In deze civiele zaak vordert de eisende partij betaling van een bedrag vermeerderd met rente en incassokosten van de gedaagde, die verstek liet gaan. De vordering is gebaseerd op een overeenkomst tussen een handelaar en een consument, waarbij de kantonrechter ambtshalve toetst of aan de wettelijke precontractuele informatieplichten is voldaan.
De eisende partij heeft nagelaten te stellen en te onderbouwen hoe zij aan deze informatieplichten heeft voldaan, waardoor de kantonrechter niet kan vaststellen op welke wijze de overeenkomst tot stand is gekomen en of essentiële informatie duidelijk is verstrekt. Tevens is het rente- en incassokostenbeding in de algemene voorwaarden voorlopig als oneerlijk beoordeeld, omdat het de wettelijke handelsrente overschrijdt en buitengerechtelijke kosten onbegrensd en zonder vereiste ingebrekestelling in rekening brengt.
De kantonrechter geeft de eisende partij eenmalig de mogelijkheid om bij akte nadere toelichting te geven over de totstandkoming van de overeenkomst en de naleving van de informatieplichten, alsmede over het oordeel omtrent de oneerlijkheid van de bedingen. Bij uitblijven van een volledige reactie zal de kantonrechter passende gevolgen verbinden. De zaak wordt aangehouden tot de rolzitting van 23 april 2026.