ECLI:NL:RBNHO:2026:2735

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
12 maart 2026
Publicatiedatum
16 maart 2026
Zaaknummer
24/4535
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:51a AwbArt. 2.12 WaboArt. 3.9 WaboArt. 4.3 Invoeringswet Omgevingswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging omgevingsvergunning wegens onvoldoende motivering bezonning nieuwbouwwoning

Eisers hebben beroep ingesteld tegen de omgevingsvergunning die het college van burgemeester en wethouders van Haarlemmermeer heeft verleend voor de bouw van een nieuwbouwwoning. De rechtbank oordeelde in een tussenuitspraak dat het college onvoldoende had gemotiveerd dat de nieuwbouwwoning geen onevenredige nadelige gevolgen zou hebben voor de bezonning op het perceel van eisers.

Het college kreeg via een bestuurlijke lus de gelegenheid om dit motiveringsgebrek te herstellen. Met een aanvullende bezonningstudie, uitgevoerd door de architect van vergunninghouder, toonde het college aan dat voldaan werd aan de 'lichte' TNO-norm van ten minste twee bezonningsuren per dag. Eisers voerden bezwaren aan tegen de studie, maar de rechtbank vond deze onvoldoende onderbouwd.

De rechtbank concludeerde dat het motiveringsgebrek was hersteld en vernietigde het bestreden besluit, maar bepaalde dat de rechtsgevolgen van het besluit in stand blijven. Hierdoor beschikt vergunninghouder over een geldige omgevingsvergunning. Het college werd veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eisers.

Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering over bezonning, maar de rechtsgevolgen blijven in stand na herstel van het motiveringsgebrek.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 24/4535

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 maart 2026 in de zaak tussen

[eiser] en [eiseres] , uit [plaats 1] , eisers

(gemachtigde: E. Drenth),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlemmermeer

(gemachtigde: mr. V. van Toledo).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel:
[derde-partij], uit [plaats 2] , vergunninghouder.

Procesverloop

Vergunninghouder heeft op 11 mei 2022 een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning voor de bouw van een nieuwbouwwoning achter de woning aan de [adres] in [plaats 1] en voor het in verband met de bouw afwijken van een bestemmingsplan.
Het college heeft op 19 juni 2024 de omgevingsvergunning verleend.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen dit besluit.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 11 juni 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, mr. K.A. Luehof als waarnemer van de gemachtigde van eisers, de gemachtigde van het college, vergunninghouder en haar zoon [naam] .
Na afloop van de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk mondeling een tussenuitspraak gedaan.
In de tussenuitspraak heeft de rechtbank het college in de gelegenheid gesteld om binnen twaalf weken, met inachtneming van wat in de tussenuitspraak is overwogen, een aanvullende onderbouwing te geven van het standpunt dat de nieuwbouwwoning geen onevenredige nadelige gevolgen zal hebben voor de bezonning op het perceel van eisers.
Het college heeft bij brief van 1 september 2025 in reactie op de tussenuitspraak een aanvullende motivering ingediend.
Eisers hebben op 9 oktober 2025 een schriftelijke zienswijze ingediend.
Op verzoek van de rechtbank heeft het college op 2 december 2025 schriftelijk gereageerd op de zienswijze van eisers.
Tot slot hebben eisers bij brief van 18 december 2025 op verzoek van de rechtbank gereageerd op de reactie van het college van 2 december 2025.
De rechtbank heeft het onderzoek op 2 februari 2026 gesloten en bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft.

Overwegingen

1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). In dit geval is de aanvraag om een omgevingsvergunning ingediend op 11 mei 2022. Dat betekent dat in dit geval niet de Omgevingswet maar de Wabo zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
2. Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak. De rechtbank blijft bij al wat zij in de tussenuitspraak heeft overwogen en beslist, tenzij hierna uitdrukkelijk anders wordt overwogen.
3. In de tussenuitspraak heeft de rechtbank, kort gezegd, overwogen dat de beroepsgronden van eisers voor zover die zien op de wijze van terinzagelegging van het ontwerpbesluit en op de door hen gestelde privaatrechtelijke belemmering bij het bouwplan, niet kunnen leiden tot een gegrond beroep. Voor de motivering hiervan verwijst de rechtbank naar de tussenuitspraak. Ten aanzien van de door eisers gestelde nadelige gevolgen van de nieuwbouwwoning voor de bezonning op hun perceel is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd dat hiervan geen sprake is. De rechtbank heeft daarom aanleiding gezien om het college door middel van een bestuurlijke lus op grond van artikel 8:51a van de Algemene wet bestuursrecht de gelegenheid te geven om dit gebrek te herstellen.
4. Bij de brief van 1 september 2025 heeft het college een bezonningstudie overgelegd waaruit blijkt dat beide achtergevels van het huis van eisers voldoen aan de ‘lichte’ norm van ten minste twee bezonningsuren per dag in de periode van 19 februari tot 21 oktober, zoals vastgesteld door het onafhankelijke onderzoeksinstituut TNO. Omdat wordt voldaan aan deze norm, is volgens het college geen sprake van onevenredige nadelige gevolgen voor de bezonning op het perceel van eisers.
5. Eisers voeren in hun zienswijze van 9 oktober 2025 aan dat de bezonningstudie ten onrechte is uitgevoerd door de architect van vergunninghouder. Daarnaast stellen eisers dat het college ook had moeten toetsen aan de ‘strenge’ TNO-norm van ten minste drie mogelijke bezonningsuren per dag en dat uit de onderbouwing van het college niet volgt welke maten zijn gehanteerd bij het uitvoeren van de bezonningstudie. Ten slotte voeren eisers in hun zienswijze van 18 december 2025 aan dat het college ten onrechte stelt dat de schaduwwerking van de nieuwbouwwoning op de tuin van eisers niet relevant is. Eisers zijn voornemens om hun achtertuin om te vormen tot een zonneterras met een gazon en een parkeerplaats. Het feit dat er geen TNO-norm bestaat voor tuinen maakt volgens eisers niet dat hier helemaal geen rekening mee gehouden moet worden.
6. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college met zijn aanvullende onderbouwing voldoende gemotiveerd dat de nieuwbouwwoning geen onevenredige nadelige gevolgen zal hebben voor de bezonning op het perceel van eisers. Hiermee is het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek hersteld. De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.
7. De rechtbank stelt voorop dat het voldoen aan de normen van TNO geen wettelijke verplichting is. Dat neemt niet weg dat een toename van schaduw door nieuwbouw onevenredig kan zijn en daarmee in strijd kan zijn met een goede ruimtelijke ordening zoals bedoeld in artikel 2.12 van de Wabo. Het niet voldoen aan de normen van TNO kan wel een indicatie vormen dat een bouwplan in strijd is met de goede ruimtelijke ordening.
8. Het feit dat de bezonningstudie die ten grondslag ligt aan de onderbouwing van het college is uitgevoerd door de architect van de vergunninghouder, maakt op zichzelf niet dat de bezonningstudie niet deugt. Het is immers aan de aanvrager van een omgevingsvergunning om de aanvraag te onderbouwen. Het uitvoeren van een bezonningstudie kan daar deel van uitmaken. Het is vervolgens aan eisers om te onderbouwen waarom deze bezonningstudie niet deugt. Dat hebben eisers in dit geval niet gedaan. Eisers hebben in dit kader enkel gesteld dat uit de bezonningstudie niet volgt welke maten zijn gehanteerd bij het uitvoeren van de bezonningstudie. De rechtbank merkt op dat uit het videobestand bij de reactie van het college van 2 december 2025 blijkt dat de maatvoering juist is en dat is uitgegaan van een juiste verhouding van de nieuwbouwwoning tot de woning van eisers. Zodoende ziet de rechtbank geen reden om te twijfelen aan de juistheid van de bezonningstudie.
9. Uit deze bezonningstudie blijkt vervolgens dat in ieder geval wordt voldaan aan de ‘lichte’ TNO-norm. Naar het oordeel van de rechtbank is daarmee geen sprake van onevenredige gevolgen voor de bezonning op het perceel van eisers. De rechtbank verwijst hierbij naar uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 16 april 2025 [1] en 2 juli 2025. [2] Zodoende heeft het college ook geen aanleiding hoeven te zien om te toetsen aan de ‘strenge’ TNO-norm. Tot slot maakt het feit dat de TNO-norm alleen ziet op direct zonlicht binnenshuis en geen rekening houdt met de bezonning van de tuin, dit niet anders. Als binnenshuis wordt voldaan aan deze norm, mag immers worden aangenomen dat er in de tuin van eisers ook voldoende zonlicht is.
10. Gelet op het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek, is het beroep gegrond. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. Omdat het college in zijn reactie op de tussenuitspraak en in de daarna gevoerde correspondentie het gebrek heeft hersteld, laat de rechtbank de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand. Dit betekent dat vergunninghouder - ondanks de vernietiging - over een geldige omgevingsvergunning beschikt op grond waarvan zij de nieuwbouwwoning mag bouwen.
11. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet het college aan eisers het door hen betaalde griffierecht vergoeden.
12. Omdat het beroep gegrond is, krijgen eisers een vergoeding voor de proceskosten die zij hebben gemaakt. Het college moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door hun gemachtigde als beroepsmatige rechtsbijstandverlener levert drie punten op. Eén punt voor het indienen van het beroepschrift, één punt voor het verschijnen ter zitting en twee keer een half punt voor de schriftelijke reacties na de tussenuitspraak, met een waarde per punt van € 934,- bij een wegingsfactor 1. Toegekend wordt € 2.802,-.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven;
- draagt het college op het betaalde griffierecht van € 187,- aan eisers te vergoeden;
- veroordeelt het college in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 2.802,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. J. de Vries, rechter, in aanwezigheid van mr. L.J. Besseling, griffier, en uitgesproken in het openbaar op 12 maart 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak en de tussenuitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak en de tussenuitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.