ECLI:NL:RBNHO:2026:2588

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
11 maart 2026
Publicatiedatum
12 maart 2026
Zaaknummer
11449239 \ CV EXPL 24-8770
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Tussenuitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:230m lid 1 BWArt. 6:230v BWArt. 6:96 lid 2 sub c BWArt. 6:96 lid 5 BWArt. 6:96 lid 6 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ambtshalve toetsing oneerlijke bedingen en informatieplichten in consumentenovereenkomst

In deze civiele procedure vordert eiser betaling van een hoofdsom vermeerderd met incassokosten en rente van gedaagde, die verstek liet gaan. De kantonrechter toetst ambtshalve of eiser heeft voldaan aan de precontractuele informatieplichten uit het Burgerlijk Wetboek, wat onvoldoende is gesteld en onderbouwd. Eiser krijgt eenmalig gelegenheid om dit nader toe te lichten.

Daarnaast onderzoekt de rechter de algemene voorwaarden op oneerlijke bedingen. Het incassokostenbeding en het prijswijzigingsbeding in de consumentenvoorwaarden worden vermoed oneerlijk bevonden vanwege onvoldoende aansluiting bij wettelijke regels en gebrek aan transparantie. De kantonrechter is voornemens deze bedingen te vernietigen en de vordering op die onderdelen af te wijzen, met mogelijkheid voor eiser om hierop te reageren.

Verder is de hoogte van de vordering onduidelijk doordat gefactureerde bedragen niet overeenkomen met overeengekomen prijzen. Eiser wordt verzocht per kostenpost uitleg te geven over de verschillen en toepassing van het prijswijzigingsbeding. De zaak wordt aangehouden tot nadere toelichting is ontvangen, waarna verdere beslissing volgt.

Uitkomst: De zaak wordt aangehouden om eiser in de gelegenheid te stellen nadere toelichting te geven over informatieplichten en oneerlijke bedingen.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie
locatie Haarlem
Zaaknr./rolnr.: 11449239 \ CV EXPL 24-8770
Uitspraakdatum: 11 maart 2026
Tussenvonnis van de kantonrechter in de zaak van:
[eiser] B.V.
te [plaats 1]
de eisende partij
gemachtigde: [gemachtigde]
tegen
[gedaagde]
te [plaats 2]
de gedaagde partij
niet verschenen

1.De procedure

1.1.
De eisende partij heeft de gedaagde partij gedagvaard. Tegen de gedaagde partij is verstek verleend.

2.De beoordeling

2.1.
De eisende partij vordert veroordeling van de gedaagde partij tot betaling van
€ 4.780,92 aan hoofdsom, te vermeerderen met de buitengerechtelijke incassokosten, de wettelijke rente, de proceskosten en de nakosten en te verminderen met deelbetalingen.
Ambtshalve toetsing van de precontractuele informatieplichten
2.2.
De vordering is gebaseerd op een overeenkomst op afstand tussen een handelaar en een consument. Bij het sluiten van dergelijke overeenkomsten moet ter bescherming van de consument aan de wettelijke (pre)contractuele informatieplichten van de artikelen 6:230m lid 1 en 6:230v van het Burgerlijk Wetboek (BW) worden voldaan. Dat aan deze plichten is voldaan, moet gemotiveerd worden gesteld en onderbouwd. De kantonrechter moet er ambtshalve op toezien dat die voorschriften worden nageleefd, dus ook als er geen verweer is gevoerd. [1]
2.3.
De eisende partij heeft niet gesteld en onderbouwd dat zij heeft voldaan aan de op haar rustende (pre)contractuele informatieplichten. De eisende partij heeft namelijk nagelaten een concrete toelichting te geven op de wijze van totstandkoming van de overeenkomst en hoe zij in die situatie heeft voldaan aan de op haar rustende informatieplichten. De kantonrechter kan daarom niet vaststellen of aan de gedaagde partij op duidelijke en begrijpelijke wijze de hiervoor bedoelde essentiële informatie is verstrekt.
2.4.
Weliswaar heeft de eisende partij producties bij de dagvaarding overgelegd, maar zonder toe te lichten welke delen daarvan relevant zijn voor welk standpunt. Producties kunnen stellingen enkel ondersteunen en niet vervangen. Het is niet aan de kantonrechter om eigenhandig op zoek te gaan naar informatie. [2] Het is dus aan de eisende partij om concreet aan te geven welke informatie in welke productie te vinden is (bijvoorbeeld door de relevante onderdelen in de producties te onderstrepen of te arceren). Daarnaast ligt het in dit geval voor de hand om screenshots van de website en het aanmeldproces over te leggen en daarbij aan te geven op welke informatie is gewezen met een duidelijke verwijzing waar in het aanmeldproces dit is gebeurd. De kantonrechter wijst de eisende partij erop dat het ontbreken van een dergelijke onderbouwing in eventuele vervolgzaken [3] kan leiden tot afwijzing van de vordering.
2.5.
In dit geval en bij wijze van uitzondering wordt de eisende partij echter eenmalig in de gelegenheid gesteld om bij akte nader toe te lichten hoe zij heeft voldaan aan de op haar rustende (pre)contractuele informatieverplichtingen.
Ambtshalve toetsing van de algemene voorwaarden
2.6.
De kantonrechter moet onderzoek doen naar (mogelijk) oneerlijke bedingen in de toepasselijke algemene voorwaarden. [4] Volgens Richtlijn 93/13/EEG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten is een beding oneerlijk wanneer dit het evenwicht tussen de wederzijdse rechten en verplichtingen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort. De kantonrechter moet in iedere procedure over ieder onderdeel van de vordering beoordelen of daarover in de algemene voorwaarden afspraken zijn gemaakt en of die afspraken al dan niet oneerlijk zijn ten opzichte van de consument. Als de kantonrechter oordeelt dat een contractuele afspraak oneerlijk is, moet het beding worden vernietigd en moet de vordering op dat onderdeel worden afgewezen (ook als de eisende partij in de procedure een beroep doet op wettelijke bepalingen in plaats van op die contractuele afspraak).
2.7.
Op de overeenkomst(en) zijn de volgende algemene voorwaarden van toepassing verklaard: ‘Voorwaarden en overeenkomsten’ van [eiser] (hierna: de algemene voorwaarden). Daarnaast zijn op de overeenkomst(en) de ‘[eiser] B.V. consumenten voorwaarden’ van toepassing verklaard (hierna: de consumentenvoorwaarden).
2.8.
De bedingen uit de algemene voorwaarden die op de vordering van toepassing zijn, te weten artikel 6 van Pro de huurvoorwaarden, de artikelen 1 en 2 van de verzekeringsvoorwaarden en de artikelen 2 en 14 van de zakelijke voorwaarden, zijn door de kantonrechter getoetst en niet oneerlijk bevonden.
2.9.
Artikel 10.16 van de consumentenvoorwaarden bevat een incassokostenbeding. Dat luidt als volgt:
’10.16 Onverminderd (…) aanvaardt de consument een persoonlijke verantwoordelijkheid om te betalen voor: (…)c) Advocaatkosten waar de wet dit toestaat, incassokosten etc. die aan de consument worden opgelegd. (…)’
2.10.
De bedoelde bedingen sluiten onvoldoende aan bij artikel 6:96 lid 5 en Pro lid 6 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. In het algemeen spraakgebruik wordt de term ‘incassokosten’ niet alleen gebruikt in de zin van de wettelijke regeling voor incassokosten (artikel 6:96 lid 2 sub c BW Pro en de leden 5 en 6 van datzelfde artikel). De term ‘incassokosten’ komt in dat wetsartikel ook niet voor. Het gebruik van deze term in voornoemde bedingen sluit voor een normaal geïnformeerde en redelijk omzichtige en oplettende gemiddelde consument dus niet uit dat daarmee ook andere kosten kunnen worden bedoeld. Het gebrek aan verwijzing naar artikel 6:96 lid 5 en Pro 6 BW leidt er bovendien toe dat kan worden afgeweken van de wet en dat incassokosten ongelimiteerd in rekening kunnen worden gebracht. Daarom is het beding vermoedelijk oneerlijk.
2.11.
De kantonrechter is daarom voornemens om dit beding vanwege deze oneerlijkheid te vernietigen en de buitengerechtelijke incassokosten af te wijzen. De eisende partij zal in de gelegenheid worden gesteld om zich uit te laten over dit voorlopige oordeel.
2.12.
Artikel 10.3.3 van de consumentenvoorwaarden bevat een prijswijzigingsbeding. Dat luidt als volgt:
‘Volgens huidige wetgeving kan de [eiser] partner na ondertekening van de auto huurovereenkomst achteraf verschuldigde kosten in rekening brengen of het transactiebedrag wijzigen.’
2.13.
Dit beding valt onder punt 1 onder j en l en punt 2 sub b en d van de bijlage bij Richtlijn 93/13/EEG. Deze bijlage bevat een indicatieve en niet uitputtende lijst van bedingen die als oneerlijk kunnen worden aangemerkt. [5] Op grond van deze punten in samenhang met vaste jurisprudentie van het Europese Hof van Justitie [6] is een prijswijzigingsbeding slechts aanvaardbaar wanneer de gronden voor de prijswijziging in de overeenkomst of algemene voorwaarden worden genoemd en deze een geldige reden voor wijziging vormen. Het beding moet ook voldoen aan het transparantievereiste. Dit transparantievereiste moet ruim worden uitgelegd, en impliceert dat een normaal geïnformeerde en redelijk omzichtige en oplettende gemiddelde consument bij het sluiten van de overeenkomst in staat moet worden gesteld om de concrete werking van het beding te begrijpen, en op basis van duidelijke en begrijpelijke criteria de – mogelijk aanzienlijke – economische gevolgen van het beding voor zijn financiële verplichtingen te beoordelen. De bedingen dienen duidelijk en begrijpelijk te zijn opgesteld. [7] Het betrokken beding moet voor de consument niet alleen grammaticaal duidelijk en begrijpelijk zijn, maar de economische redenen voor de toepassing van het contractuele beding en het verband van dat beding met andere bedingen van de overeenkomst moeten voor die consument eveneens duidelijk en begrijpelijk zijn. De consument dient verder een reële mogelijkheid te hebben om de overeenkomst op te zeggen in het geval van een eenzijdige wijziging.
2.14.
Aan de hiervoor genoemde vereisten voldoet onderhavig prijswijzigingsbeding niet; met dit prijswijzigingsbeding kan de eisende partij het verschuldigde bedrag immers (achteraf) in onbeperkte mate verhogen. Daarmee is het onmogelijk om de financiële consequenties van de toepassing van dit beding in te schatten. Gelet hierop wordt dit beding vermoed oneerlijk te zijn. De kantonrechter is daarom voornemens om dit beding te vernietigen. De eisende partij zal in de gelegenheid worden gesteld om zich uit te laten over dit voorlopige oordeel.
2.15.
De overige bedingen uit de consumentenvoorwaarden die op de vordering van toepassing zijn, te weten de artikelen 8.1 en 10.3.4, zijn door de kantonrechter getoetst en niet oneerlijk bevonden.
Hoogte van de vordering
2.16.
De prijzen zoals afgesproken in de huurovereenkomst komen niet overeen met de uiteindelijk in rekening gebrachte bedragen op de factuur. De eisende partij heeft onvoldoende concreet gesteld waar deze verschillen vandaan komen. De eisende partij wordt daarom in de gelegenheid gesteld om per gefactureerde kostenpost (huurprijs, verzekeringen, borg, andere kosten en eventuele kortingen, etc.) uit te leggen welk bedrag is overeengekomen, hoe zij dit berekend heeft en welk bedrag zij uiteindelijk aan de gedaagde partij in rekening heeft gebracht. Als de overeengekomen en gefactureerde posten verschillen, dan dient de eisende partij uit te leggen wat de grondslag daarvoor is.
2.17.
Daarbij wordt de eisende partij ook in de gelegenheid gesteld om toe te lichten of en in hoeverre zij bij het wijzigen van deze prijzen toepassing heeft gegeven aan het prijswijzigingsbeding uit artikel 10.3.3 van de consumentenvoorwaarden.
Conclusie
2.18.
De eisende partij wordt in de gelegenheid gesteld bij akte de onder 2.5, 2.16 en 2.17 bedoelde toelichting te geven. In deze akte kan zij zich ook uitlaten over de voorlopige oordelen over de oneerlijkheid van de hierboven bedoelde bedingen.
2.19.
Als aan de hierboven bedoelde opdracht niet of niet volledig wordt voldaan, zal de kantonrechter daaraan op grond van de artikelen 22 en 139 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering de gevolgen verbinden die zij geraden acht.
2.20.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

3.De beslissing

De kantonrechter:
3.1.
verwijst de zaak naar de rol van 8 april 2026 om de eisende partij in de gelegenheid te stellen bij akte de onder 2.5, 2.16 en 2.17 bedoelde toelichting te geven en zich uit te laten over de voorlopige oordelen over de oneerlijkheid van de hierboven bedoelde bedingen;
3.2.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.P.E. Oomens en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter

Voetnoten

1.Zie, onder meer, het arrest van de Hoge Raad van 12 november 2021,ECLI:NL:HR:2021:1677.
2.Hoge Raad 10 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:404.
3.De eisende partij is al in een eerdere procedure gewaarschuwd. De dagvaarding in deze procedure is echter betekend voor het ingaan van de datum in die waarschuwing. Daarom geldt deze waarschuwing voor procedures die worden
4.HvJ EU 27 januari 2021, C‑229/19 en C‑289/19, ECLI:EU:C:2021:68 (Dexia).
5.Artikel 3 lid 3 Richtlijn Pro 93/13/EEG.
6.HvJ EU 26 april 2012, C-472/10, ECLI:EU:C:2012:242 en HvJ EU 21 maart 2013 (RWE Vertrieb), C-92/11, ECLI:C:EU:2013:180; zie ook het Rapport Ambtshalve Toetsing III pag. 35 en 36.
7.Artikel 5 Richtlijn Pro 93/13/EEG.