ECLI:NL:RBNHO:2026:335

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
4 februari 2026
Publicatiedatum
20 januari 2026
Zaaknummer
11853513
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:230m lid 1 BWArt. 6:230v lid 7 onder a BWArt. 7:764 lid 2 BWArt. 21 Wetboek van burgerlijke rechtsvordering
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betalingsovereenkomst aanneming werk en schending precontractuele informatieplichten

In deze zaak vordert eiser betaling van €544,50 voor verrichte werkzaamheden aan gedaagde, die stelt dat het werk ondeugdelijk en onveilig is uitgevoerd en dat eiser tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst.

Partijen sloten op 21 januari 2023 een overeenkomst voor €450 inclusief btw voor het verplaatsen van stopcontacten en aanleg van groepen. Eiser heeft werkzaamheden verricht en een factuur gestuurd, maar de factuur bevatte een lager bedrag en onduidelijkheden over de kosten.

De kantonrechter oordeelt dat eiser niet heeft voldaan aan de wettelijke (pre)contractuele informatieplichten zoals bedoeld in artikel 6:230m en 6:230v BW. Ook heeft eiser zijn waarheids- en volledigheidsplicht geschonden door onvoldoende onderbouwing van de vordering en het niet reageren op brieven van gedaagde.

Als gevolg hiervan wordt een sanctie van 40% toegepast op de vordering. Uiteindelijk wordt gedaagde veroordeeld tot betaling van €60 inclusief btw aan eiser, terwijl de overige vorderingen, waaronder rente en incassokosten, worden afgewezen. Proceskosten worden begroot op nihil omdat gedaagde in persoon procedeert.

Uitkomst: Gedaagde moet €60 inclusief btw betalen, overige vorderingen worden afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANKNOORD-HOLLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Alkmaar
Zaaknummer: 11853513 \ CV EXPL 25-3027
Vonnis van 4 februari 2026
in de zaak van
[eiser] , H.O.D.N. [naam],
te [plaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: De Ruijter & Willemsen gerechtsdeurwaarders en incasso B.V.,
tegen
[gedaagde],
te [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 5 augustus 2025
- de conclusie van antwoord
- de conclusie van repliek
- de conclusie van dupliek.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[gedaagde] heeft in december 2022 via het e-mailsysteem van Marktplaats contact opgenomen met [eiser] voor het verplaatsen van stopcontacten. [eiser] heeft [gedaagde] daarvoor een offerte van 20 januari 2023 gestuurd met de prijs € 400,00 inclusief btw.
2.2.
Op 21 januari 2023 hebben partijen bij [gedaagde] thuis een prijs van € 450,00 voor werkzaamheden inclusief btw en materialen afgesproken.
2.3.
[eiser] heeft op 25 januari 2023 werkzaamheden verricht.
2.4.
[eiser] heeft [gedaagde] een factuur van 25 januari 2023 gestuurd van € 331,63 exclusief btw (€ 401,27 inclusief btw) voor materialen en werkzaamheden.

3.Het geschil

3.1.
[eiser] vordert - samengevat - veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 544,50, vermeerderd met rente en kosten.
3.2.
[eiser] legt aan de vordering ten grondslag dat [gedaagde] haar betalingsverplichting niet nakomt. Volgens [eiser] hebben partijen een totaalprijs van € 544,50 afgesproken en heeft [gedaagde] dat bedrag ondanks verschillende betaalverzoeken niet betaald. Zij moet daarom ook de buitengerechtelijke incassokosten van € 81,68, de wettelijke rente vanaf 1 maart 2023 en de proceskosten betalen.
3.3.
[gedaagde] voert verweer. [eiser] heeft geen recht op volledige betaling, omdat hij het werk niet heeft afgemaakt en tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst. [eiser] heeft ondeugdelijk en onveilig werk verricht. Door de gebrekkige uitvoering heeft [eiser] derden moeten inschakelen met extra kosten tot gevolg. [gedaagde] voert ook verweer tegen de factuur. [gedaagde] is uit coulance bereid maximaal € 100,00 voor de wel verrichte werkzaamheden te betalen. [gedaagde] voert verder aan dat ze geen inhoudelijke reactie op haar verweer heeft ontvangen van de gemachtigde van [eiser] . Ze dacht dat de zaak was afgerond totdat ze 2,5 jaar later onverwacht de dagvaarding ontving.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
Deze zaak gaat om de vraag of [gedaagde] € 544,50 met rente en kosten aan [eiser] moet betalen. De kantonrechter oordeelt dat [gedaagde] € 60,00 aan [eiser] moet betalen en legt hierna uit waarom.
De overeenkomst
4.2.
Het staat vast dat partijen een overeenkomst met elkaar hebben gesloten. Deze is op 21 januari 2023 tot stand gekomen, omdat partijen het toen eens zijn geworden over de prijs van € 450,00 voor de te verrichten werkzaamheden. [eiser] heeft op 21 januari 2023 aan [gedaagde] geappt: “
fornuis groep+ vaatwasser groepen+ 2 stopcontacten verplaatsen”kost € 450,00 inclusief alle materialen en exclusief btw en “
Zonder de vaatwasser groep € 400 exclusief btw”. [gedaagde] heeft gereageerd: “
Doe maar inclusief de groepen”. Daarmee heeft [gedaagde] het aanbod van [eiser] om een fornuisgroep en vaatwassergroepen aan te leggen en twee stopcontacten te verplaatsen voor € 450,00 exclusief btw en inclusief materialen, aanvaard.
4.3.
[eiser] handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf en [gedaagde] is een consument. De overeenkomst tussen partijen is via whatsapp tot stand gekomen (kennelijk na een huisbezoek), zodat sprake is van een overeenkomst op afstand buiten verkoopruimte.
Ambtshalve toetsing van de wettelijke informatieplichten
4.4.
Bij het sluiten van een overeenkomst tussen een handelaar en een consument moet ter bescherming van de consument aan de wettelijke (pre)contractuele informatieplichten worden voldaan. Dat aan deze plichten is voldaan, moet gemotiveerd worden gesteld en onderbouwd. De kantonrechter moet er ambtshalve op toezien dat die voorschriften worden nageleefd, dus ook als er geen verweer is gevoerd. [1]
4.5.
[eiser] heeft niet gesteld en onderbouwd dat hij heeft voldaan aan de op hem rustende precontractuele informatieplichten. De kantonrechter kan daarom niet vaststellen dat aan [gedaagde] op duidelijke en begrijpelijke wijze de in artikel 6:230m lid 1 BW bedoelde essentiële informatie is verstrekt. De whatsapp van 23 januari 2023 is niet voldoende duidelijk.
4.6.
[eiser] heeft ook niet gesteld op welke wijze hij heeft voldaan aan de contractuele informatieplicht van artikel 6:230v lid 7 onder a BW. Hij heeft na het akkoord van [gedaagde] geen opdrachtbevestiging gestuurd, maar alleen de emoticon ‘duimpje omhoog’. [eiser] heeft een factuur van 25 januari 2023 overgelegd. Dit stuk voldoet niet. De factuur gaat namelijk uit van een andere - lagere - prijs. En daarin ontbreekt informatie over de voornaamste kenmerken van de zaken of de diensten, de termijn van levering of dienstverlening, het ontbindingsrecht en de opzeggingsvoorwaarden.
4.7.
De kantonrechter oordeelt daarom dat [eiser] niet aan de (pre)contractuele informatieplichten heeft voldaan en zal daarvoor een sanctie van 40% toepassen.
[eiser] heeft zijn vordering onvoldoende onderbouwd
4.8.
De kantonrechter oordeelt dat [eiser] onvoldoende heeft toegelicht en onderbouwd dat [gedaagde] € 544,50 verschuldigd is en legt hierna uit waarom.
4.9.
[eiser] vordert betaling van de afgesproken prijs van € 450,00 exclusief btw, maar onderbouwt de vordering met de factuur van € 331,63 exclusief btw zonder het verschil toe te lichten en de kosten te onderbouwen. Dat had hij wel moeten doen, gelet op het verweer van [gedaagde] . Omdat hij dat niet heeft gedaan, is zijn vordering van het hogere bedrag onbegrijpelijk.
4.10.
[eiser] stelt dat de opdracht bestond uit het plaatsen van twee stopcontacten boven de keuken, Perilex en vaatwassergroep, en een stopcontact voor de afzuigkap, alle vijf op dezelfde wand voor € 450 exclusief btw. In de repliek stelt [eiser] dat het extra werkzaamheden betrof en benoemt hij dat [gedaagde] tijdens het project verschillende keren van plan is veranderd en extra werk heeft gevraagd. Het is de kantonrechter niet duidelijk wat [eiser] nu vordert: de op 23 januari overeengekomen prijs en/of de kosten van meerwerk. Dat blijkt ook niet uit de factuur. [eiser] verwijst naar de eerdere offerte van december 2022, maar die zegt in principe niets over de huidige overeenkomst van 23 januari 2023.
4.11.
[eiser] baseert de vordering in de dagvaarding op nakoming van de betalingsverplichting van [gedaagde] . De kantonrechter leidt uit de dagvaarding af dat volgens [eiser] 80% van het werk is afgerond. [2] [eiser] vordert wel de volledige afgesproken prijs. Hij stelt dat het aan [gedaagde] te wijten is dat het werk niet is afgemaakt. Volgens [eiser] kon de montage niet plaatsvinden omdat [gedaagde] de keukenwand had verwijderd en daardoor gewacht moest worden tot de tegelzetter klaar was maar annuleerde zij de opdracht kort daarna, nog voordat het werk kon worden afgerond. Maar [eiser] licht hierbij niet toe waarom [gedaagde] dan toch de volledige prijs zou moeten betalen. In geval van opzegging geldt een andere maatstaf. Dan moet [gedaagde] de voor het gehele werk geldende prijs betalen, verminderd met de besparingen die voor [eiser] uit de opzegging voortvloeien, tegen aflevering door de aannemer van het reeds voltooide werk. [3] [eiser] stelt hier niets over.
4.12.
[gedaagde] voert verweer tegen de factuur van 25 januari 2023. Volgens [gedaagde] staan daarop kosten die niet kloppen, zoals de flexibele buis en kleinmaterialen. [eiser] heeft dit verweer niet weersproken. Daarmee staat vast dat de factuur van die kosten niet klopt.
4.13.
Dit betekent dat de kantonrechter de vordering van [eiser] niet kan toewijzen tot € 544,50.
[eiser] heeft zijn waarheids- en volledigheidsplicht geschonden
4.14.
De kantonrechter oordeelt dat [eiser] zijn waarheids- en volledigheidsplicht heeft geschonden en motiveert dat hierna.
4.15.
[gedaagde] voert aan dat ze geen reactie heeft ontvangen op haar brief aan de gemachtigde van [eiser] van 13 februari 2023 en dat ze tweeëneenhalf jaar niets meer van [eiser] heeft gehoord, tot de dagvaarding. [eiser] betwist dit niet dus dit staat vast. De kantonrechter constateert dat [eiser] bij de dagvaarding een paar betalingsherinneringen van zijn gemachtigde aan [gedaagde] heeft overgelegd, maar niet de reacties die [gedaagde] aan de gemachtigde heeft gestuurd. Uit het dossier blijkt ook niet dat [eiser] of zijn gemachtigde vóór de dagvaarding op de brief van [gedaagde] van 13 februari 2023 heeft gereageerd. Daarmee heeft [eiser] aan de ene kant zijn verplichting om de voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren geschonden [4] en aan de andere kant [gedaagde] rauwelijks gedagvaard. Door dit laatste is [gedaagde] de kans ontnomen om buiten rechte te onderhandelen over haar aanbod om iets aan [eiser] te betalen.
4.16.
De kantonrechter verbindt aan de schending van de waarheids- en volledigheidsplicht vier gevolgen: 1) [gedaagde] is voor de verrichte werkzaamheden € 100,00 inclusief btw verschuldigd, 2) de vordering van de wettelijke rente zal worden afgewezen, 3) de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten blijven voor rekening van [eiser] en 4) de proceskosten komen voor rekening van [eiser] . Deze gevolgen zijn in de omstandigheden van dit geval gepast (geraden).
De conclusie
4.17.
De conclusie is dat [gedaagde] € 60,00 inclusief btw aan [eiser] moet betalen (€ 100,00 – 40%).
4.18.
[eiser] moet de proceskosten van [gedaagde] betalen. Omdat [gedaagde] in persoon procedeert worden de proceskosten begroot op nul (nihil).

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 60,00,
5.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van [gedaagde] die tot en met vandaag worden bepaald op nihil,
5.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. I.H. Lips en in het openbaar uitgesproken op 4 februari 2026.

Voetnoten

1.Zie, onder meer, het arrest van de Hoge Raad van 12 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1677.
2.Dagvaarding, alinea 22 onderaan.
3.Artikel 7:764 lid 2 BW Pro.
4.Artikel 21 Wetboek Pro van burgerlijke rechtsvordering (Rv).