Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
1.Tenlastelegging
2.Voorvragen
3.Inleiding
4.Beoordeling van het bewijs
het medeplegenvan het voorhanden hebben van het wapen op 13 februari 2024 aan te nemen. Het dossier bevat daarnaast ook onvoldoende aanknopingspunten waaruit kan worden afgeleid dat de verdachte in de tussenliggende periode (tussen 7 en 13 februari 2024) ook daadwerkelijk de feitelijke beschikkingsmacht over het vuurwapen heeft gehad. De rechtbank komt daarom tot de conclusie dat de verdachte het vuurwapen op 7 februari 2024 samen met anderen en op 13 februari 2024 alleen voorhanden heeft gehad.
primair
5.Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten
6.Strafbaarheid van de verdachte
7.Motivering van de straf
8.Beslissingen omtrent in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen
9.Vorderingen nabestaanden [slachtoffer 1]
- uitvaartkosten: € 9.740,60
- kist: € 3.800,00
- kleding uitvaart: € 589,00
- rouwboeket: € 325,00
- grafsteen: € 5.094,70 +
- totaal: € 19.549,30
10.Vordering benadeelde partij [slachtoffer 2]
- kosten gemaakt bij een kliniek in Zuid-Afrika waar [slachtoffer 2] naar toe is gegaan ter behandeling van zijn verslavingen en trauma (ter hoogte van € 2.150,-);
- verhuiskosten ter hoogte van € 6.783,26 ten aanzien waarvan is verzocht de vordering op dit punt niet-ontvankelijk te verklaren omdat het thans niet mogelijk is deze vordering met stukken nader te onderbouwen;
- een bedrag van € 10.000,- aan toekomstige kosten die eventueel zullen moeten worden gemaakt in het kader van traumaverwerking, ten aanzien waarvan is verzocht de vordering op dit punt niet-ontvankelijk te verklaren omdat nog onduidelijk is of deze kosten daadwerkelijk zullen worden gemaakt.
11. Bepaling van het aantal dagen vervangende gijzeling schadevergoedingsmaatregel
12.Toepasselijke wettelijke voorschriften
13.Beslissing
9 (negen) jaren en 10 (tien) maanden.
‘minderjarig kind 1’, geboren in 2019,geleden schade, bestaande uit € 20.000,- als vergoeding voor immateriële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 13 februari 2024 tot aan de dag der algehele voldoening, aan het kind, voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.
‘minderjarig kind 2’, geboren in 2024,geleden schade, bestaande uit € 20.000,- als vergoeding voor immateriële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 13 februari 2024 tot aan de dag der algehele voldoening, aan het kind, voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.
€ 1.500,-, als vergoeding voor immateriële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 11 februari 2024 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [slachtoffer 2] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting. Bepaalt dat indien genoemd bedrag geheel of gedeeltelijk door een (van de) medeverdachte(en) is betaald, de verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.