Uitspraak
RECHTBANK Noord-Holland
1.De procedure
2.De feiten
er is toen een mantelzorgconstructie gerealiseerd, daarmee is het bijgebouw omgebouwd tot volledig vrijstaande woning, investering van het bijgebouw ligt op ca EUR. 200.000,-- (opgave eigenaar).”
3.Het geschil
- De familierelatie tussen partijen;
- De oorspronkelijke bedoeling van de langdurige bewoning van de schuur;
- De significante investeringen van [eiser];
- [eiser] moet elders tegen een veel hogere prijs wonen;
- Het gebrek aan respons van [gedaagde] op verzoeken tot compensatie.
4.De beoordeling
1 januari 2024 (€ 808.000,00) niet bijzonder ver uit elkaar liggen, terwijl [gedaagde] onweersproken heeft aangevoerd dat de WOZ-taxateur geen rekening heeft gehouden met de verbouwing van de begane grond van de schuur tot woonruimte. [gedaagde] voert dan ook terecht aan dat die WOZ-waarde er niet op wijst dat de waardestijging van de woning (grotendeels) aan de door [eiser] (en [betrokkene 2]) gedane investeringen is toe te rekenen. Het is juist aannemelijker dat andere factoren tot de waardestijging van de woning hebben geleid, zoals ontwikkelingen in de vastgoedmarkt en veranderingen in de buurt. Zonder nadere toelichting en/of stukken van [eiser], die ontbreken, blijkt daarom niet wat het effect van de verbouwing van de begane grond van de schuur en het aanleggen van de nieuwe tuin is geweest op de waarde van de woning.