ECLI:NL:RBNHO:2026:2611

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
10 maart 2026
Publicatiedatum
12 maart 2026
Zaaknummer
25/1873
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Tussenuitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5.4a WooArt. 2.1 WooArt. 2.2 WooArt. 6:20 AwbArt. 8:1 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Tussenuitspraak over openbaarmaking Woo-informatie gemeenteraad Velsen inzake asielzoekerscentrum

Eiser verzocht de gemeenteraad van Velsen om openbaarmaking van alle documenten die verband houden met het statement van 29 februari 2024 over het onderzoek naar een asielzoekerscentrum in Santpoort-Zuid. De raad wees het verzoek deels af, stellende dat een deel van de informatie niet onder de Woo valt, met name communicatie gericht aan individuele raadsleden.

De rechtbank oordeelt dat het statement en de stukken die de griffie van de raad beheert, verband houden met de publieke taak van de gemeenteraad en dus onder de reikwijdte van de Woo vallen. Communicatie die bij individuele raadsleden berust, valt daarentegen niet onder de Woo omdat zij niet als bestuursorgaan optreden.

Verder constateert de rechtbank een motiveringsgebrek in het besluit van de raad omtrent de weigering van openbaarmaking van bepaalde stukken. De bezwaarprocedure wordt ondanks een formeel gebrek als voldoende zorgvuldig beoordeeld. De rechtbank geeft de raad de gelegenheid om het motiveringsgebrek binnen twaalf weken te herstellen en houdt verdere beslissingen aan tot de einduitspraak.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit niet-ontvankelijk en geeft de raad de gelegenheid het motiveringsgebrek in het bestreden besluit te herstellen.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 25/1873 T

tussenuitspraak van de meervoudige kamer van 10 maart 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser,

en

de raad van de gemeente Velsen

(gemachtigde: mr. R.A.J. de Jong).

Inleiding

1. Op 29 februari 2024 heeft de gemeenteraad een statement gepubliceerd op zijn website naar aanleiding van berichten die individuele raadsleden en de raad hebben ontvangen in reactie op een onderzoek naar mogelijkheden om een asielzoekerscentrum te vestigen in Santpoort-Zuid .
1.1.
In dit statement wordt aangegeven dat sommige van deze reacties worden ervaren als intimiderend en bedreigend en worden de inwoners van Santpoort-Zuid en Velsen opgeroepen om het maatschappelijke debat op een respectvolle manier voort te zetten.
1.2.
Naar aanleiding van dit statement heeft eiser op 2 juli 2024 een verzoek ingediend bij de raad op grond van de Wet open overheid (Woo). Eiser heeft verzocht om openbaarmaking van alle documenten (inclusief e-mails, brieven, WhatsApps, chatberichten, kattebelletjes, enzovoorts) die de in het statement bedoelde insinuaties, intimidaties en bedreigingen bevatten of die daartoe de aanleiding waren. Ook heeft eiser verzocht om alle documenten die tot de totstandkoming van het statement van de gemeenteraad hebben geleid. Voor zover deze informatie al openbaar is, verzoekt eiser de raad om aan te geven waar hij deze stukken kan vinden alsook wat het nummer is op de lijst van ingekomen raadsstukken. Tot slot heeft eiser de raad verzocht om de openbaarmaking van alle andere documenten rondom dit statement die te maken hebben met de totstandkoming, de publicatie ervan en het optreden namens de raad bij Nieuwsuur over dit onderwerp.
1.3.
De raad heeft het Woo-verzoek op 1 oktober 2024 deels afgewezen. De raad stelt zich in dit besluit op het standpunt dat een deel van de verzochte informatie al openbaar is en een ander deel niet onder de reikwijdte van de Woo valt. De raad heeft wel een WhatsApp-gesprek tussen de griffier en een journalist van Nieuwsuur openbaar gemaakt met uitzondering van de naam van de journalist.
1.4.
Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
1.5.
Eiser heeft op 1 april 2025 beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op het bezwaar.
1.6.
In het bestreden besluit van 17 april 2025 op het bezwaar van eiser heeft de raad het primaire besluit gehandhaafd en daarbij een aanvullende motivering gegeven.
1.7.
Eiser heeft schriftelijk gemotiveerd aangegeven het niet eens te zijn met het bestreden besluit. Op grond van artikel 6:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) houdt het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit ook een beroep tegen het bestreden besluit in.
1.8.
De raad heeft een verweerschrift ingediend.
1.9.
Eiser heeft nadere stukken ingediend.
1.10.
De rechtbank heeft de zaak op 27 januari 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen. De raad heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verder was [naam] , [functie] , aanwezig.

Beoordeling door de rechtbank

Het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit
2. Omdat de raad alsnog een besluit op het bezwaar van eiser heeft genomen, heeft eiser geen belang meer bij een beoordeling van het beroep tegen het niet tijdig nemen van dat besluit. Dat beroep is daarom niet-ontvankelijk.
Het bestreden besluit
3. De raad stelt zich in het bestreden besluit op het standpunt dat het Woo-verzoek niet deels op grond van artikel 5.4a van de Woo had moeten worden afgewezen maar dat het verzoek in zijn geheel niet onder de reikwijdte van de Woo valt. De reikwijdte van de Woo beperkt zich volgens de raad tot informatie die verband houdt met de publieke taak van het bestuursorgaan. De raad wijst erop dat het statement van 29 februari 2024 geen besluit is in de zin van artikel 1:3 van Pro de Awb. Het statement is weliswaar ondertekend door alle raadsleden maar het betreft geen statement van de raad als bestuursorgaan. Daarvoor is immers op grond van artikel 32a van de Gemeentewet vereist dat het ondertekend wordt door de burgemeester en de griffier. Daarmee is volgens de raad in dit geval geen sprake van de uitvoering van een publieke taak. De reacties die de raadsleden hebben ontvangen en die de aanleiding vormden voor het statement, vallen volgens de raad ook niet onder de reikwijdte van de Woo omdat deze persoonlijk aan de raadsleden gericht zijn en daarom niet bij de raad als bestuursorgaan berusten. Hetzelfde geldt voor de onderlinge communicatie hierover tussen de raadsleden zelf. Dit is informatie die aan de raadsleden als persoon toebehoort en niet aan de raad als bestuursorgaan. Voor zover de griffie van de raad beschikt over deze communicatie is dit dus louter voor de individuele ondersteuning van de raadsleden en is de raad op grond van artikel 5.4a van de Woo niet verplicht deze stukken openbaar te maken. Ook de correspondentie tussen de griffie en Nieuwsuur houdt volgens de raad geen verband met zijn publieke taak waardoor deze ook niet onder de reikwijdte van de Woo valt. Voor zover de raad bij het primaire besluit al correspondentie tussen de griffier en een journalist openbaar heeft gemaakt, stelt hij zich nu op het standpunt dat dit onverplicht is gebeurd. Tot slot komt de raad tot de conclusie dat hij duidelijker had kunnen aangeven waar eiser de reeds openbare informatie kan vinden. In de bijlage bij het bestreden besluit is daarom per ingekomen stuk aangegeven onder welk nummer dit terug te vinden is op de website van de gemeente.
Omvang van het geding
4. De rechtbank overweegt ten eerste dat op grond van artikel 8:1 van Pro de Awb bij de bestuursrechter beroep kan worden ingesteld tegen een besluit van een bestuursorgaan of tegen een handelen of nalaten dat op grond van artikel 6:2 of Pro artikel 8:2 van Pro de Awb met een besluit gelijk wordt gesteld. Het beroep van eiser betreft een besluit op een Woo-verzoek. In het kader daarvan kan de rechtbank enkel beoordelen of de door eiser verzochte informatie onder de reikwijdte van de Woo valt en op grond daarvan openbaar gemaakt had moeten worden. In dit geval moet de rechtbank daarvoor beoordelen of de verzochte informatie verband houdt met de publieke taak van, en berust bij, de raad. Indien deze vragen bevestigend worden beantwoord, valt de verzochte informatie onder de reikwijdte van de Woo en moet worden beoordeeld of een van de uitzonderingen van hoofdstuk 5 van de Woo van toepassing is.
4.1.
Dit betekent dat voor zover eiser twijfelt aan de juistheid van het statement van 29 februari 2024 en daarvan feitelijke onderbouwing wil zien, deze kwestie buiten de omvang van het geding valt. De rechtbank gaat daarom ook niet in op de vraag of de door de raad openbaar gemaakte informatie het publiceren van het statement rechtvaardigt. Hetzelfde geldt voor het verzoek dat eiser ter zitting heeft gedaan om te bepalen dat de raad zorgt voor een passende vorm van rectificatie en excuses.
Houdt het statement verband met de publieke taak van de gemeenteraad?
5. Op grond van artikel 4.1, eerste lid, van de Woo kan eenieder een verzoek om publieke informatie richten tot een bestuursorgaan of een onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan werkzame instelling, dienst of bedrijf. Op grond van artikel 2.1, gelezen in verbinding met artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder a, van de Woo wordt onder publieke informatie verstaan informatie neergelegd in documenten die berusten bij een bestuursorgaan. Op grond van dezelfde bepalingen wordt onder document verstaan een door een bestuursorgaan opgemaakt of ontvangen schriftelijk stuk of ander geheel van vastgelegde gegevens dat naar zijn aard verband houdt met de publieke taak van dat orgaan.
5.1.
Volgens eiser valt de verzochte informatie onder de reikwijdte van de Woo omdat het statement namens de gemeenteraad is uitgebracht en daarom verband houdt met zijn publieke taak. Eiser wijst op het feit dat het statement op de website van de gemeente wordt betiteld als ‘statement gemeenteraad inzake reacties op onderzoek naar locatie AZC’. Ook landelijke media spreken over een statement van de gemeenteraad Velsen. Hieruit blijkt volgens eiser dat de publicatie van het statement wel moet worden aangemerkt als een handeling van de gemeenteraad als bestuursorgaan.
5.2.
Deze beroepsgrond slaagt. Uit de toelichting bij artikel 2.1 van de Woo volgt dat de zinsnede “naar zijn aard verband houdt met de publieke taak” breed moet worden uitgelegd. [1] Het gaat hierbij niet alleen om de documenten die direct gerelateerd zijn aan het uitoefenen van publiek gezag of andere bestuurstaken, maar ook om documenten die gerelateerd zijn aan aangelegenheden die voor de uitoefening van die publieke taak randvoorwaardelijk zijn. Naar het oordeel van de rechtbank raakt een statement over de manier waarop raadsleden bejegend wensen te worden op zich al aan de publieke taak van de gemeenteraad. Daar komt bij dat het onderzoek naar mogelijke locaties voor een asielzoekerscentrum in de gemeente dat in opdracht van de raad wordt uitgevoerd, ook een uitoefening is van zijn publieke taak. Statements op de website van de gemeente die betrekking hebben op dit onderzoek en naar aanleiding daarvan zijn gepubliceerd, houden daarom ook verband met de publieke taak van de raad. Het standpunt van de raad dat het statement is gemaakt door de individuele raadsleden en niet overeenkomstig de regels van de Gemeentewet door de raad als bestuursorgaan, doet hier niet aan af. Niet de vorm maar de inhoud van de gevraagde informatie is immers bepalend voor de vraag of deze verband houdt met de publieke taak van een bestuursorgaan. Het Woo-verzoek van eiser ziet dus op informatie die naar haar aard verband houdt met de publieke taak van de raad. Vervolgens moet de vraag worden beantwoord of de verzochte informatie berust onder de raad en, zo ja, of deze informatie op grond van de Woo openbaar gemaakt dient te worden.
Berust de verzochte informatie bij de raad?
6. Eiser stelt zich op het standpunt dat, voor zover de verzochte informatie berust bij de griffie of de individuele raadsleden, deze optreden namens de gemeenteraad en dat deze informatie om die reden ook valt onder de reikwijdte van de Woo.
6.1.
De rechtbank wijst er allereerst op dat berichten die aan de raad als geheel zijn gericht, al openbaar gemaakt zijn, zodat daarover geen geschil bestaat. Hetzelfde geldt voor het WhatsApp-gesprek tussen de griffier en een journalist van Nieuwsuur. Ter zitting heeft de gemeenteraad toegelicht dat de berichten die de individuele raadsleden ontvangen niet ook bij de griffie belanden. De berichten aan de individuele raadsleden berusten dus niet bij de gemeenteraad en kan hij alleen al om die reden niet openbaar maken. De rechtbank wijst er daarbij op dat een individueel raadslid geen bestuursorgaan is. Een raadslid is immers niet individueel met een taak of met openbaar gezag belast, maar fungeert als onderdeel van het bestuursorgaan gemeenteraad, waaraan collectief taken en bevoegdheden zijn opgedragen. [2] Gelet op zijn onafhankelijke positie, zoals gegarandeerd door artikel 129, zesde lid, van de Grondwet en artikel 27 van Pro de Gemeentewet, valt een raadslid ook niet onder de verantwoordelijkheid van de gemeenteraad. Individuele raadsleden zijn daarom niet onderworpen aan (verplichtingen uit) de Woo. Dit betekent dat de informatie waarover zij individueel beschikken ook niet onder de reikwijdte van de Woo valt. [3]
6.2.
Dat geldt echter niet voor de stukken die dienden ter voorbereiding van de publicatie van het statement die onder de griffie van de gemeenteraad berusten. Omdat de griffie onder de verantwoordelijkheid van de gemeenteraad werkt, vallen deze stukken wel onder de reikwijdte van de Woo. De raad heeft zich subsidiair op het standpunt gesteld dat de openbaarmaking van deze stukken geweigerd moet worden omdat het informatie betreft ten behoeve van de ondersteuning van individuele raadsleden in de zin van het eerste lid van artikel 5.4a van de Woo. De rechtbank volgt deze redenering niet. Met toepassing van artikel 8:29 van Pro de Awb heeft de rechtbank kennisgenomen van deze stukken en vastgesteld dat deze specifiek betrekking hebben op het uitbrengen van het statement door alle raadsleden gezamenlijk. Deze stukken dienen daarmee niet ter ondersteuning van individuele raadsleden maar ter voorbereiding van een uitlating van de raad die, zoals hiervoor onder 5.2 overwogen, verband houdt met zijn publieke taak. Deze stukken zijn dan ook niet op grond van artikel 5.4a van de Woo uitgezonderd van de hoofdregel van de Woo, maar dienen in beginsel openbaar gemaakt te worden. Voor zover de raad van mening is dat een andere weigeringsgrond van toepassing is, dient hij dit te motiveren. Nu de raad dit niet heeft gedaan, constateert de rechtbank een motiveringsgebrek in het bestreden besluit.
Is de bezwaarprocedure zorgvuldig gevoerd?
7. Eiser voert verder aan dat de bezwaarprocedure niet volgens de algemene beginselen van behoorlijk bestuur is afgehandeld. Eiser stelt dat een van de drie leden van de externe adviescommissie niet officieel benoemd was door de raad op het moment van de hoorzitting.
7.1.
Volgens artikel 3 van Pro de Verordening commissie bezwaarschriften van de gemeente Velsen dienen de leden van de adviescommissie benoemd te worden door de raad. Op grond van artikel 11 dient Pro bij de hoorzitting een meerderheid van de commissieleden, onder wie de voorzitter of zijn plaatsvervanger, aanwezig te zijn. Op de hoorzitting op 3 februari 2025 is mede gehoord door een persoon die toen nog niet benoemd was als commissielid. Dit is een formeel gebrek, maar de rechtbank ziet aanleiding om het gebrek te passeren met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Awb. Uit het verslag van de hoorzitting blijkt namelijk dat mede is gehoord door twee personen die wel al als commissieleden waren benoemd. Een van deze personen fungeerde daarbij als voorzitter, waardoor voldaan is aan de eisen van artikel 11 van Pro de Verordening. Dat de voorzitter niet als zodanig door de gemeenteraad benoemd was, vormde daarbij geen beletsel, aangezien de adviescommissie op grond van artikel 3 van Pro de Verordening zelf de vervanging van de benoemde voorzitter regelt. Daarnaast is van belang dat het horende niet-lid op 27 maart 2025 alsnog is benoemd. Verder heeft eiser niet onderbouwd in zijn belangen te zijn geschaad door de gang van zaken. Eiser heeft immers aangegeven dat hij geen behoefte heeft aan het overdoen van de bezwaarprocedure en liever een inhoudelijk oordeel van de rechtbank wil over zijn Woo-verzoek. Eiser is ook niet ingegaan op het aanbod van de raad van 14 maart 2025 om het gebrek te herstellen.
Conclusie
8. Zoals in rechtsoverweging 6.2 is overwogen is het bestreden besluit in strijd met het motiveringsbeginsel. Op grond van artikel 8:51a, eerste lid, van de Awb kan de rechtbank het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen. Op grond van artikel 8:80a van de Awb doet de rechtbank dan een tussenuitspraak. De rechtbank ziet in dit geval aanleiding om hiervan gebruik te maken en de raad in de gelegenheid te stellen het gebrek te herstellen. Dat herstellen kan hetzij met een aanvullende motivering, hetzij, voor zover nodig, met een nieuwe beslissing op bezwaar, na of tegelijkertijd met intrekking van het nu bestreden besluit. Om het gebrek te herstellen moet de raad de stukken die wel onder de reikwijdte van de Woo vallen beoordelen in het licht van de overige weigeringsgronden van de Woo en alsnog openbaar maken voor zover een toereikende motivering van een weigering niet mogelijk is. De rechtbank bepaalt de termijn waarbinnen de raad het gebrek kan herstellen op twaalf weken na verzending van deze tussenuitspraak.
9. De raad moet op grond van artikel 8:51b, eerste lid, van de Awb én om nodeloze vertraging te voorkomen zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen twee weken, meedelen aan de rechtbank of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen. Als de raad gebruik maakt van die gelegenheid, zal de rechtbank eiser in de gelegenheid stellen binnen vier weken te reageren op de herstelpoging van de raad. In beginsel, ook in de situatie dat de raad de hersteltermijn ongebruikt laat verstrijken, zal de rechtbank zonder tweede zitting uitspraak doen op het beroep.
10. Het geding zoals dat na deze tussenuitspraak wordt gevoerd, blijft in beginsel beperkt tot de beroepsgronden zoals die zijn besproken in de tussenuitspraak, omdat het inbrengen van nieuwe geschilpunten over het algemeen in strijd met de goede procesorde wordt geacht.
11. De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat laatste betekent ook dat zij over de proceskosten, het griffierecht en het ter zitting door eiser gedane verzoek om schadevergoeding nu nog geen beslissing neemt.

Beslissing

De rechtbank:
- draagt de raad op zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen twee weken na verzending van deze tussenuitspraak, de rechtbank mee te delen of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen;
- stelt de raad in de gelegenheid om binnen twaalf weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak;
- houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. J. de Vries, voorzitter, en mr. R.H.M. Bruin en mr. R. Brouwer, leden, in aanwezigheid van mr. L.J. Besseling, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 10 maart 2026.
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.

Voetnoten

1.Kamerstukken I 2021-2022, 33 328, AB, bijlage, blz. 42.
2.Vergelijk de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 6 juni 2007, ECLI:NL:RVS:2007:BA6497, en 12 oktober 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BT7337.
3.Zie ook de toelichting op artikelen 2.2 en 5.4a van de Woo, Kamerstukken I 2021-2022, 33 328, AB, bijlage, blz. 46, 104 en 105, en de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 11 april 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:2789.