Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2026:3507

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
1 april 2026
Publicatiedatum
2 april 2026
Zaaknummer
11720729 \ CV EXPL 25-2041
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Tussenuitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:230l BWArt. 6:96 BWArt. 22 RvArt. 139 RvRichtlijn 93/13/EEG
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ambtshalve toetsing oneerlijke bedingen in algemene voorwaarden bij huurovereenkomst

In deze civiele zaak vordert de eisende partij betaling van een bedrag vermeerderd met rente, incassokosten en proceskosten van de gedaagde die niet is verschenen, waardoor verstek is verleend.

De vordering is gebaseerd op een overeenkomst tussen een handelaar en een consument, waarbij de kantonrechter ambtshalve toetst of aan de precontractuele informatieplichten van artikel 6:230l BW is voldaan. De eisende partij heeft dit voldoende onderbouwd.

Daarnaast onderzoekt de kantonrechter de toepasselijkheid en rechtmatigheid van de algemene voorwaarden, met name de bedingen over rente en incassokosten. Deze bedingen zijn vermoedelijk oneerlijk omdat zij de consument aanzienlijk benadelen door hogere rente dan wettelijk toegestaan en onbeperkte incassokosten zonder maximum.

Ook een beding over administratiekosten bij verkeersboetes wordt als oneerlijk beoordeeld vanwege de eenzijdige kostenbepaling. De kantonrechter is voornemens deze bedingen te vernietigen en de gevorderde kosten af te wijzen, en geeft de eisende partij gelegenheid zich hierover uit te laten.

De zaak wordt aangehouden tot de volgende rolzitting, waarbij verdere beslissing volgt na reactie van de eisende partij.

Uitkomst: De kantonrechter houdt de zaak aan en geeft de eisende partij gelegenheid zich uit te laten over vermoedelijk oneerlijke bedingen in de algemene voorwaarden.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Handel, Kanton en Bewind
locatie Alkmaar
Zaaknr./rolnr.: 11720729 \ CV EXPL 25-2041
Uitspraakdatum: 1 april 2026
Tussenvonnis van de kantonrechter in de zaak van:
[eiser], handelende onder de naam
[bedrijf 1], tevens handelende onder de naam
[bedrijf 2]
te [plaats]
de eisende partij
gemachtigde: Armaere B.V.
tegen
[gedaagde]
zonder bekende woon- of verblijfplaats
de gedaagde partij
niet verschenen
De procedure
1.1. De eisende partij heeft de gedaagde partij gedagvaard. Tegen de gedaagde partij is verstek verleend.

2.De beoordeling

2.1.
De eisende partij vordert veroordeling van de gedaagde partij tot betaling van
€ 10.730,00, te vermeerderen met de buitengerechtelijke incassokosten, de wettelijke rente en de proceskosten.
2.2.
De vordering is gebaseerd op een overeenkomst tussen een handelaar en een consument, anders dan een overeenkomst op afstand of buiten de verkoopruimte gesloten. Bij het sluiten van dergelijke overeenkomsten moet de handelaar voldoen aan de wettelijke precontractuele informatieplichten van artikel 6:230l van het Burgerlijk Wetboek (BW). Dat aan deze plichten is voldaan, moet gemotiveerd worden gesteld en onderbouwd. De kantonrechter moet er ambtshalve op toezien dat die voorschriften worden nageleefd, dus ook als er geen verweer is gevoerd. [1]
2.3.
De kantonrechter is van oordeel dat de eisende partij voldoende heeft toegelicht en onderbouwd dat is voldaan aan de precontractuele informatieplichten.
Ambtshalve toetsing van de algemene voorwaarden
2.4.
De kantonrechter moet onderzoek doen naar (mogelijk) oneerlijke bedingen in de toepasselijke algemene voorwaarden. [2] Volgens Richtlijn 93/13/EEG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten is een beding oneerlijk wanneer dit het evenwicht tussen de wederzijdse rechten en verplichtingen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort. De kantonrechter moet in iedere procedure over ieder onderdeel van de vordering beoordelen of daarover in de algemene voorwaarden afspraken zijn gemaakt en of die afspraken al dan niet oneerlijk zijn ten opzichte van de consument. Als de kantonrechter oordeelt dat een contractuele afspraak oneerlijk is, moet het beding worden vernietigd en moet de vordering op dat onderdeel worden afgewezen (ook als de eisende partij in de procedure een beroep doet op wettelijke bepalingen in plaats van op die contractuele afspraak).
2.5.
Uit de overgelegde stukken blijkt dat op de overeenkomst(en) de volgende algemene voorwaarden van de eisende partij van toepassing zijn verklaard: ‘Algemene Huurvoorwaarden [bedrijf 1]’ (hierna: de algemene voorwaarden).
Rentebeding
2.6.
Artikel 7 lid 3 van Pro de algemene voorwaarden betreft een rentebeding. Dat luidt als volgt:
‘3. Betaling van de huurpenningen dient, tenzij anders is overeengekomen, onmiddellijk na ommekomst van de huurtermijn te geschieden. Betaling van andere bedragen dient te geschieden binnen veertien dagen na de factuurdatum. Indien huurder niet op tijd betaalt, is hij van rechtswege in verzuim. (…) Vanaf de datum van verzuim is huurder over het openstaande bedrag de wettelijke handelsrente, vermeerderd met twee procentpunt op jaarbasis verschuldigd, waarbij een gedeelte van een maand als een maand geldt.’
2.7.
De bedongen rente is hoger dan de wettelijke handelsrente. Het rentebeding is daarom vermoedelijk oneerlijk. De kantonrechter is voornemens om het beding te vernietigen en de gevorderde wettelijke rente af te wijzen. De eisende partij wordt in de gelegenheid gesteld om zich hierover uit te laten.
Incassobeding
2.8.
Artikel 7 lid 4 van Pro de algemene voorwaarden betreft een incassokostenbeding. Dat luidt als volgt:
‘4. Indien huurder ook na sommatie in gebreke blijft het verschuldigde bedrag te betalen, is hij daarenboven gehouden tot vergoeding van incassokosten. Onder incassokosten wordt verstaan alle kosten die verhuurder in en buiten rechte maakt voor de invordering van het verschuldigde bedrag met een minimum van 15% van het verschuldigde bedrag dan wel, indien het verschuldigde bedrag kleiner is dan € 500,- (excl. BTW), met een minimum van € 75,- (excl. BTW).’
2.9.
In dit beding is ten nadele van de consument afgeweken van het bepaalde in artikel 6:96 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) en het Besluit vergoeding buitengerechtelijke incassokosten. Er wordt immers van uitgegaan dat alle kosten verschuldigd zijn. Daarbij is ook geen maximum opgenomen, wat ertoe leidt dat onbeperkte kosten voor rekening van de consument zouden kunnen komen. Dat zou tot gevolg hebben dat de consument belast wordt met hogere kosten dan wettelijk is toegestaan. Daarnaast biedt de tekst van het beding de eisende partij de mogelijkheid om na elke sommatie zonder verdere termijn incassokosten in rekening te brengen, terwijl de wettekst voorschrijft dat de incassokosten pas ná het verstrijken van de in de veertiendagenbrief genoemde termijn verschuldigd zijn.
2.10.
Het incassokostenbeding is daarom eveneens vermoedelijk oneerlijk. De kantonrechter is voornemens om het beding te vernietigen en de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten af te wijzen. De eisende partij wordt in de gelegenheid gesteld om zich hierover uit te laten.
Nogmaals een incassobeding
2.11.
Artikel 14 van Pro de algemene voorwaarden luidt als volgt:
‘Voor rekening van huurder zijn alle sancties en gevolgen van maatregelen die in verband met het ter beschikking hebben c.q. gebruiken van het voertuig van overheidswege worden opgelegd, tenzij deze verband houden met een defect dat bij aanvang van de huur reeds aanwezig was. Indien deze sancties en maatregelen aan verhuurder worden opgelegd, is huurder gehouden verhuurder op diens eerste verzoek schadeloos te stellen, waarbij huurder aanvullend de kosten van incasso in en buiten rechte verschuldigd wordt, met een minimum van € 25,- (excl. BTW). Indien verhuurder in verband met enige gedraging of nalaten van huurder, zoals een verkeersovertreding, informatie aan autoriteiten verstrekt, is huurder gehouden de daarmee gepaard gaande kosten te vergoeden, met een minimum van € 10,- (excl. BTW).’
2.12.
Ook in artikel 14 van Pro de algemene voorwaarden wordt ten nadele van de consument afgeweken van het bepaalde in artikel 6:96 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW). Er wordt immers van uitgegaan dat alle kosten verschuldigd zijn. Daarbij is ook hier geen maximum opgenomen, wat ertoe leidt dat onbeperkte kosten voor rekening van de consument zouden kunnen komen. Dat zou tot gevolg hebben dat de consument belast wordt met hogere kosten dan wettelijk is toegestaan.
2.13.
De voorwaarde dat (kort gezegd) eventuele bekeuringen voor rekening van de huurder komen is op zichzelf niet oneerlijk, omdat het redelijk is dat de huurder zelf betaalt voor de verkeersovertredingen die met het gehuurde voertuig worden begaan. Ten aanzien van de administratieve kosten is het beding echter wel oneerlijk omdat het de eisende partij de mogelijkheid biedt om eenzijdig kosten te bepalen en door te belasten. Dit maakt het beding onevenredig nadelig voor de huurder.
2.14.
Daarom is het beding vermoedelijk oneerlijk. De kantonrechter is voornemens om het beding op deze punten te vernietigen en de gevorderde administratiekosten over de verkeersboete af te wijzen. De eisende partij zal in de gelegenheid worden gesteld om zich over dit voornemen uit te laten.
Conclusie
2.15.
De eisende partij wordt in de gelegenheid gesteld zich bij akte uit te laten over het voorshands uitgesproken oordeel omtrent de oneerlijkheid van de hiervoor genoemde bedingen.
2.16.
Als aan de hierboven bedoelde opdracht niet of niet volledig wordt voldaan, zal de kantonrechter daaraan op grond van de artikelen 22 en 139 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering de gevolgen verbinden die zij geraden acht.
2.17.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

3.De beslissing

De kantonrechter:
3.1.
verwijst de zaak naar de rol van 29 april 2026 om de eisende partij in de gelegenheid te stellen zich bij akte uit te laten over het voorshands uitgesproken oordeel zoals hiervoor is overwogen;
3.2.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.P.E. Oomens en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter

Voetnoten

1.Zie, onder meer, het arrest van de Hoge Raad van 12 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1677.
2.HvJ EU 27 januari 2021, C‑229/19 en C‑289/19, ECLI:EU:C:2021:68 (Dexia).