ECLI:NL:RBNHO:2026:310

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
14 januari 2026
Publicatiedatum
20 januari 2026
Zaaknummer
15/134448-24 en 15/288423-25 (gev.) (P)
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Sky ECC-zaak: Aanhoudingsverzoek en strafzaak tegen verdachte voor cocaïne-invoer en diefstal met geweld

In de Sky ECC-zaak heeft de Rechtbank Noord-Holland op 14 januari 2026 uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte die betrokken was bij de invoer van ongeveer 59 kilo cocaïne en een diefstal met geweld. De verdachte, geboren in 1980, had een organiserende rol in het transport van de cocaïne, dat vanuit Colombia naar Nederland werd gebracht. Hij werd beschuldigd van het opzettelijk binnenbrengen van cocaïne en het voorbereiden van de invoer door middel van encryptische chatgesprekken via Sky ECC. Daarnaast was de verdachte betrokken bij een gewelddadige diefstal van een auto, waarbij hij en zijn medeplichtigen het slachtoffer uit de auto trokken en de auto meenamen. De rechtbank heeft de vordering van de verdediging om de behandeling aan te houden tot het HvJ EU een prejudiciële vraag beantwoordt, afgewezen. De rechtbank oordeelde dat de rechtmatigheid van de Sky ECC-hack niet relevant was voor de zaak, aangezien de gegevens op een andere manier waren verkregen. De verdachte werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van zeven jaren, waarbij de rechtbank de ernst van de feiten en de rol van de verdachte in de criminele organisatie in aanmerking nam. De rechtbank heeft ook beslissingen genomen over beslag en de vordering van de benadeelde partij, die niet-ontvankelijk werd verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Team Straf, zittingsplaats Haarlem
Meervoudige strafkamer
Parketnummers: 15/134448-24 en 15/288423-25 (gev.) (P)
Uitspraakdatum: 14 januari 2026
Tegenspraak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 18 en 31 december 2025 in de zaak tegen:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1980 te [geboorteplaats] ,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres
[adres] .
De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie,
mr. J.J. van Bree, en van wat de verdachte en zijn raadsman, mr. W.J. Morra, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht.

1.Tenlastelegging

Aan de verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:
In de zaak met parketnummer 15/134448-24
1.
hij op of omstreeks 06 januari 2020 in de gemeente Beverwijk en/of te IJmuiden, gemeente Velsen, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft/hebben gebracht, al dan niet bedoeld als in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, en/of opzettelijk aanwezig heeft/hebben gehad, 110 kilogram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
2.
hij op één of meer tijdstip(pen) in of de periode van omstreeks 07 december 2019 tot en met 13 januari 2020 in de gemeente Beverwijk, te IJmuiden, gemeente Velsen, in de gemeente Amsterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en/of te bevorderen, te weten:
- het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen, en/of
- het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren,
van 110 kilogram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet
- een ander heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen en/of uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen,
- zich en/of een ander gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen,
- voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte en/of zijn mededader(s), wist(en) of ernstige reden had(den) om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit,
door
één of meerdere (encryptische) (chat)-gesprekken te voeren/deel te nemen aan encrypted SkyEcc groepchats (met één of meer mededader[s]/derd[en]), waarin wordt gesproken over, contact wordt onderhouden over en/of informatie/inlichtingen wordt uitgewisseld over
- de vaarroute en aankomstdatum en plaats/ligging van het (naar/binnen Nederland inkomende/ingekomen) zeeschip, genaamd Aquataine, met [verstopt] aan boord een partij/handelshoeveelheid verdovende middelen/ cocaïne en/of
- ( het voornemen tot/de wijze van/moment van) de uithaal, verder vervoer en/of verkoop/verdeling van die inkomende en/of ingekomen partij/handelshoeveelheid verdovende middelen/ cocaïne en/of
- het voornemen/beloven tot betalen, vergoeden en/of het aansturen van (een) perso(o)n(en) om dat zeeschip te volgen/in de gaten te houden en/of die hoeveelheid verdovende middelen/ cocaïne van boord van dat zeeschip te halen en (verder over de weg) te vervoeren en/of
- met een persoon af te spreken om deze (een) middel(en) (één kilogram) te geven als die uithaal van die hoeveelheid verdovende middelen/ cocaïne is gelukt en/of
- één of meer perso(o)n(en) geld te betalen (ten behoeve van die [voorgenomen] uithaal, verder vervoer en/of verkoop/verdeling van die inkomende en/of ingekomen hoeveelheid verdovende middelen/ cocaïne aan boord van dat zeeschip,
en/of
één of meer cryptotelefoon(s) en/of een werkboot en/of een werkbus en/of (een) geld(bedrag)(en) en/of (een) verdovende middelen) voorhanden te hebben (ten behoeve van de uitvoering van die [voorgenomen] uithaal/vervoer van die inkomende en/of ingekomen hoeveelheid verdovende middelen/ cocaïne aan boord van dat zeeschip en/of ten behoeve van betaling van [een] perso[o]n[en] die betrokken werden/waren bij het volgen/in de gaten houden van dat zeeschip en/of die [voorgenomen] uithaal van die inkomende en/of ingekomen hoeveelheid verdovende middelen/ cocaïne aan boord van dat zeeschip);
3.
hij op of omstreeks 28 juni 2024 in de gemeente Amsterdam, althans in Nederland tezamen en in vereniging met één of meer anderen, althans alleen, een auto (BMW) en/of een portemonnee en/of één of meer pasjes en/of creditcards en/of een visacard en/of een id-card en/of contant geld, in elk geval enig(e) goed(eren)/geldbedrag(en), dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde, te weten aan [slachtoffer] en/of autoverhuurbedrijf “ [naam] ”, heeft/hebben weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen,
terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte en/of zijn mededader(s),
- terwijl die [slachtoffer] in een auto [bmw] zat ter hoogte van de [adres]
- naar die [slachtoffer] is/zijn gegaan en (vervolgens) een portier van die auto heeft/hebben opengetrokken en/of een ruit van een portier van die auto heeft/hebben ingeslagen en/of (vervolgens) die [slachtoffer] (met gebalde vuist) in/op zijn gezicht/hoofd heeft/hebben geslagen/gestompt en/of die [slachtoffer] heeft/hebben vastgepakt en uit die auto heeft/hebben getrokken;
In de zaak met parketnummer 15/288423-25, waarbij de rechtbank omwille van de leesbaarheid van het vonnis het feit doornummert:
4.
hij op 06 september 2025 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, een reisdocument en/of identiteitsbewijs als bedoeld in het eerste lid van artikel 231 van het Wetboek van Strafrecht, te weten een Nederlands paspoort met documentcode [nummer] ten name van (hem verdachte) [verdachte] , waarvan hij, verdachte, wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat deze vervalst was, voorhanden heeft gehad en/of opzettelijk gebruik van heeft gemaakt (door op luchthaven Schiphol bij een uitreiscontrole op 06 september 2025 voornoemd paspoort te overhandigen aan een medewerker van de Koninklijke Marechaussee).

2.Aanhoudingsverzoek

De verdediging heeft voor de zitting een arrest van de strafkamer van het Franse Hof van Cassatie van 16 september 2025 (Pourvoi n° 24-84.262, hierna: het Franse arrest), met Nederlandse vertaling, aan de rechtbank en de officier van justitie toegestuurd. In het Franse arrest wordt een prejudiciële vraag geformuleerd aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJ EU).
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de beantwoording van de prejudiciële vraag van belang is voor de uitkomst van de onderhavige zaak. Hiertoe is aangevoerd dat de verdenking jegens de verdachte vrijwel geheel berust op ontsleutelde Sky ECC-berichten, terwijl zij de rechtmatigheid van de Sky ECC-hack betwist. Weliswaar heeft de Hoge Raad in zijn beslissing van 13 juni 2023 (ECLI:NL:HR:2023:913) bepaald dat op dit soort zaken het vertrouwensbeginsel van toepassing is. Echter, aangezien de gestelde prejudiciële vraag gaat over de uitleg en toepassing van dit vertrouwensbeginsel, zal de beantwoording daarvan genoemde beslissing van de Hoge Raad raken, aldus de verdediging. Indien buitenlandse verdachten volgens het HvJ EU de gelegenheid moeten krijgen om de rechtmatigheid van de Sky ECC-hack in Frankrijk te laten toetsen, gaan de overwegingen van de Hoge Raad namelijk (mogelijk) niet meer op. De verdediging heeft daarom verzocht de behandeling van de onderhavige zaak aan te houden tot het moment waarop het HvJ EU de gestelde vraag heeft beantwoord.
De officier van justitie heeft zich verzet tegen aanhouding van de behandeling. Volgens de officier van justitie ziet het Franse arrest op een wezenlijk andere situatie dan de situatie tussen Nederland en Frankrijk. Nederland heeft de Sky ECC-data eerst spontaan verstrekt gekregen en heeft de data daarna binnen het JIT ontvangen. Dat maakt dat artikel 14 van de EOB-richtlijn niet van toepassing is op de Nederlandse situatie. Om die reden zijn ook de prejudiciële vragen die door Frankrijk worden gesteld, niet van toepassing op de Nederlandse situatie. De Franse beslissing ziet voorts ook niet op de rechtmatigheid van de verkrijging van de data. Dat betekent in elk geval dat het vertrouwensbeginsel onverkort van toepassing is op de verkrijging van de Sky ECC-data.
In lijn met de recente uitspraak van deze rechtbank (ECLI:NL:RBNHO:2025:12065) over dit onderwerp overweegt de rechtbank als volgt.
De rechtbank stelt vast dat in de onderhavige strafzaak de Franse autoriteiten de gegevens uit de zogenoemde Sky ECC-hack niet met de Nederlandse autoriteiten hebben gedeeld op grond van een EOB, maar dat zij dit aanvankelijk vrijwillig en later op basis van een JIT-overeenkomst hebben gedaan. Het bewijsmateriaal (de Sky ECC-data) in deze zaak is daarmee op een andere wijze verkregen dan in de zaak die ten grondslag ligt aan het Franse arrest. Een JIT wordt immers beheerst door specifieke voorschriften, vervat in onder meer Kaderbesluit 2002/465/JBZ. Lidstaten die partner zijn in een JIT, maken specifieke afspraken met elkaar, neergelegd in een overeenkomst, over de wijze waarop zij bewijs vergaren en met elkaar delen. Waar het gaat om de beoordeling van de rechtmatigheid van de resultaten verkregen met het onderzoek van zo’n gemeenschappelijk onderzoeksteam, geldt (nog steeds) het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dit beginsel brengt mee dat het niet tot de taak van de Nederlandse strafrechter behoort om te toetsen of de wijze waarop het onderzoek onder verantwoordelijkheid van de buitenlandse autoriteiten is uitgevoerd, strookt met de rechtsregels die gelden in het betreffende land voor het uitvoeren van dat onderzoek.
Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank geen aanleiding of noodzaak om in onderhavige zaak de uitkomst van de door de Franse rechter gestelde prejudiciële vraag over de uitleg van artikel 14 lid 1 van de EOB-richtlijn af te wachten. Het gaat in deze zaak niet om bewijsmateriaal dat door de Franse autoriteiten is overgedragen op grond van een EOB, maar op grond van een JIT-overeenkomst. De bepalingen van de EOB-richtlijn zijn dus niet van toepassing op de samenwerking tussen Nederland en Frankrijk binnen het JIT. Niet valt in te zien dat de beantwoording van de gestelde prejudiciële vraag van belang is voor de beoordeling van onderhavige strafzaak, ook niet als het gaat om het in Nederlandse jurisprudentie aangenomen vertrouwensbeginsel.
Het standpunt van de verdediging dat de zaak moet worden aangehouden voor het afwachten van het antwoord van het HvJ EU op de prejudiciële vragen, omdat het zowel bij een EOB als bij een JIT overeenkomst gaat om effectieve rechtsbescherming volgt de rechtbank niet. In de procedure bij het HvJ EU gaat het namelijk specifiek om de situatie als bedoeld in artikel 14 lid 1 van de EOB richtlijn en dus niet om de situatie van een JIT overeenkomst.
De rechtbank wijst het verzoek om aanhouding af.

3.Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4.Beoordeling van het bewijs

4.1
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de feiten 1 tot en met 4. Ten aanzien van feit 3 heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat de in de tenlastelegging genoemde vuistslag niet kan worden bewezen.
4.2
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de feiten 1 en 2 niet kunnen worden bewezen. Kort gezegd volgt uit het procesdossier niet dat de verdachte de gebruiker is geweest van het bij de cocaïnesmokkel betrokken Sky ECC-account [account 1] .
Ten aanzien van feit 3 heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het in de tenlastelegging genoemde geweld. Daarvoor is geen bewijs in het procesdossier. In aansluiting op de verklaring van de verdachte dat hij al vertrokken was voordat de daadwerkelijke diefstal plaatsvond, heeft de raadsman bepleit dat het ontbreken van een gezamenlijke uitvoering een belangrijke contra-indicatie is voor medeplegen.
Ten aanzien van feit 4 heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat dit feit kan worden bewezen.
4.3
Oordeel van de rechtbank
4.3.1
Redengevende feiten en omstandigheden
De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de onder 1 tot en met 4 ten laste gelegde feiten op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn vervat.
4.3.2
Bewijsmotivering feiten 1 en 2
4.3.2.1 Inleiding
Niet ter discussie staat dat op 6 januari 2020 vanuit Colombia aan boord van het schip ‘Aquataine’ een grote hoeveelheid cocaïne Nederland binnen is gekomen. Evenmin staat ter discussie dat de gebruiker van het Sky ECC-account [account 1] (hierna ook: [account 1] ) in aanloop naar, tijdens en na afloop van dit drugstransport in chatgesprekken met anderen heeft gesproken over dit transport en dat de gebruiker van [account 1] daarmee een relevante rol heeft gespeeld bij de invoer van de cocaïne.
De vraag die de rechtbank in het bijzonder moet beantwoorden, is of de verdachte – zoals door de officier van justitie betoogd en door de verdediging betwist – de gebruiker was van dat account [account 1] . Deze vraag beantwoordt de rechtbank bevestigend: de verdachte was de gebruiker van [account 1] in aanloop naar, tijdens en na afloop van het transport. Hieronder zal de rechtbank uitleggen op grond waarvan zij tot dit oordeel komt.
4.3.2.2 De verdachte als gebruiker van Sky ECC-account [account 2]
Om tot de koppeling van de verdachte aan [account 1] te komen, heeft het onderzoeksteam van de politie de verdachte eerst gekoppeld aan een ander Sky ECC-account, namelijk [account 2] (hierna ook: [account 2] ). Op grond van de bevindingen van het onderzoeksteam is de rechtbank van oordeel dat genoegzaam is komen vast te staan dat de verdachte de gebruiker was van [account 2] . Daarbij hecht de rechtbank in het bijzonder waarde aan het volgende.
De zendmasten (cell-id’s) die door het door [account 2] gebruikte telefoontoestel het meest en ook veelvuldig in de nacht zijn aangestraald, geven dekking aan de woning van de verdachte in [plaats] . Ook worden in de onderzochte periode zendmasten aangestraald door [account 2] in de Verenigde Arabische Emiraten en Turkije. Uit chatgesprekken via de telefoon van [account 2] kan worden afgeleid dat de gebruiker op het moment van aanstralen in genoemde landen inderdaad ‘weg’ is. Ook chat [account 2] op enig moment dat hij in Dubai is. Door het onderzoeksteam is een vergelijking gemaakt tussen de reisbewegingen van de telefoon van [account 2] op bepaalde data en passagierslijsten van vluchten op die data, naar en vanuit de betreffende landen. De enige persoon die steeds op één van deze potentiële heenreizen en één van deze terugvluchten aanwezig was, is de verdachte. De conclusie dat het de verdachte was die reisde en gebruik maakte van account [account 2] , vindt ook bevestiging in het feit dat [account 2] chat over een reisje dat hij op 6 november 2020 zal maken ‘met een chick’ naar ‘D’. Op 6 november 2020 vloog de verdachte naar Dubai, met op de stoel naast hem een vrouw. Het boekingsnummer van de verdachte en deze vrouw waren hetzelfde, waaruit de rechtbank afleidt dat de boeking voor deze twee stoelen gezamenlijk is gemaakt. De betreffende vrouw woont in Meerkerk, een plek waar de telefoon van [account 2] ook regelmatig aanstraalt bij een zendmast die hemelsbreed op ongeveer tweehonderd meter van de woning van deze vrouw staat.
Ten aanzien van het proces-verbaal waarin het onderzoeksteam de koppeling tussen de verdachte en [account 2] heeft gelegd (AMB-001-04) heeft de raadsman terecht gewezen op een verschil tussen een in dat proces-verbaal op pagina 9 opgenomen datum waarop een bericht zou zijn verzonden door [account 2] en de datum waarop het betreffende bericht is verstuurd blijkens de dataset met alle berichten van [account 2] . In het proces-verbaal staat immers opgenomen dat [account 2] op
12 november 2020 (12-11-2020)stuurt ‘Bro Ben woensdag terug’, terwijl dit bericht in werkelijkheid is verzonden op
11 december 2020 (11-12-2020). De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat doordat het betreffende proces-verbaal onjuist is gebleken, dit (voor dit deel) niet meer tot het bewijs kan worden gebezigd. Ook heeft de raadsman bepleit dat de onderbouwing van de stelling dat de verdachte als gebruiker van [account 2] kan worden aangemerkt wegvalt, omdat de datum van 11 december 2020 niet past bij de passagierslijsten waar de naam van de verdachte op staat.
De rechtbank verwerpt dit verweer. Hoewel slordig en ongelukkig is naar het oordeel van de rechtbank ‘slechts’ sprake van een kennelijke verschrijving in het betreffende proces-verbaal. Deze verschrijving hoeft naar het oordeel van de rechtbank om twee redenen geen gevolgen te hebben voor de bewijsvoering. De eerste reden is dat de officier van justitie ter terechtzitting heeft medegedeeld dat uit de tot zijn beschikking staande dataset met APN-gegevens van [account 2] (de door het toestel van [account 2] aangestraalde zendmasten) volgt dat in de periode van 10 tot 15 december 2020 telkens zendmasten in de Verenigde Arabische Emiraten zijn aangestraald. Dat past bij de uitlating die de gebruiker van [account 2] op 11 december 2020 doet over ‘woensdag’ – de rechtbank begrijpt: woensdag 16 december 2020 – ‘terug zijn’. De tweede reden is dat uit het betreffende proces-verbaal ook zonder de betreffende reisbeweging nog steeds blijkt van vier dezelfde reisbewegingen die zowel [account 2] als de verdachte hebben gemaakt.
4.3.2.3 Accounts [account 2] , [account 3] en [account 1] dezelfde gebruiker
Hierboven is door de rechtbank geconcludeerd dat de verdachte de gebruiker was van account [account 2] . Dit is niet het account dat een rol heeft gespeeld bij de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten, dat was immers [account 1] . Naar het oordeel van de rechtbank is op basis van de bewijsmiddelen genoegzaam komen vast te staan dat de gebruiker van [account 2] – zijnde de verdachte – eerder ook de gebruiker is geweest van Sky ECC-accounts [account 1] en vervolgens [account 3] (hierna ook: [account 3] ). De rechtbank baseert deze conclusie op een aantal aspecten in onderling verband en samenhang gezien:
de door de accounts aangestraalde zendmast en
overeenkomstig taalgebruik en
de aansluitende periodes van (actief) gebruik van de accounts en
overeenkomende contactpersonen en
overeenkomstig gespreksonderwerp.
Hieronder worden de aspecten toegelicht.
Ad 1 – De door de accounts aangestraalde zendmast
[account 1] , [account 3] en [account 2] vallen onder dekking van de zendmast aan [plaats] . Deze zendmast geeft dekking aan de woning van de verdachte. Van elk van de genoemde accounts zijn over een groot aantal dagen APN-gegevens beschikbaar. De zendmast aan de [plaats] was bij alle drie de accounts de meest aangestraalde zendmast, overdag en in de nacht.
Ad 2 – Overeenkomstig taalgebruik
In chatgesprekken spreekt zowel [account 3] , [account 1] als [account 2] de gebruiker van Sky ECC-account [account 4] aan met ‘homo’ en ‘homofiel’. De drie accounts hebben geen andere contacten die zij aanspreken met deze woorden.
Ad 3 – De aansluitende periodes van (actief) gebruik van de accounts
Account [account 1] is vanaf maart 2019 in gebruik. Op 27 februari 2020 chat [account 1] met een reseller: een verkoper van telefoons met een Sky ECC-account. [account 1] spreekt over welk toestel je krijgt als je ‘een nieuwe’ neemt. [account 1] spreekt af om op 8 maart 2020 bij de reseller langs te gaan. De eerste registratie van account [account 3] is op 8 maart 2020. Op 9 maart 2020 stuurt [account 3] naar [account 4] ‘homofiel’, ‘dit is me nieuwe’ en ‘verwijder die andere’.
Op 17 september 2020 chat [account 3] met een reseller. Hij vraagt of hij ‘een sky’ kan ophalen en vraagt welk toestel hij dan zou krijgen. Op 18 september 2020 stuurt [account 3] naar Sky ECC-account [account 5] dat hij hem zo toevoegt op zijn nieuwe ‘sky’. Slechts twee minuten en twaalf seconden later stuurt [account 2] naar [account 5] ‘me nieuwe’ en hij bevestigt dat [account 5] ‘die andere eruit’ moet doen.
Ad 4 – Overeenkomende contactpersonen
Van de 46 contacten van [account 1] waren er 34 nog actief nadat [account 3] in gebruik werd genomen. Twintig van deze 34 accounts hadden contact met zowel [account 1] als [account 3] .
Van de 54 contacten van [account 3] waren er 33 nog actief nadat [account 2] in gebruik werd genomen. Achttien van deze 33 accounts hadden contact met zowel [account 3] als [account 2] .
Ad 5 – Overeenkomstig gespreksonderwerp
[account 1] chat in januari 2020 met Sky ECC-account [account 6] (hierna: [account 6] ) over de invoer van cocaïne op het schip Aquataine. Een paar maanden later, op 7 juni 2020, chat [account 3] met [account 6] over deze mislukte invoer, dat dit niet de schuld was van [account 3] maar dat de spullen al weg waren in IJmuiden en dat in IJmuiden meer dan 100 was gepakt.
Conclusie
Gelet op de onder 1 tot en met 5 omschreven feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, komt de rechtbank – zoals gezegd – tot de conclusie dat de accounts [account 1] , [account 3] en [account 2] opeenvolgend zijn gebruikt door één en dezelfde persoon. Die persoon is de verdachte. Het dossier biedt naar het oordeel van de rechtbank geen enkel aanknopingspunt waaruit zou kunnen worden afgeleid dat de verdachte niet telkens de gebruiker van die accounts is geweest.
4.3.3
Bewijsmotivering feit 3
Op 28 juni 2024 is door [slachtoffer] aangifte gedaan van diefstal met geweld. Toen hij rond 20:35 uur in zijn (gehuurde) auto zat in Amsterdam, kwamen vanuit een andere auto drie mannen op hem af. Een vierde man bleef in de auto zitten. Een raam van de auto van [slachtoffer] werd ingeslagen en [slachtoffer] werd uit de auto getrokken. Eén van de mannen is met de auto waar [slachtoffer] in zat weggereden. De andere mannen reden weg in de auto waar zij ook mee gekomen waren. Dat deze diefstal op genoemde wijze heeft plaatsgevonden, staat niet ter discussie.
De verdachte heeft verklaard dat hij wist van het plan om [slachtoffer] te beroven van zijn auto en dat hij hem met zijn auto is gevolgd, maar dat hij zich heeft teruggetrokken omdat hij onenigheid had met de andere betrokkenen over de wijze van uitvoering. Dit terugtrekken vond volgens de verdachte plaats na het laatste van hem getapte telefoongesprek van 20:23 uur, voordat de daadwerkelijke beroving plaatsvond.
Gelet op de zich in het dossier bevindende uitwerking van tapgesprekken, acht de rechtbank deze verklaring van de verdachte ongeloofwaardig. Uit die gesprekken blijkt immers dat de verdachte in aanloop naar de diefstal maar ook achteraf een sturende en organiserende rol heeft gespeeld bij deze diefstal. Er is voorafgaand aan de diefstal geen enkele twijfel bij de verdachte te horen over de uitvoering en het doorzetten van het plan. Om 20:23 uur spoort hij juist een ander aan om [slachtoffer] gewoon te ‘pakken’ en zegt hij:
  • ‘Gewoon nu met z’n drieën naar hem toe lopen, dan gaan we gewoon heel sneaky, dan gaan we hem gewoon pakken gewoon.’
  • ‘Hou je bek eens jonghu, jij bent gewoon een schijtert, gewoon pakken man, hou je bek, je wilt wel elke keer doekoe (geld) dit dat, gewoon pakken nu man. Hij staat daar.’
  • ‘We pakken hem, we pakken die sleutel af, we rijden met die auto weg.’
  • ‘Die auto van hem moet mee he!’
Ook de rol die de verdachte na afloop blijkens de getapte gesprekken heeft gespeeld, past niet bij de rol van iemand die geen onderdeel van de stelende groep uitmaakte of wenste uit te maken. Immers, hij instrueert kort na de diefstal, om 21:08 uur, een ander waar diegene de autosleutel moet laten. Ook instrueert hij die ander om hem, de verdachte, te ‘dekken’. De dag na de diefstal is de verdachte degene die bepaalt waar de auto door een ander geparkeerd moet worden (niet in de buurt van camera’s), dat de auto goed schoongemaakt moet worden en welke spullen uit de auto meegenomen moeten worden (o.m. portemonnee en pasjes).
De verdachte heeft aangevoerd dat hij niet bij de diefstal aanwezig kan zijn geweest, gelet op zijn kentekenregistratie om 20:44 in Spaarndam. De rechtbank is van oordeel dat het feit dat het kenteken van de auto van de verdachte om 20:44 uur op de A9 ter hoogte van Spaarndam is geregistreerd door een ANPR-camera, niet af doet aan hetgeen hiervoor is overwogen. Het laatste getapte gesprek van de verdachte is van 20:23 uur. Daaruit blijkt dat de verdachte toen nog op de locatie van de diefstal was in Amsterdam. [slachtoffer] verklaart in zijn aangifte om 22:48 uur dat het feit
rond20:35 uur plaatsvond. De afstand tussen de plaats delict en de betreffende ANPR-camera is niet zodanig dat deze niet in dit tijdsbestek kan worden afgelegd. Het verweer van de verdachte dat hij aldus niet aanwezig kan zijn geweest bij de diefstal, volgt de rechtbank dan ook niet.
De rechtbank is van oordeel dat het tenlastegelegde bestanddeel (bedreiging met) geweld bij de diefstal, met uitzondering van de vuistslag, bewezen kan worden. Uit de aangifte van [slachtoffer] volgt namelijk dat de ruit van zijn portier werd ingeslagen en dat hij voelde dat hij uit de auto werd getrokken. De rechtbank verwerpt het verweer dat er geen sprake was van geweld, omdat dit reeds door de bewijsmiddelen wordt weerlegd.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de ten laste gelegde diefstal met
geweld op [slachtoffer] wettig en overtuigend is bewezen. Op grond van de feiten en
omstandigheden die uit het dossier blijken, waaronder de aangifte en de tapgesprekken, is de
rechtbank van oordeel dat tussen de verdachte en zijn mededaders sprake is geweest van een
zodanig nauwe en bewuste samenwerking dat sprake is van medeplegen.
4.3.4
Bewijsmotivering feit 4
Uit het zich in het dossier bevindende proces-verbaal van bevindingen van 6 september 2025 volgt dat de verdachte bij een uitreiscontrole op Schiphol een paspoort heeft overhandigd aan een medewerker van de Koninklijke Marechaussee (hierna: KMar). In dat paspoort ontbraken twee pagina’s. De verdachte heeft dit bevestigd en heeft verklaard dat hij de pagina’s zelf uit zijn paspoort heeft geknipt nadat zijn zoon en neefje in het paspoort hadden geknipt en gekleurd.
De rechtbank overweegt dat door het uitknippen van de pagina’s het paspoort incompleet is geworden. Dit heeft tot gevolg dat geen, in ieder geval niet eenvoudig, controle is uit te oefenen op de vraag welke reisbewegingen de verdachte heeft gemaakt en welke landen hij heeft bezocht. Een incompleet gemaakt paspoort is aan te merken als een vervalst paspoort. Daarbij acht de rechtbank het van belang dat de verdachte zelf (ook) pagina’s uit zijn paspoort heeft geknipt zodat hij wist dat hij een incompleet en dus vervalst paspoort voorhanden heeft gehad en dat hij dit paspoort heeft gebruikt door het bij een uitreiscontrole te overhandigen aan een medewerker van de KMar. Dat de verdachte, zoals is aangevoerd, er mogelijk niet bij heeft stilgestaan dat het paspoort gold als vervalst en dat hij daarmee strafbaar handelde, levert geen verschoonbare dwaling op en pleit hem daarmee niet vrij.
4.4
Bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 tot en met 4 ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat
1.
hij op 6 januari 2020 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne;
2.
hij in de periode van 7 december 2019 tot en met 13 januari 2020 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en/of te bevorderen, te weten:
- het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen, en
- het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren,
van een hoeveelheid cocaïne,
- zich en een ander gelegenheid en inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen,
- voorwerpen, vervoermiddelen en gelden voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte wist dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit,
door
meerdere encryptische chat-gesprekken te voeren, waarin wordt gesproken over, contact wordt onderhouden over en/of informatie/inlichtingen wordt uitgewisseld over
- de vaarroute en aankomstdatum en plaats/ligging van het zeeschip, genaamd Aquataine, met aan boord cocaïne en
- het voornemen tot/de wijze van/moment van de uithaal, verder vervoer en verkoop van die cocaïne en
- het voornemen tot betalen, vergoeden en het aansturen van (een) perso(o)n(en) om dat zeeschip te volgen/in de gaten te houden en die cocaïne van boord van dat zeeschip te halen en (verder over de weg) te vervoeren en
- met een persoon af te spreken om deze één kilogram te geven als die uithaal van die cocaïne is gelukt en
- één of meer perso(o)n(en) geld te betalen (ten behoeve van die [voorgenomen] uithaal, verder vervoer en/of verkoop/verdeling van die inkomende en/of ingekomen hoeveelheid verdovende middelen/ cocaïne aan boord van dat zeeschip,
en
één cryptotelefoon en een werkboot en een werkbus en geldbedragen voorhanden te hebben (ten behoeve van de uitvoering van die [voorgenomen] uithaal/vervoer van die inkomende en/of ingekomen cocaïne aan boord van dat zeeschip en/of ten behoeve van betaling van [een] perso[o]n[en] die betrokken werden/waren bij het volgen/in de gaten houden van dat zeeschip en/of die [voorgenomen] uithaal van die inkomende en/of ingekomen cocaïne aan boord van dat zeeschip);
3.
hij op 28 juni 2024 in de gemeente Amsterdam tezamen en in vereniging met anderen een auto (BMW) en een portemonnee en pasjes en creditcards en een visacard en een id-card en contant geld, die aan een ander dan aan verdachte en zijn mededaders toebehoorde, te weten aan [slachtoffer] of autoverhuurbedrijf " [naam] ", heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen,
terwijl deze diefstal werd vergezeld van geweld tegen [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, welk geweld hierin bestond dat verdachte en zijn mededaders,
- terwijl die [slachtoffer] in een auto zat
- naar die [slachtoffer] zijn gegaan en vervolgens een portier van die auto hebben opengetrokken en een ruit van een portier van die auto hebben ingeslagen en die [slachtoffer] hebben vastgepakt en uit die auto hebben getrokken;
4.
hij op 6 september 2025 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, een reisdocument, te weten een Nederlands paspoort met documentcode [nummer] ten name van (hem verdachte) [verdachte] , waarvan hij, verdachte, wist dat deze vervalst was, voorhanden heeft gehad en opzettelijk gebruik van heeft gemaakt (door op luchthaven Schiphol bij een uitreiscontrole op 6 september 2025 voornoemd paspoort te overhandigen aan een medewerker van de Koninklijke Marechaussee).
Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

5.Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:
1.
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod;
2.
medeplegen van om een feit, bedoeld in het vierde en vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, zich en een ander gelegenheid en inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen;
en
medeplegen van om een feit, bedoeld in het vierde en vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, voorwerpen, vervoermiddelen en gelden voorhanden hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit;
3.
diefstal, vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;
4.
een reisdocument voorhanden hebben, waarvan hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden, dat het vals of vervalst is;
en
opzettelijk gebruikmaken van een vervalst reisdocument.
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is daarom strafbaar.

6.Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is daarom strafbaar.

7.Motivering van de sanctie

7.1
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 9 jaren, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Bij feit 1 is de officier van justitie uitgegaan van een gewicht van 108,3 kilogram cocaïne. Ten aanzien van de feiten 1 en 2 heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat sprake is van eendaadse samenloop.
De officier van justitie heeft verzocht het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte te laten herleven bij einduitspraak, zoals ook in de schorsingsbeslissing van deze rechtbank van 11 juni 2025 is bepaald.
7.2
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich ten aanzien van de feiten 1 en 2 op het standpunt gesteld dat sprake is van eendaadse samenloop. Daarnaast heeft hij ten aanzien van deze feiten bepleit dat de verdachte – mocht hij door de rechtbank worden aangemerkt als de gebruiker van [account 1] – geen organiserende rol had, maar zou moeten worden aangemerkt als een ‘uithaler plus’. Een veel grotere rol bij de invoer was namelijk weggelegd voor de gebruiker van account [account 6] . Bovendien volgt uit het dossier dat de verdachte geen opzet had op de invoer van 110 kilogram, maar op ongeveer de helft daarvan.
De raadsman heeft verzocht de schorsing van het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte bij einduitspraak te continueren. De persoonlijke omstandigheden op grond waarvan de rechtbank in juni 2025 heeft besloten tot schorsing, zijn onveranderd.
7.3
Oordeel van de rechtbank
Bij de beslissing over de sanctie die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, waarbij de onder 1 en 2 bewezenverklaarde feiten in een onderlinge verhouding van eendaadse samenloop staan als bedoeld in artikel 55 van het Wetboek van Strafrecht. Ook heeft de rechtbank zich laten leiden door de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan (voorbereidingshande-lingen voor) de invoer van ongeveer 59 kilo cocaïne. Dit is een ander gewicht dan waar de officier van justitie van uit is gegaan bij het formuleren van zijn eis. De rechtbank gaat uit van de juistheid van de inhoud van de chats die de verdachte heeft gevoerd waarin het gewicht ter sprake komt:
  • ‘Zat ook andere spullen van andere mensen’
  • ‘Moet andere spullen jij zegt van jou 59
  • ‘Dus zat nog 50 op’
De cocaïne is vanuit Colombia aan boord van een schip naar Nederland gebracht. Uit de chatgesprekken die de verdachte had over dit transport, blijkt zijn organiserende, coördinerende en sturende rol bij dit transport. Zo heeft hij het over het regelen van “een oog” aan boord, over de route en locatie van het schip (“onze boot is in de water nog”), bedenkt hij het plan rondom de uithaal (“we hebben mooie plan” en “ik vertel je straks plan”) en heeft hij “werkers” bij kantoren in de haven onder controle (“wij hebben toch eentje op kantoor”, “we moeten daar met werk boot gaan die is van andere kantoor”, “ik heb hier een groep jongens toch”). Ook bericht hij over het doorverkopen van de cocaïne (“ik kan direct 50 kg verkopen”). Nadat de verdachte heeft ontdekt dat de cocaïne aan boord is onderschept, stuurt hij “wij hebben onze lijn kapot gemaakt 2 jaar ben ik mee bezig”. Dit kan de rechtbank niet anders interpreteren dan dat de verdachte twee jaar lang bezig is geweest met het opzetten van een drugslijn tussen Colombia en Nederland. Dat de gebruiker van [account 6] kennelijk ook een organiserende rol heeft gespeeld in het geheel doet aan de rol van de verdachte niets af en maakt zijn rol bij het drugstransport al helemaal niet kleiner of minder relevant.
De substantiële hoeveelheid cocaïne moet bestemd zijn geweest voor verdere verspreiding en handel. Cocaïne is een voor de gezondheid van gebruikers ervan zeer schadelijke stof, die levens kan ontwrichten. De verspreiding van en handel in cocaïne gaan gepaard met vele andere vormen van criminaliteit, waaronder (ernstige) geweldscriminaliteit, levensdelicten en misdrijven die een bedreiging zijn voor de integriteit van het financiële en economische verkeer. Daarnaast heeft cocaïnehandel een grote ondermijnende werking in de Nederlandse samenleving, bijvoorbeeld vanwege het, zoals in dit dossier, corrumperen van havenmedewerkers, of van andere functionarissen. Ondanks al deze schadelijke effecten, heeft de verdachte zich ingelaten met de internationale cocaïnehandel, kennelijk alleen voor eigen financieel gewin. De rechtbank neemt dat de verdachte zeer kwalijk.
De verdachte heeft zich daarnaast samen met anderen schuldig gemaakt aan een diefstal met geweld op de openbare weg. De verdachte en zijn mededaders hebben een autoruit van de huurauto van het slachtoffer ingeslagen, het portier opengetrokken, het slachtoffer uit de auto getrokken en zijn vervolgens met deze auto weggereden. De auto is twee dagen later teruggevonden. De verdachte en zijn mededaders zijn planmatig te werk gegaan, waarbij de verdachte een organiserende en aansturende rol had. Uit de tapgesprekken blijkt dat zij uitgebreid hebben gesproken over de aanpak en verdere afhandeling van de diefstal.
Het handelen van de verdachte en zijn mededaders getuigt van een grote mate van brutaliteit. Diefstallen zoals deze zijn ernstige strafbare feiten die beangstigend zijn voor de slachtoffers, maar leiden ook bij eventuele getuigen en de samenleving in het algemeen tot gevoelens van onveiligheid. De verdachte en zijn mededaders hebben kennelijk niet stilgestaan bij de (psychische) gevolgen voor het slachtoffer. Bovendien heeft de verdachte geen openheid van zaken gegeven en geen verantwoordelijkheid genomen voor zijn daden. Dit alles rekent de rechtbank de verdachte aan.
Tot slot heeft de verdachte bij een uitreiscontrole een vervalst paspoort aangeboden aan een medewerker van de KMar. Daarmee heeft de verdachte het vertrouwen geschonden dat in het internationaal personenverkeer in de juistheid en authenticiteit door van overheidswege verstrekte reis- en identiteitsdocumenten moet kunnen worden gesteld.
Persoon van de verdachte
Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank onder meer gelet op het strafblad van de verdachte (Uittreksel Justitiële Documentatie) van 12 november 2025. Hieruit blijkt dat de verdachte in de vijf jaren voorafgaand aan de bewezenverklaarde feiten niet is veroordeeld voor soortgelijke feiten.
LOVS-oriëntatiepunten
Bij het bepalen van de strafmaat heeft de rechtbank acht geslagen op de Oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS).
Conclusie
Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf van zeven jaren moet worden opgelegd.
Tenuitvoerlegging
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.
Bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte
De rechtbank is van oordeel dat het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte geschorst moet blijven. De persoonlijke omstandigheden op grond waarvan de rechtbank op 11 juni 2025 heeft beslist de verdachte te schorsen, zijn onveranderd. Er is niet gebleken van omstandigheden die maken dat schorsing van de voorlopige hechtenis nu niet meer verantwoord is. De rechtbank is van oordeel dat de persoonlijke belangen van de verdachte zwaarder wegen dan het strafvorderlijk belang van herleving van de voorlopige hechtenis.

8.Beslagbeslissingen

8.1
Teruggave aan de verdachte
De rechtbank is van oordeel dat de volgende onder de verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen aan hem moeten worden teruggegeven:
 1 Nokia gsm (NHRAA24002_830579; op de beslaglijst onder 1);
 1 iPhone (NHRAA24002_830583; op de beslaglijst onder 2);
 1 Apple gsm (NHRAA24002_830585; op de beslaglijst onder 3);
 1 datadrager (NHRAA24002_830588; op de beslaglijst onder 4);
 1 OK gsm (NHRAA24002_830590; op de beslaglijst onder 5);
 1 Nokia gsm (NHRAA24002_830592; op de beslaglijst onder 6);
 1 geldtelmachine (NHRAA24002_830593; op de beslaglijst onder 7);
 1 camerakoffer (NHRAA24002_830595; op de beslaglijst onder 8).
8.2
Bewaring ten behoeve van de rechthebbende
Naast de onder 8.1 genoemde voorwerpen, staat nog een aantal voorwerpen op de beslaglijst die aan de rechtbank is overgelegd. De verdachte heeft verklaard dat deze voorwerpen hem niet bekend voorkomen en dat ze mogelijk van een ander zijn. Op de kennisgeving van inbeslagname die ten aanzien van deze voorwerpen is opgemaakt, staat niet vermeld onder wie deze voorwerpen in beslag zijn genomen.
Aangezien het Openbaar Ministerie heeft verzuimd te concretiseren onder wie deze voorwerpen in beslag zijn genomen en tot nu toe geen persoon als rechthebbende kan worden aangemerkt, zal de rechtbank bepalen dat deze voorwerpen moeten worden bewaard ten behoeve van de rechthebbende.
Het gaat om de volgende voorwerpen:
 1 1 vacumeermachine (NHRAA24002_830597; op de beslaglijst onder 9);
 1 1 weegschaal (NHRAA24002_830598; op de beslaglijst onder 10);
 1 1 weegschaal (NHRAA24002_830606; op de beslaglijst onder 11);
 1 3 envelopjes (NHRAA24002_830608; op de beslaglijst onder 12).

9.Vordering benadeelde partij

De benadeelde partij [slachtoffer] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 7.610,- ingediend tegen de verdachte, wegens materiële schade die hij als gevolg van het onder 3 ten laste gelegde feit zou hebben geleden.
De officier van justitie heeft gevorderd en de raadsman heeft bepleit dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk wordt verklaard in de vordering, omdat de vordering onvoldoende is onderbouwd.
De rechtbank is van oordeel dat de vordering niet is onderbouwd en dat het dossier geen aanknopingspunten bevat ter onderbouwing dat de benadeelde partij deze schade zou hebben geleden. De rechtbank is van oordeel dat het een onevenredige belasting voor het strafgeding oplevert als de behandeling van de zaak moet worden aangehouden, teneinde de in België woonachtige benadeelde partij in de gelegenheid te stellen alsnog een onderbouwing van de vordering in te dienen. De rechtbank heeft daarbij mede in aanmerking genomen dat de benadeelde partij reeds voorafgaand aan de terechtzitting door het Openbaar Ministerie hiertoe in de gelegenheid is gesteld. De rechtbank zal de benadeelde partij daarom niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. Gelet op het bepaalde in artikel 361, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering kan de benadeelde partij de vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
De rechtbank zal daarbij bepalen dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen proceskosten dragen.

10.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:
artikel 47, 55, 57, 63, 231, 312 van het Wetboek van Strafrecht,
artikel 2, 10, 10a van de Opiumwet.

11.Beslissing

De rechtbank:
Verklaart bewezen dat de verdachte de onder 1 tot en met 4 ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 4.4 weergegeven.
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.
Bepaalt dat de onder 1 tot en met 4 bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 5. vermelde strafbare feiten opleveren.
Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van
7 (zeven) jaren.
Bepaalt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer] niet-ontvankelijk in de vordering.
Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen proceskosten dragen.
Gelast de teruggave aan de verdachte van:
 1 Nokia gsm (NHRAA24002_830579; op de beslaglijst onder 1);
 1 iPhone (NHRAA24002_830583; op de beslaglijst onder 2);
 1 Apple gsm (NHRAA24002_830585; op de beslaglijst onder 3);
 1 datadrager (NHRAA24002_830588; op de beslaglijst onder 4);
 1 OK gsm (NHRAA24002_830590; op de beslaglijst onder 5);
 1 Nokia gsm (NHRAA24002_830592; op de beslaglijst onder 6);
 1 geldtelmachine (NHRAA24002_830593; op de beslaglijst onder 7);
 1 camerakoffer (NHRAA24002_830595; op de beslaglijst onder 8).
Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van:
 1 1 vacumeermachine (NHRAA24002_830597; op de beslaglijst onder 9);
 1 1 weegschaal (NHRAA24002_830598; op de beslaglijst onder 10);
 1 1 weegschaal (NHRAA24002_830606; op de beslaglijst onder 11);
 1 3 envelopjes (NHRAA24002_830608; op de beslaglijst onder 12).
Bepaalt dat het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte geschorst blijft.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door
mr. C.S. Schoorl, voorzitter,
mr. I.A.M. Tel en I.E. Voorberg, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffier mr. M.T. Sluis,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 14 januari 2026.