is daarop nog niet beslist.
Overgangsrecht Omgevingswet
4.1
Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Op grond van artikel 4.23, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet blijft op onderhavige procedures de Waterwet van toepassing, omdat de last onder dwangsom voor 1 januari 2024 aan eisers zijn opgelegd. De Waterwet blijft van toepassing tot de dwangsom volledig is verbeurd en betaald, of de last is opgeheven.
Is sprake van een overtreding?
5.1
Eiseres stelt dat geen sprake is van een overtreding. In de vergunning staat namelijk dat de afvalstroom mag worden geloosd, mits de lozingseis van een aantal in de vergunning genoemde stoffen niet wordt overschreden. Uit de controlemetingen blijkt dat die lozingseisen, niet zijn overschreden. Het standpunt van verweerder dat een stof die niet is genormeerd in de watervergunning ook niet is vergund, is onjuist. Verweerder heeft de watervergunning verleend wetende dat er meer chemische stoffen in het afvalwater zitten dan in de vergunning genormeerd zijn. Eiseres heeft in de aanvraagfase de lijst met getoetste stoffen voor de immissietoets immers met verweerder afgestemd. Eiseres heeft toen ook aangegeven dat er andere stoffen in het terreinwater aanwezig kunnen zijn die niet zijn getoetst. Verweerder had ook uit het toezicht dat zij heeft gehouden op de lozingen van het failliete bedrijf kunnen weten dat er meer stoffen in het afvalwater zaten dan zijn genormeerd. Daar komt bij dat het feitelijk onmogelijk is om de volledige samenstelling van het terreinwater te kennen. Er kunnen wel 250 stoffen in hemelwater voorkomen en elk laboratorium heeft een andere analysemethode en detectielimiet. Een stof die nu onder het detectielimiet zit, kan later door verbeterde analysemethoden wel worden gedetecteerd. Er zijn dus altijd stoffen in het afvalwater aanwezig die niet zijn genormeerd. Het standpunt van verweerder leidt ertoe dat altijd sprake is van een overtreding. Voor zover verweerder verwijst naar jurisprudentie van de Afdeling, stelt eiseres dat die uitspraak een andere situatie betreft. In die zaak ging het om een producent die weet welke grondstoffen worden ingekocht voor het productieproces, waardoor zij weet welke stoffen in het afvalwater kunnen komen. Bij eiseres is echter sprake van regenwater dat in contact komt met grond en bouwstoffen, zodat het feitelijk alleen mogelijk is om zicht te krijgen op de meest karakteristieke stoffen en niet op alle stoffen. Tot slot heeft eiseres ter zitting gesteld dat stoffen die zijn aangetroffen in het afvalwater allemaal behoren tot de stofgroep ‘metalen’ en dat die stofgroep wel is aangevraagd door eiseres en in de immissietoets is opgenomen.
5.2
De rechtbank is van oordeel dat verweerder terecht heeft vastgesteld dat sprake is van een overtreding van artikel 6.2 Waterwet en legt dit als volgt uit. Op grond van artikel 6.2 Waterwet is het verboden om stoffen in oppervlaktewater te brengen, tenzij een daartoe strekkende vergunning of vrijstelling is verleend. De rechtbank stelt voorop dat eiseres de meetresultaten van de controles van haar afvalwater en de daarin gedetecteerde stoffen die aan de last ten grondslag zijn gelegd, niet betwist. Evenmin is in geschil dat voor deze aangetroffen stoffen in het afvalwater geen vrijstelling is verleend.
5.3
De vervolgvraag is of eiseres op grond van de aan haar verleende watervergunning deze stoffen mocht lozen. De rechtbank beantwoord die vraag ontkennend. De bewoording van de watervergunning en de daarin genoemde voorschriften staan in rechte vast omdat de watervergunning inmiddels onherroepelijk is. Uit de tekst van de watervergunning volgt dat eiseres alleen het recht heeft om bepaalde in voorschrift 2 genoemde concentraties van stoffen te lozen. Dat eiseres wel de stofgroep ‘metalen’ heeft aangevraagd en vergund heeft gekregen, is volgens de rechtbank feitelijk onjuist. Dit staat immers niet in de immissietoets die is ingediend bij de aanvraag van de watervergunning en evenmin in de aan eiseres verleende watervergunning.
5.4
Het standpunt van eiseres dat de gehele afvalstroom is vergund, inclusief alle daarin voorkomende stoffen, volgt de rechtbank dus niet. Dit standpunt is namelijk niet in lijn met de systematiek en de doelen van het vergunningenregime uit de KRW en de Waterwet. De wetgever heeft immers daarmee het lozen van stoffen in oppervlaktewater willen reguleren. Ook uit jurisprudentie van de Afdeling [5] volgt dat een watervergunning is vereist voor de specifieke stoffen die zich in het afvalwater bevinden. Een watervergunning heeft daarom volgens de Afdeling betrekking op de lozing van een effluent met een bepaalde samenstelling. Dit betekent ook dat de stoffen die in het afvalwater kunnen voorkomen, van te voren bekend moeten zijn en dat die moeten worden aangevraagd. De stelling van eiseres dat deze jurisprudentie niet op haar van toepassing is, volgt de rechtbank niet. Dat eiseres geen producent is, is in dit verband niet relevant. Er wordt door de Afdeling namelijk geen onderscheid gemaakt tussen verschillende soorten bedrijven.
5.5
Dat het voor eiseres feitelijk onmogelijk is om de samenstelling van het afvalwater te kennen, volgt de rechtbank evenmin. Van eiseres mag verwacht worden dat zij zicht heeft op de stoffen die in haar afvalwater voorkomen. Dit kan zij doen door regelmatig monsters van haar afvalwater te nemen. Daartoe is eiseres ook verplicht op grond van haar bemonsteringsplan. Door pro actief te onderzoeken welke stoffen in haar afvalwater zitten, kan eiseres tijdig bij verweerder aangeven of een eventuele aanpassing van de stoffen genoemd in haar watervergunning nodig is.
Voor zover afval van andere bedrijven wordt verwerkt, draagt eiseres de verantwoordelijkheid voor de afvalstoffen die zij aanneemt. Dit volgt ook uit jurisprudentie [6] van de Afdeling. Het is aan eiseres toe te rekenen dat zij haar bedrijfsproces zo heeft geregeld dat zij niet op de hoogte is van wat precies wordt geloosd. Ten aanzien van de detectielimieten van laboratoria geldt dat stoffen die in de last worden genoemd boven die detectielimiet uit komen. Indien een bepaalde stof niet gedetecteerd kan worden, wordt dit niet aan een last ten grondslag gelegd.
5.6
Daarnaast is het aan eiseres om een volledige aanvraag voor een watervergunning in te dienen. Voor watervergunningen geldt op grond van artikel 6.21 van de Waterregeling dat bij de aanvraag onder meer gegevens moeten worden verstrekt met daarin een karakterisering van de aard, samenstelling, eigenschappen, hoeveelheid en herkomst van de stoffen in het afvalwater. Tijdens het vergunningverleningsproces is door verweerder in een brief van 22 oktober 2019 ook nagevraagd voor welke stoffen de vergunning door eiseres wordt gevraagd, inclusief de gemiddelde en maximale concentraties van die stoffen. In welke mate verweerder ambtshalve op de hoogte is of kon zijn van eventueel andere stoffen die eiseres of het vorige failliete bedrijf loosden, is daarom niet relevant.
Ook kon eiseres na verlening van haar watervergunning zien dat niet alle stoffen die in het afvalwater zaten, in de watervergunning waren opgenomen. Eiseres had op dat moment kunnen en moeten aangegeven dat de watervergunning niet volledig was. Dat heeft zij niet gedaan.
Voor zover eiseres een beroep heeft willen doen op het vertrouwensbeginsel, is de rechtbank van oordeel dat dat beroep niet slaagt. Niet is gebleken dat aan eiseres een concrete toezegging is gedaan door verweerder dat er niet gehandhaafd zou worden. Evenmin kan dit worden afgeleid uit de aan eiseres verleende watervergunning.
5.7
Deze beroepsgronden slagen dus niet.
Is de last uitvoerbaar?
6.1
Eiseres stelt dat de last niet uitvoerbaar is. Het is technisch niet mogelijk om de parameters van de in de last gespecificeerde stoffen terug te brengen naar 0. Ook niet via een extra waterzuiveringsstap. Geen enkele waterzuiveringstechniek heeft een rendement van 100%, zodat er altijd een geringe mate van restlozing zal zijn. Aan de last kan dus alleen worden voldaan door de lozingen te staken en het afvalwater af te voeren naar een externe verwerker. De kosten daarvan komt op jaarbasis uit op circa 11,6 miljoen. Het bedrijfsresultaat van de locatie van eiseres in [plaats 2] is € [bedrag 1] ,- tot € [bedrag 2] ,- zodat deze maatregel tot faillissement van eiseres zal leiden.
6.2
De rechtbank is met verweerder van oordeel dat de last wel uitvoerbaar is. Het is immers technisch mogelijk voor eiseres om haar afvalwater niet langer te lozen, maar dit af te voeren naar een externe verwerker. Dat daarmee hoge kosten zijn gemoeid, doet daar niet aan af. Ook is het aan eiseres om haar bedrijfsproces zo in te richten dat voldaan wordt aan wet- en regelgeving. Dat eiseres haar proces zo inricht dat zij niet weet welke stoffen zij van derden inneemt en onder zich heeft, maakt niet dat het haar dus vrij staat om zonder toereikende vergunning haar afvalwater te lozen.
Is de last proportioneel en evenredig?
7.1
Eiseres voert aan dat de last disproportioneel is, omdat zij daar niet aan kan voldoen. Verweerder had aan eiseres een monitoringsverplichting kunnen opleggen in plaats van een last. Ook heeft eiseres ter zitting gesteld dat zij ten onrechte pas bij het voornemen van oktober 2023 door verweerder op de hoogte is gebracht van de overtreding, terwijl verweerder al na de controlemetingen in maart en juli 2023 van de overtreding op de hoogte was. Daar zit een geruime tijd tussen. Daarbij komt dat niet alle stoffen die eiseres onvergund loost, schadelijk zijn. Stoffen als kalium en natrium zitten van nature al in water. Tot slot doet eiseres een beroep op het gelijkheidsbeginsel. Bij andere locaties handelt verweerder niet op deze wijze.
7.2
De rechtbank kan verweerder volgen dat de last proportioneel en evenredig is. Verweerder kon daarbij zwaar mee laten wegen dat eiseres stoffen loost die in de zwaarste categorie waterbezwaarlijkheid vallen namelijk ZZS en KRW prioritair specifiek verontreinigde stoffen. Bij CMR-stoffen gaat het om stoffen die kankerverwekkend zijn, verandering in erfelijke eigenschappen induceren en/of schadelijk zijn voor de voortplanting. Deze stoffen hebben dus een serieuze impact op het milieu.
Dat sommige stoffen die door verweerder in de last genoemd worden van nature in water voorkomen, maakt de last niet disproportioneel. Het gaat immers om de concentraties van de stoffen die aangetroffen zijn in het afvalwater van eiseres. Verweerder heeft in het bestreden besluit toegelicht dat de gemeten concentratie van bijvoorbeeld ijzer in het afvalwater 2,4 milligram per liter is, terwijl de norm die geldt voor ijzer in oppervlaktewater voor drinkwatervoorbereiding 0,3 milligram per liter is.
7.3
Dat eiseres pas in het voornemen door verweerder is geïnformeerd over de overtreding, leidt niet tot een ander oordeel. Het is immers in eerste instantie aan eiseres zelf om door middel van periodieke metingen haar eigen afvalwater te controleren. Ook heeft verweerder ter zitting toegelicht dat pas na het nemen van drie metingen met zekerheid vastgesteld kon worden welke stoffen zich in het afvalwater van eiseres bevonden. De laatste metingen hebben plaatsgevonden in juli 2023.
7.4
Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat eiseres geen bijzondere omstandigheden heeft gesteld die maken dat van het opleggen van de last moet worden afgezien. Verweerder heeft daarnaast in het bestreden besluit voldoende gemotiveerd dat een legalisatie op dat moment niet aan de orde was, omdat daarvoor onvoldoende metingen door eiseres zijn gedaan en eiseres op dat moment nog geen aanvraag daartoe had ingediend.
7.5
Tot slot is het aan eiseres om haar beroep op het gelijkheidsbeginsel te onderbouwen met concrete gevallen die op relevante punten vergelijkbaar zijn met de situatie van eiseres. Eiseres heeft dat niet gedaan, zodat het beroep op het gelijkheidsbeginsel reeds daarom niet slaagt.
8. Concluderend is de rechtbank van oordeel dat verweerder terecht de last onder dwangsom aan eiseres heeft opgelegd.
Het invorderingsbesluit
9.1
Op grond van artikel 5:39, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), heeft het beroep tegen een last onder dwangsom mede betrekking op een beschikking die strekt tot invordering van de dwangsom, voor zover de belanghebbende deze beschikking betwist. Eiseres heeft in beroep op zichzelf geen zelfstandige gronden aangevoerd gericht tegen het invorderingsbesluit. Eiseres stelt zich – in het verlengde van haar beroep tegen de opgelegde last onder dwangsom – evenwel op het standpunt dat de last ten onrechte is opgelegd zodat daarom ook het invorderingsbesluit ten onrechte is genomen.
9.2
Bij een besluit tot invordering van een verbeurde dwangsom moet aan het belang van de invordering een zwaarwegend gewicht worden toegekend. Een andere opvatting zou afdoen aan het gezag dat behoort uit te gaan van een besluit tot oplegging van een last onder dwangsom. Een adequate handhaving vergt dat opgelegde sancties ook worden geëffectueerd en dus dat verbeurde dwangsommen worden ingevorderd. Slechts in bijzondere omstandigheden kan geheel of gedeeltelijk van invordering worden afgezien. Zulke omstandigheden zijn door eiseres niet aangevoerd.
9.3
Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de last en het invorderingsbesluit in stand blijven. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. J.H.A.C. Everaerts, voorzitter, en mr. M.H. Affourtit-Kramer en mr. R. Brouwer, leden, in aanwezigheid van mr. A.W. Martens, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 17 maart 2026.
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Algemene wet bestuursrecht
Artikel 5:31d
Onder last onder dwangsom wordt verstaan: de herstelsanctie, inhoudende:
a.een last tot geheel of gedeeltelijk herstel van de overtreding, en
b.de verplichting tot betaling van een geldsom indien de last niet of niet tijdig wordt uitgevoerd.
5:32
1. Een bestuursorgaan dat bevoegd is een last onder bestuursdwang op te leggen, kan in plaats daarvan aan de overtreder een last onder dwangsom opleggen.
2.Voor een last onder dwangsom wordt niet gekozen, indien het belang dat het betrokken voorschrift beoogt te beschermen, zich daartegen verzet.
3.Indien de last onder dwangsom strekt ter handhaving van het bepaalde bij of krachtens een regeling die is genoemd in hoofdstuk 2, 3 of 4 van de bij deze wet behorende Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak of in de bij deze wet behorende Regeling verlaagd griffierecht, wordt de last onder dwangsom voor de toepassing van de twee laatstgenoemde regelingen aangemerkt als een besluit, genomen op grond van de eerstbedoelde regeling.
5:32a
1. De last onder dwangsom omschrijft de te nemen herstelmaatregelen.
2. Bij een last onder dwangsom die strekt tot het ongedaan maken van een overtreding of het voorkomen van verdere overtreding, wordt een termijn gesteld gedurende welke de overtreder de last kan uitvoeren zonder dat een dwangsom wordt verbeurd.
5:32b
1.Het bestuursorgaan stelt de dwangsom vast hetzij op een bedrag ineens, hetzij op een bedrag per tijdseenheid waarin de last niet is uitgevoerd, dan wel per overtreding van de last.
2Het bestuursorgaan stelt tevens een bedrag vast waarboven geen dwangsom meer wordt verbeurd.
3De bedragen staan in redelijke verhouding tot de zwaarte van het geschonden belang en tot de beoogde werking van de dwangsom.
5:33
Een verbeurde dwangsom wordt betaald binnen zes weken nadat zij van rechtswege is verbeurd.
Waterwet
Artikel 6.2
1Het is verboden om stoffen te brengen in een oppervlaktewaterlichaam, tenzij:
a.een daartoe strekkende vergunning is verleend door Onze Minister of, ten aanzien van regionale wateren, het bestuur van het betrokken waterschap;
b.daarvoor vrijstelling is verleend bij of krachtens algemene maatregel van bestuur;
c.artikel 6.3, eerste tot en met derde lid, van toepassing is.
(..)
Artikel 8.5
Onze Minister is bevoegd tot het toepassen van bestuursdwang ter handhaving van het bij of krachtens deze wet bepaalde in gevallen waarin hem de zorg voor de bestuursrechtelijke handhaving daarvan is opgedragen.
Artikel 4.23 Invoeringswet Omgevingsrecht
1.Als voor de inwerkingtreding van afdeling 18.1 van de Omgevingswet een overtreding heeft plaatsgevonden, een overtreding is aangevangen of het gevaar voor een overtreding klaarblijkelijk dreigde, en voor de inwerkingtreding van die afdeling een bestuurlijke sanctie is opgelegd voor die overtreding of dreigende overtreding, blijft het oude recht op die bestuurlijke sanctie van toepassing tot het tijdstip waarop:
a.de beschikking onherroepelijk is geworden en volledig is uitgevoerd of ten uitvoer is gelegd,
b.de beschikking is ingetrokken of is komen te vervallen, of
c.als de beschikking gaat om de oplegging van een last onder dwangsom:
1°.de last volledig is uitgevoerd,
2°.de dwangsom volledig is verbeurd en betaald, of
3°.de last is opgeheven.
2Afdeling 4.1 is in die gevallen niet van toepassing.
Waterregeling
Artikel 6.21
In de aanvraag voor een vergunning als bedoeld in artikel 6.2 van de wet worden, onverminderd het bepaalde in artikel 6.19, de volgende gegevens verstrekt:
(…)
b.een karakterisering naar aard, samenstelling, eigenschappen, hoeveelheid en herkomst van de stoffen;
(…).

Voetnoten

1.ZZS zijn Zeer Zorgwekkend Stoffen en de CMR-stoffen zijn kankerverwekkend, kunnen verandering in de erfelijke eigenschappen induceren of zijn schadelijk voor de voortplanting of het nageslacht. Dit zijn daarom waterbezwaarlijke stoffen.
2.Waterbezwaarlijk is de mate waarin er een kans is op nadelige effecten voor het aquatisch milieu. Er zijn vier (aflopende) categorieën namelijk: Z (ZZS, zoals CMR-stoffen, PAKs, dioxinen, kwik), A (niet afbreekbare, waterbezwaarlijke stoffen), B (afbreekbare waterbezwaarlijke stoffen) en C (stoffen die van nature voorkomen in het lokale oppervlakte water).
6.Zie bijvoorbeeld ECLI:NL:RVS:2019:3479