Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2026:3315

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
19 maart 2026
Publicatiedatum
27 maart 2026
Zaaknummer
HAA - 25 _ 4647
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:36c AwbArt. 12 Invorderingswet 1990Art. 1 Kostenwet invordering rijksbelastingenArt. 3 Kostenwet invordering rijksbelastingenArt. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond tegen in rekening gebrachte betekeningskosten dwangbevel belastinginvordering

Belanghebbende maakte bezwaar tegen de door de Belastingdienst in rekening gebrachte betekeningskosten van €5.353 voor een dwangbevel ter invordering van een voorlopige aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over 2023.

De rechtbank oordeelt dat de kosten in overeenstemming zijn met de Kostenwet invordering rijksbelastingen en dat de rechter niet bevoegd is om de proportionaliteit van deze kosten te toetsen. Het beroep van belanghebbende, dat mede steunde op een beroep op gelijkheid en proportionaliteit, wordt daarom ongegrond verklaard.

Belanghebbende was niet verschenen bij de zitting, maar is geacht correct te zijn uitgenodigd. De rechtbank wijst het beroep af en ziet geen aanleiding tot proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer).

Uitkomst: Het beroep tegen de in rekening gebrachte betekeningskosten wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

Rechtbank noord-holland

Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 25/4647

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 maart 2026 in de zaak tussen

[belanghebbende] , wonende te [woonplaats] , belanghebbende,

en

de ontvanger van de Belastingdienst, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft een dwangbevel aan belanghebbende betekend, strekkende tot voldoening van de voorlopige aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (ib/pvv) voor het jaar 2023 en de daarbij in rekening gebrachte belastingrente. De in rekening gebrachte betekeningskosten bedragen € 5.353.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de in rekening gebrachte betekeningskosten.
Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft daartegen beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 maart 2026 te Haarlem. Belanghebbende is niet verschenen. De uitnodiging voor de zitting is op 13 februari 2026 in het digitale systeem van de rechtbank geplaatst. Op dezelfde dag, op 13 februari 2026, is hiervan aan belanghebbende een notificatiebericht gestuurd. In overeenstemming met artikel 8:36c, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht moet belanghebbende geacht worden de uitnodiging daarmee te hebben ontvangen (vgl. Hoge Raad 31 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:158). Belanghebbende is daarom op de juiste wijze uitgenodigd zodat de behandeling ter zitting doorgang kon vinden. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [naam 1] en [naam 2] .

Overwegingen

Feiten
1. Met dagtekening 13 september 2024 is aan belanghebbende een voorlopige
aanslag ib/pvv voor het jaar 2023 opgelegd. Het aanslagbiljet vermeldt een te betalen bedrag van € 47.757, bestaande uit € 46.640 aan ib/pvv en € 1.117 aan belastingrente. Dit bedrag diende uiterlijk 25 oktober 2024 door de Belastingdienst te zijn ontvangen.
2. Verweerder heeft belanghebbende met dagtekening 20 november 2024 aangemaand te betalen. Vervolgens is op 16 januari 2025 een dwangbevel betekend. Hiervoor is € 5.353 bij belanghebbende in rekening gebracht.

Geschil3. In geschil is of de betekeningskosten tot de juiste hoogte in rekening zijn gebracht.

4. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de verhoudingen zoek zijn en dat de beslissing van verweerder daarom onjuist is. Ter onderbouwing voert hij aan dat een incassobureau zich bij een incassoprocedure moet houden aan bepaalde maximale percentages en bedragen. Belanghebbende werpt de vraag op hoe het kan dat de overheid andere regels kent en exorbitante bedragen mag rekenen voor het innen van belastingen. Belanghebbende verzoekt om gelijkheid en gerechtigheid.
5. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de betekeningskosten in overeenstemming met de Kostenwet invordering rijksbelastingen (hierna: Kostenwet), en daarmee tot de juiste hoogte, in rekening zijn gebracht.
Beoordeling van het geschil
6. De invordering van een belastingaanslag kan op grond van artikel 12 van Pro de Invorderingswet 1990 geschieden bij een door verweerder uit te vaardigen dwangbevel. Op grond van de Kostenwet worden kosten in rekening gebracht ter zake van de werkzaamheden die verweerder of de belastingdeurwaarder ten behoeve van de invordering verricht op grond van de Invorderingswet 1990 dan wel enige andere wettelijke bepaling (artikel 1 van Pro de Kostenwet).
7. In artikel 3, eerste lid, van de Kostenwet is bepaald welk tarief geldt voor het betekenen van een dwangbevel. Niet gesteld en ook niet gebleken is dat het door verweerder in rekening gebrachte bedrag hiermee in strijd is.
8. Het betoog van belanghebbende over de proportionaliteit van de in rekening gebrachte betekeningskosten kan hem niet baten. Het is de rechtbank immers niet toegestaan de proportionaliteit van de in rekening gebrachte betekeningskosten te beoordelen. De Hoge Raad heeft hierover het volgende overwogen in zijn arrest van 23 oktober 2009 (ECLI:NL:HR:2009:BK0896):
“3.4.1. Bij de beoordeling van het middel moet worden vooropgesteld dat tekst en strekking van artikel 3, lid 1, van de Kostenwet de rechter geen ruimte bieden om te beoordelen of de in rekening gebrachte kosten disproportioneel zijn (vgl. HR 7 juni 2000, nr. 34793, LJN AA6124, BNB 2000/374, onderdeel 5.2, slotzin). De Kostenwet spreekt weliswaar van het in rekening brengen van "kosten", maar hanteert daartoe forfaitaire bedragen die ook in rekening gebracht mogen worden voor zover zij in het concrete geval meer bedragen dan de werkelijke kosten die aan het verrichten van de desbetreffende invorderingswerkzaamheden verbonden zijn. Hoewel de Kostenwet erop is gericht dat de totale aan invordering van belastingschulden verbonden kosten gedekt worden, sluit zij niet uit dat de wetgever de tarieven zodanig vaststelt dat de (geraamde) opbrengsten van de in rekening gebrachte bedragen de totale (geraamde) kosten van invordering overtreffen.
3.4.2. Toetsing van de proportionaliteit van in rekening gebrachte invorderingskosten kan evenmin worden gebaseerd op artikel 6 EVRM Pro. Het in rekening brengen van deze kosten is mede bedoeld om de kosten te dekken die de overheid moet maken voor de invordering van belastingschulden. Tevens is die maatregel bedoeld als prikkel voor belastingschuldigen om tot betaling over te gaan. In absolute zin en in vergelijking met de werkelijke kosten van de verrichte werkzaamheden kan het in rekening gebrachte bedrag zo hoog zijn, dat daarvan een preventieve en afschrikwekkende werking uitgaat jegens (potentiële) wanbetalers. Dit laatste aspect is echter niet zodanig overheersend dat de kostenberekening daardoor over het geheel genomen een strafkarakter krijgt in de zin van artikel 6 EVRM Pro.”
9. Het verzoek van belanghebbende om ‘gelijkheid’ kan ook niet slagen.
In feite verzoekt belanghebbende om toepassing van een andere wet dan de Kostenwet. Aangezien de Kostenwet het relevante juridisch toetsingskader vormt in deze zaak, is het de rechtbank niet toegestaan hiervan af te wijken. De wetgeving waar belanghebbende op doelt, is uitsluitend van toepassing op andersoortige situaties dan de onderhavige.
10. Gelet op het voorgaande dient het beroep ongegrond te worden verklaard.
Proceskosten
11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.K.A. Efstratiades, rechter, in aanwezigheid van
mr. J.M. Kempers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 maart 2026.
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift per post verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer).
U kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2. het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de datum van verzending;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).