Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2026:3440

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
24 maart 2026
Publicatiedatum
31 maart 2026
Zaaknummer
AWB - 25 _ 1866
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging naheffingsaanslag parkeerbelasting wegens overmacht door ontoegankelijke parkeerautomaat

Belanghebbende parkeerde zijn auto op 15 januari 2025 in een vergunninghouderszone zonder vergunning of dagkaart te hebben gekocht. De gemeente legde een naheffingsaanslag op omdat geen parkeerbelasting was voldaan. Belanghebbende stelde dat hij tevergeefs had gezocht naar een parkeerautomaat, die slechts op één plek in een doodlopende straat stond en niet met borden was aangegeven.

De rechtbank stelde vast dat belanghebbende een uitgebreide zoektocht had gedaan over een afstand van minstens een kilometer en dat de parkeerautomaat moeilijk te vinden was. Ook was een deel van de buurt opgebroken, waardoor toegang tot de automaat werd belemmerd. De gemeente had geen wegwijzers geplaatst en het benodigde zonenummer voor mobiele betaling was alleen bij de automaat te vinden.

De rechtbank oordeelde dat belanghebbende aan zijn onderzoekplicht had voldaan en dat sprake was van overmacht. De naheffingsaanslag werd daarom vernietigd. Tevens werden proceskosten en griffierecht aan belanghebbende toegekend.

Uitkomst: De naheffingsaanslag parkeerbelasting wordt vernietigd wegens overmacht omdat belanghebbende de enige parkeerautomaat niet kon vinden.

Uitspraak

Rechtbank noord-holland

Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 25/1866

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 maart 2026 in de zaak tussen

[belanghebbende] , wonende te [woonplaats] , belanghebbende,

en

de heffingsambtenaar van Cocensus, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag parkeerbelastingen opgelegd.
Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar de naheffingsaanslag gehandhaafd.
Belanghebbende heeft daartegen beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 februari 2026 te Haarlem.
Belanghebbende is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. [naam] .

Overwegingen

Feiten
1. Bij parkeercontrole op 15 januari 2025, om 12:10 uur, is geconstateerd dat de auto van belanghebbende (kenteken [[...]] ; hierna: de auto) stond geparkeerd op een parkeerplaats op de Waterschapstraat te Alkmaar. Ter plaatse was op genoemde datum en tijdstip parkeerbelasting verschuldigd. Er was voor dit moment geen parkeerbelasting betaald. Vervolgens is de naheffingsaanslag opgelegd naar een bedrag van € 102,50, bestaande uit € 25,80 parkeerbelasting en € 76,70 naheffingskosten.

Geschil2. In geschil is of de naheffingsaanslag terecht is opgelegd.

3. Tussen partijen is niet in geschil dat belanghebbende de auto heeft geparkeerd op een parkeerplaats in een straat gelegen in een zone (fiscaal vergunningsgebied) waar de auto alleen geparkeerd mocht worden met een vergunning of dagkaart uit een parkeerautomaat en dat belanghebbende op het moment van de controle de auto heeft geparkeerd zonder vergunning of dagkaart.
4. Belanghebbende stelt dat de naheffingsaanslag ten onrechte is opgelegd. Hij voert aan dat hij een dagkaart wilde kopen, maar dat hij tevergeefs heeft gezocht naar een parkeerautomaat. Op een later tijdstip heeft hij met de fiets een rondje door de buurt gemaakt waar hij eerder had geparkeerd en toen heeft hij geconstateerd dat er in de buurt slechts één parkeerautomaat stond in een doodlopende straat, welke ver gelegen was van de straat waar hij in verband met zijn werkzaamheden had geparkeerd. Hij vraagt zich af waarom de parkeerautomaat niet is geplaatst aan het begin van de straat die je inrijdt als je de parkeerzone voor vergunninghouders binnenkomt en waar ook het parkeerbord staat waarop is aangegeven dat je als je geen vergunninghouder bent een dagkaart moet kopen,
of waarom bij dit bord niet is aangegeven waar je de parkeerautomaat kunt vinden.
5. Verweerder verwijst naar een uitspraak van de Hoge Raad van 18 april 2003 (ECLI:NL:HR:2003:AF7497), waarin de Hoge Raad heeft geoordeeld dat een afstand van 250 meter tot de parkeermeter niet afdoet aan de bevoegdheid van de gemeente de ter zake van het parkeren verschuldigde parkeerbelasting na te heffen. Vanaf de plek waar de auto van belanghebbende geparkeerd stond is de afstand tot de parkeermeter slechts 140 meter. Dat belanghebbende de parkeerautomaat niet kon vinden, doet niet af aan de betalingsverplichting. Het is in dagkaartgebieden gebruikelijk dat er weinig parkeerautomaten staan. Verweerder merkt op dat het in Alkmaar ook mogelijk is om met de mobiele telefoon aan de betalingsverplichting te voldoen. Naar de mening van verweerder is de naheffingsaanslag terecht opgelegd. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.
Beoordeling van het geschil
6. Belanghebbende heeft de auto geparkeerd in een straat waar dat op het moment van controle alleen mocht met een vergunning of dagkaart uit een parkeerautomaat, zonder gebruik te maken van een vergunning of te beschikken over een dagkaart. Dit maakt dat verweerder een naheffingsaanslag mag opleggen, tenzij sprake is van overmacht.
7. Vast is komen te staan dat in de hele buurt (de zone) één parkeerautomaat staat (in een doodlopende straat op de hoek van de Eilandswal en de Tienerwal) en dat uitsluitend bij deze parkeerautomaat een bordje hangt met informatie over het benodigde zonenummer dat je kunt gebruiken als je door middel van een parkeerapp op de mobiele telefoon in de buurt wilt parkeren.
8. Belanghebbende heeft op een plattegrond aangegeven welke route hij heeft afgelegd om een parkeerautomaat te vinden. Daaruit blijkt dat hij in een groot deel van de buurt (over een afstand van minstens 1 kilometer) tevergeefs heeft gezocht naar een parkeerautomaat. Verweerder heeft niet weersproken dat belanghebbende de door hem aangegeven route heeft afgelegd.
9. Belanghebbende heeft onweersproken gesteld dat één deel van een straat in de buurt op de dag van het parkeren was opgebroken en dat hij daardoor niet verder kon en hij in de veronderstelling was dat de parkeerautomaat zich mogelijk bevond in een voor hem onbereikbaar deel van de buurt. Tevens heeft belanghebbende onweersproken gesteld dat hij bij de mensen bij wie hij aan het klussen was en bij de mensen die bij de opgebroken straat aan het werk waren heeft nagevraagd waar de parkeerautomaat stond, maar dat niemand hem die hem heeft kunnen wijzen.
10. Uit de overgelegde plattegrond blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat je maar net de juiste richting moet uitlopen om de parkeerautomaat te kunnen vinden.
11. De stelling van verweerder dat belanghebbende voor het betalen van de verschuldigde parkeerbelasting ook de parkeerapp op zijn mobiele telefoon had kunnen gebruiken, wordt door de rechtbank gepasseerd. Vaststaat dat het voor het gebruik van de parkeerapp benodigde zonenummer uitsluitend te vinden was bij de parkeerautomaat en belanghebbende stelt in deze zaak nu juist dat hij die parkeerautomaat niet heeft kunnen vinden.
12. Gelet op voormelde omstandigheden en in aanmerking nemend dat in de in geschil zijnde parkeerzone maar één zich in een doorlopend straatje bevindende parkeerautomaat aanwezig was en er door de gemeente op de zich in de parkeerzone bevindende parkeerborden geen wegwijzers naar de enige parkeerautomaat zijn geplaatst, is de rechtbank van oordeel dat belanghebbende aan zijn onderzoekplicht heeft voldaan en dat sprake is geweest van overmacht.
Slotsom
13. De rechtbank zal het beroep gegrond verklaren.
Proceskosten en griffierecht
14. Nu het beroep gegrond is, bestaat aanleiding om de proceskosten van belanghebbende te vergoeden. Belanghebbende heeft op het formulier proceskosten reiskosten (gebruik eigen auto 178 km), parkeerkosten (1,5 uur x € 7) en andere kosten, te weten de kosten van de veerboot (€ 31 voor een kaart van 15 overtochten) opgegeven.
15. Van de kosten die belanghebbende heeft opgegeven, komen volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bbp) alleen de reis- en verletkosten in verband met het bijwonen van de zitting voor de vergoeding in aanmerking.
16. De reiskosten in beroep voor het bijwonen van de zitting komen in aanmerking voor vergoeding. De rechtbank wijst een bedrag van € 53,97 aan reiskosten toe. De reiskosten van het vervoer per auto heeft de rechtbank berekend op € 49,84. Dit bedrag is opgebouwd uit een kilometervergoeding van maximaal € 0,28 cent per kilometer nu belanghebbende niet met het openbaar vervoer maar met de auto heeft gereisd. Volgens de routeplanner van de ANWB bedraagt de afstand tussen de woning van belanghebbende en de rechtbank iets meer dan de door belanghebbende opgegeven 178 kilometer. De rechtbank zal uitgaan van het door belanghebbende opgegeven aantal kilometers. De kosten van het vervoer per veerboot vallen naar het oordeel van de rechtbank onder de reiskosten. De rechtbank berekent deze kosten op € 4,13 (€ 31/15 x 2).
17. De door belanghebbende opgegeven parkeerkosten komen niet voor vergoeding in aanmerking, omdat deze kosten op grond van artikel 2, lid 1, letter d, van het Bpb in verband met artikel 11, lid 1, letter c, van het Besluit tarieven in strafzaken 2003, niet tot de reiskosten worden gerekend (zie ECLI:NL:HR:2023:574).
18. Verweerder dient ook het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 53 te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- vernietigt de naheffingsaanslag;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 53,97 aan reiskosten;
- draagt verweerder op het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 53 te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.C. van As, rechter, in aanwezigheid van mr. W.G. van Gastelen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
24 maart 2026.
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift per post verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer).
U kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2. het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de datum van verzending;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).