ECLI:NL:RBNHO:2026:3

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
5 januari 2026
Publicatiedatum
15 december 2025
Zaaknummer
11897894
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:610b BWArt. 7:677 BWArt. 7:678 lid 1 BWArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontslag op staande voet wegens miscommunicatie inroostering niet rechtsgeldig

Een werknemer bij een bakkerij/café werd op 28 augustus 2025 op staande voet ontslagen via WhatsApp vanwege vermeende werkweigering op 29 augustus 2025. De werknemer stelde dat er sprake was van een misverstand over de inroostering en dat zij tijdig had laten weten niet beschikbaar te zijn. De werkgever stelde dat het ontslag terecht was vanwege de laatste druppel en het niet nakomen van de werkverplichting.

De kantonrechter oordeelde dat er juridisch sprake was van een arbeidsovereenkomst, ondanks het ontbreken van een schriftelijke overeenkomst na een bedrijfsovername. Het ontslag op staande voet werd beoordeeld als ultimum remedium en moest gebaseerd zijn op een dringende reden die onverwijld moest worden meegedeeld. De kantonrechter vond dat de werkgever onvoldoende had aangetoond dat er een dringende reden was en dat de mededeling via WhatsApp niet voldeed aan de vereisten van onverwijldheid en duidelijkheid.

De miscommunicatie over het rooster en het feit dat de werknemer tijdig had laten weten niet te kunnen werken, rechtvaardigden geen ontslag op staande voet. Ook ontbraken eerdere waarschuwingen of een laatste waarschuwing. De kantonrechter vernietigde het ontslag en veroordeelde de werkgever tot doorbetaling van loon over de periode van 28 augustus 2025 tot en met 31 december 2025, inclusief wettelijke rente en proceskosten.

Uitkomst: Het ontslag op staande voet wordt vernietigd en de werkgever wordt veroordeeld tot doorbetaling van loon en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANKNOORD-HOLLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Haarlem
Zaaknummer / rekestnummer: 11897894 \ AO VERZ 25-133
Beschikking van 5 januari 2026
in de zaak van
[verzoeker],
te [plaats 1],
verzoekende partij,
hierna te noemen: [verzoeker],
gemachtigde: mr. A. Hashem Jawaheri,
tegen
[verweerder],
te [plaats 2],
verwerende partij,
hierna te noemen: [verweerder],
procederend in persoon.
De zaak in het kort
In deze zaak is een werknemer door haar werkgever, een bakkerij/café, op staande voet ontslagen. De werknemer verzoekt vernietiging van dit ontslag, omdat de dringende reden ontbreekt. Er was alleen sprake van een miscommunicatie inzake inroostering. De kantonrechter wijst het verzoek toe, omdat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is. Nu de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd reeds is afgelopen, is wedertewerkstelling niet meer aan de orde.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • verzoekschrift van 29 september 2025 met 4 producties;
  • verweerschrift van 19 november 2025 met 6 producties;
  • nadere stukken van [verzoeker] van 24 november 2025 met productie 5-9;
  • de mondelinge behandeling van 1 december 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
De beschikking is bepaald op vandaag.

2.De feiten

2.1.
[verzoeker], geboren op [geboortedatum] 2006, is sinds 1 juli 2024 voor bepaalde tijd in dienst bij [verweerder]. De eerste arbeidsovereenkomst liep tot en met 31 december 2024. Na 31 december 2024 is de arbeidsovereenkomst van rechtswege stilzwijgend verlengd onder dezelfde voorwaarden tot en met 1 juli 2025 (tweede contract). Na afloop hiervan is [verzoeker] wederom blijven werken, zodat de arbeidsovereenkomst nogmaals van rechtswege stilzwijgend is verlengd onder dezelfde voorwaarden tot en met 31 december 2025 (derde contract).
2.2.
De functie van [verzoeker] is horecamedewerker met een loon van € 14,00 bruto per uur ex 8% vakantiegeld. Op de arbeidsovereenkomst is de CAO Horeca van toepassing.
2.3.
Op donderdag 28 augustus 2025 is [verzoeker] op staande voet ontslagen via whatsapp. Partijen stuurden elkaar, voor zover relevant:
[verzoeker]:
‘Heyy ik begrijp het niet zo goed ik was bij toedeloe wat drinken vandaag met me moeder en [betrokkene] zij ik ben morgen en zaterdag nog vrij. Maar mini appte me net dat ik morgen wat moest halen.’
[verweerder]:
‘Morgen werk jij en zaterdag ook.’
[verzoeker]:
‘Nee, maar [betrokkene] zei van huh wat doe jij hier, je komt toch pas later terug, want [verweerder] zij dat je vrijdag en zaterdag niet moest werken, toen had jij mij inderdaad geappt en heb daar geen reactie meer op gekregen dus ik ga der van uit dat ik niet moet werken.’
[verweerder]:
‘Je moet wel werken ik vraag aan jou kom je vrijdag en zaterdag jij zegt zelf ja. (…) ‘Maar ik ga geen discussie meer aan voor mij is het goed zo. Je kan zaterdag je sleutels langs brengen.’

3.Het verzoek en het verweer

3.1.
[verzoeker] verzoekt de kantonrechter het ontslag op staande voet te vernietigen en [verweerder] te veroordelen tot doorbetaling van loon vanaf 28 augustus 2025. Volgens [verzoeker] is het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig. [verzoeker] voert het volgende aan. Het betrof een misverstand over de inroostering. [verzoeker] heeft [verweerder] op 28 augustus 2025 laten weten dat zij verhinderd was om te komen werken op 29 augustus 2025. Er was vervolgens nog een dag de tijd om vervanging te regelen. Dat is ook gebeurd. De afwezigheid van [verzoeker] op 29 augustus 2025 heeft niet voor problemen gezorgd. Dit is geen dringende reden voor ontslag op staande voet.
3.2.
[verweerder] voert (zonder vertegenwoordiging door een gemachtigde) verweer en stelt dat het verzoek van [verzoeker] moet worden afgewezen. [verweerder] stelt dat sprake was van een laatste druppel. [verzoeker] stond gewoon ingepland om te komen werken op 29 augustus 2025. [verzoeker] heeft het werk geweigerd en is niet komen opdagen. Daarom is het ontslag op staande voet geldig.
3.3.
[verweerder] heeft zich daarnaast op het standpunt gesteld dat überhaupt geen sprake was van een arbeidsovereenkomst, omdat het bedrijf tussen 1 september 2024 en 15 maart 2025 was overgenomen door een derde partij. [verzoeker] heeft zowel voor als na 15 maart 2025 doorgewerkt, maar zonder een getekende arbeidsovereenkomst.

4.De beoordeling

4.1.
De kantonrechter oordeelt dat het verweer van [verweerder] met betrekking tot het niet bestaan van de arbeidsovereenkomst geen stand houdt. Er bestaat geen schriftelijkheidsvereiste voor een arbeidsovereenkomst. [verzoeker] heeft sinds 1 juli 2024 doorlopend bij [verweerder] gewerkt en daarvoor salaris ontvangen. Om die reden is juridisch sprake van een arbeidsovereenkomst.
4.2.
Het gaat in deze zaak om de vraag of het ontslag op staande voet van 28 augustus 2025 moet worden vernietigd en of [verweerder] moet worden veroordeeld tot (na)betaling van loon.
4.3.
Het ontslag op staande voet is een zogenaamd ‘ultimum remedium’. Dit betekent dat ontslag op staande voet vanwege de ingrijpende gevolgen slechts mag worden verleend als een mindere maatregel, zoals een loonsanctie of ontbinding van de arbeidsovereenkomst, niet volstaat. Uit artikel 7:677 BW Pro volgt dat ontslag op staande voet slechts aan de orde is als een arbeidsovereenkomst wegens een correct en terecht aangevoerde, al dan niet samengestelde, dringende reden wordt opgezegd. Als dringende reden in de zin van artikel 7:678 lid 1 BW Pro worden beschouwd zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer, die tot gevolg hebben dat van de werkgever redelijkerwijs niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren.
4.4.
Ook moet onverwijld worden opgezegd en moet de dringende reden onverwijld worden meegedeeld aan de werknemer. Onverwijld betekent dat dit direct of zo snel mogelijk moet gebeuren. Het gaat er daarbij om dat het voor de werknemer onmiddellijk duidelijk moet zijn welke eigenschappen of gedragingen voor de werkgever aanleiding zijn geweest voor het beëindigen van de arbeidsovereenkomst. Op de werkgever rust de stelplicht en de bewijslast dat er een dringende reden is.
4.5.
De kantonrechter oordeelt dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is. De kantonrechter legt hierna uit hoe tot dit oordeel is gekomen.
4.6.
Tussen partijen is onduidelijkheid geweest over het moment dat [verzoeker] weer moest werken na terugkomst van haar zomervakantie. [verzoeker] was in de veronderstelling dat zij op zondag 31 augustus 2025 weer moest komen werken. [verweerder] dacht dat [verzoeker] had aangegeven dat zij vanaf vrijdag 29 augustus 2025 weer beschikbaar was. Op 28 augustus 2025 heeft [verzoeker] via whatsapp deze onduidelijkheid aangekaart en aangegeven niet beschikbaar te zijn op vrijdag 29 augustus 2025. [verweerder] wist derhalve een dag van tevoren dat [verzoeker] niet kwam werken op 29 augustus 2025. Dat [verzoeker] vervolgens niet is gekomen, rechtvaardigt naar het oordeel van de kantonrechter geen ontslag op staande voet. De lat voor een rechtsgeldig ontslag op staande voet ligt vele malen hoger. Het lag op de weg van [verweerder] -als goed werkgever- om hierover het gesprek aan te gaan en eventueel een schriftelijke, officiële waarschuwing te geven.
4.7.
Ook het verweer van [verweerder]’s Bakery Café dat sprake was van de laatste druppel gaat niet op. Niet is gebleken dat [verweerder]’s Bakery Café [verzoeker] eerder concrete waarschuwingen heeft gegeven, laat staan dat haar een laatste waarschuwing is gegeven.
4.8.
Daarnaast is evenmin sprake geweest van een onverwijlde mededeling. [verweerder] heeft via whatsapp op 28 augustus 2025 enkel de volgende woorden gestuurd die zouden moeten duiden op het ontslag op staande voet: ‘
Maar ik ga geen discussie meer aan voor mij is het goed zo. Je kan zaterdag je sleutels langs brengen.’ Dit is niet te kwalificeren als een deugdelijke mededeling.
4.9.
Het verzoek van [verzoeker] tot vernietiging van het ontslag wordt om deze redenen toegewezen, omdat hiervoor is geoordeeld dat het ontslag niet rechtsgeldig is.
Loonvordering
4.10.
[verzoeker] heeft recht op loon, omdat het ontslag op staande voet wordt vernietigd en de arbeidsovereenkomst dus heeft voortgeduurd vanaf 28 augustus 2025. De vordering van [verzoeker] tot loonbetaling zal daarom eveneens worden toegewezen. De gevorderde wettelijke rente zal ook worden toegewezen, omdat [verweerder] te laat heeft betaald.
4.11.
Nu het standpunt van [verzoeker] -dat de gemiddelde arbeidsduur van [verzoeker] de afgelopen twaalf maanden 32 uur per week was- niet is weersproken en uit de door [verzoeker] overgelegde stukken niet anders blijkt, gaat de kantonrechter gelet op het bepaalde in artikel 7:610b BW van dat gemiddelde uit.
4.12.
Tussen partijen is niet in geschil dat de arbeidsovereenkomst per 31 december 2025 definitief is geëindigd. De loonvordering wordt daarom toegewezen tot en met 31 december 2025.
Proceskosten
4.13.
De proceskosten komen voor rekening van [verweerder], omdat [verweerder] overwegend ongelijk krijgt en sprake is van (ernstig) verwijtbaar handelen of nalaten van [verweerder]. De proceskosten aan de zijde van [verzoeker] worden begroot op € 1.039,00 (€ 90,00 aan griffierecht, € 814,00 aan salaris gemachtigde en € 135,00 aan nakosten).
4.14.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
vernietigt het ontslag op staande voet,
5.2.
veroordeelt [verweerder] tot betaling aan [verzoeker] van het loon (inclusief emolumenten) over een gemiddelde arbeidsduur van 32 uur per week vanaf 28 augustus 2025 tot en met 31 december 2025, te vermeerderen met de wettelijke rente tot aan de dag van de gehele betaling,
5.3.
veroordeelt [verweerder] in de proceskosten van € 1.039,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
5.4.
veroordeelt [verweerder] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.5.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad. [1]
Deze beschikking is gegeven door mr. R.I.V. Scherpenhuijsen Rom en in het openbaar uitgesproken op 5 januari 2026.

Voetnoten

1.Uitvoerbaar bij voorraad betekent dat de veroordelingen in de beschikking uitgevoerd moeten worden, ook als eventueel in hoger beroep wordt gegaan.