ECLI:NL:RBNHO:2026:3622

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
31 maart 2026
Publicatiedatum
7 april 2026
Zaaknummer
AWB - 25 _ 1571
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.1 WhtArt. 2.2 WhtArt. 2.3 WhtArt. 2.6 WhtArt. 8:29 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Recht op Catshuisvergoeding wegens institutionele vooringenomenheid bij kinderopvangtoeslag

Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen de afwijzing van haar verzoek om compensatie op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht) voor de jaren 2009 tot en met 2012. Zij stelde dat zij driemaal dezelfde gegevens moest verstrekken en dat sprake was van institutionele vooringenomenheid door verweerder. Daarnaast voerde zij aan dat de ontslagvergoeding van haar echtgenoot niet had moeten meetellen bij het toetsingsinkomen, en dat zij recht had op een O/GS-tegemoetkoming en een beroep deed op de hardheidsclausule.

De rechtbank oordeelde dat het breed uitvragen van bewijsstukken onnodig was en duidt op institutionele vooringenomenheid, maar dat dit niet voor alle jaren was vastgesteld. De beroepsgrond over de ontslagvergoeding en de hardheidsclausule faalde omdat geen bijzondere omstandigheden of schrijnende situaties waren aangetoond. Ook was onvoldoende bewijs voor een persoonlijke betalingsregeling en O/GS-kwalificatie.

De rechtbank stelde vast dat belanghebbende recht heeft op de Catshuisvergoeding van € 30.000 wegens institutionele vooringenomenheid. De zaak werd terugverwezen naar verweerder voor het vaststellen van de definitieve compensatie. Tevens werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn (€ 1.500) en proceskosten (€ 3.200).

Uitkomst: Beroep gegrond verklaard wegens institutionele vooringenomenheid; zaak terugverwezen voor definitieve compensatie en vergoeding immateriële schade en proceskosten toegekend.

Uitspraak

Rechtbank noord-holland

Zittingsplaats Alkmaar
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 25/1571

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 31 maart 2026 in de zaak tussen

[belanghebbende] , wonende te [woonplaats] , belanghebbende

(gemachtigde: mr. M. Hoefs),
en

Dienst toeslagen, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 8 november 2022 heeft verweerder het verzoek van belanghebbende om compensatie op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht) afgewezen.
Verweerder heeft bij beslissing op bezwaar van 3 februari 2025 het bezwaar van belanghebbende hiertegen ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft daartegen op 13 maart 2025 beroep bij de rechtbank ingesteld.
Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.
In de door verweerder overgelegde stukken waren passages onleesbaar gemaakt. Per brief van 22 mei 2025, bij de rechtbank ontvangen op 26 mei 2025, heeft verweerder ter zake van de onleesbaar gemaakte passages een verzoek om toepassing van artikel 8:29, eerste lid (geheimhouding), van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ingediend. Per brief van 17 juni 2025 heeft belanghebbende daarop gereageerd. Bij beslissing van 3 juli 2025 heeft de geheimhoudingskamer van de rechtbank beslist dat beperking van de kennisneming van een deel van de onleesbaar gemaakte passages gerechtvaardigd was en van een ander deel niet. De rechtbank heeft belanghebbende in de gelegenheid gesteld zo spoedig mogelijk doch uiterlijk ter zitting van de beroepszaak op 16 juli 2025 de rechtbank te berichten of zij er in toestemt dat de rechtbank uitspraak doet mede op grondslag van de passages waarvan het onleesbaar maken gerechtvaardigd was. De geplande zitting van 16 juli 2025 werd tot een nader te bepalen datum uitgesteld.
Belanghebbende heeft een nader stuk ingediend dat in kopie is verstrekt aan verweerder.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 februari 2026 te Alkmaar.
Belanghebbendeis verschenen met haar gemachtigde en bijgestaan door haar echtgenoot, [naam 1] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. [naam 2] en mr. [naam 3] .
Overwegingen
Feiten
1. Belanghebbende is gehuwd met [naam 1] (hierna: de echtgenoot). Belanghebbende en haar echtgenoot hebben zes kinderen; het oudste kind is geboren in 2002, het jongste in 2009. In 2012 heeft de echtgenoot een ontslagvergoeding ontvangen.
2. Voor de jaren 2009 tot en met 2012 is aan belanghebbende kinderopvangtoeslag toegekend die later gedeeltelijk van haar is teruggevorderd. Voor het jaar 2009 is aan belanghebbende bij voorschotten een kinderopvangtoeslag toegekend van € 23.012 die definitief is vastgesteld op € 20.384. Bij beschikking van 24 januari 2013 is daarom een bedrag van € 2.628 van belanghebbende teruggevorderd.
3. Voor het jaar 2010 is bij voorschotbeschikking van 5 december 2009 aan belanghebbende een kinderopvangtoeslag toegekend van € 25.605. Bij voorschotbeschikking van 19 oktober 2010 is deze kinderopvangtoeslag bepaald op € 25.576 en bij voorschotbeschikking van 2 februari 2011 op € 24.950. Per brief van 29 september 2011 heeft verweerder belanghebbende gevraagd een overzicht te verstrekken van de daadwerkelijk gemaakte kosten van kinderopvang over 2010. Op 20 en 26 oktober 2011 heeft belanghebbende daarop gereageerd met het invullen en insturen van het daartoe bestemde formulier met daarbij de overzichten van het gastouderbureau en de gastouders. Op 17 november 2011 heeft belanghebbende deze gegevens en de daarbij behorende stukken opnieuw verstrekt. Per brief van 18 september 2012 heeft verweerder belanghebbende medegedeeld dat de tot dan toe verstrekte gegevens niet volledig of onjuist waren en zij daartoe het bijgesloten formulier moest invullen en terugsturen. De derde alinea van deze brief luidt als volgt:

“Welke informatie hebben wij van u nodig?

Voor [naam 4] is de periode van opvang bij [kinderopvang] niet te bepalen. Vul bij vraag 3 van het antwoordformulier de ontbrekende gegevens in.”
4. Op 16 september 2012 heeft belanghebbende het ingevulde formulier ingestuurd en daarop 1 januari 2010 tot en met 31 december 2010 ingevuld als opvangperiode. De kinderopvangtoeslag voor 2010 is bij beschikking van 8 augustus 2013 definitief berekend op € 16.672. In de brief waarin de beschikking is bekendgemaakt is tevens vermeld dat € 8.278 (€ 24.950 -/- € 16.672) van belanghebbende zou worden teruggevorderd.
5. Voor het jaar 2011 is aan belanghebbende bij voorschotbeschikkingen een kinderopvangtoeslag toegekend van € 17.076, die definitief is vastgesteld op € 13.145. Daarom is bij beschikking van 20 juni 2014 € 3.931 van belanghebbende teruggevorderd. Voor het jaar 2012 is bij voorschotten een kinderopvangtoeslag toegekend van € 13.382, die definitief is vastgesteld op € 4.989. Bij beschikking van 30 mei 2014 is daarom € 8.393 van belanghebbende teruggevorderd.
6. Op 7 december 2020 heeft belanghebbende een herbeoordelingsverzoek kinderopvangtoeslag (hierna: het verzoek) voor de jaren 2009 tot en met 2012 ingediend. Per brief van 15 december 2020 heeft verweerder de ontvangst van het verzoek bevestigd en per brief van 1 mei 2021 heeft hij haar bericht over de voorgang van de beoordeling van haar verzoek. Verweerder heeft het verzoek voorgelegd aan de Commissie van Wijzen (CvW). Bij schriftelijk advies van 19 mei 2022 heeft de CvW geadviseerd het verzoek af te wijzen.
7. Conform het advies van de CvW heeft verweerder bij beschikking van 8 november 2022 het verzoek afgewezen. Belanghebbende heeft daartegen bezwaar gemaakt. Het bezwaarschrift is gedagtekend 29 november 2022. Per brief van 7 december 2022 heeft verweerder de ontvangst van het bezwaarschrift bevestigd. Verweerder heeft het bezwaar voorgelegd aan de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen (hierna: de BAC). Op 1 oktober 2024 is belanghebbende door de BAC gehoord. Van de hoorzitting is een verslag opgemaakt dat in kopie tot de gedingstukken behoort. Bij advies van 21 november 2024 heeft de BAC geadviseerd het bezwaar ongegrond te verklaren.

Geschil8.In geschil is of verweerder het verzoek om compensatie kinderopvangtoeslag voor de jaren 2009 tot en met 2012 terecht heeft afgewezen.

9. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat het verzoek ten onrechte is afgewezen en heeft daarvoor aangevoerd dat zij voor de jaren 2010, 2011 en 2012 soms driemaal dezelfde informatie aan verweerder moest verstrekken. Volgens belanghebbende heeft verweerder haar per brief van 29 september 2011 gevraagd om opgave te verstrekken van de daadwerkelijke opvangkosten over het jaar 2010. Die heeft zij op 26 oktober 2011 aangeleverd en op 17 november 2011 heeft zij die naar aanleiding van een nieuw verzoek van verweerder opnieuw aangeleverd. En op 18 september 2012 is opnieuw uitvraag gedaan over de gegevens die zijn verstrekt op 26 oktober 2011 en 17 november 2011. Uit het voorgaande kan volgens belanghebbende worden geconcludeerd dat sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid bij verweerder. Belanghebbende meent verder dat zij recht heeft op een zogenoemde O/GS-tegemoetkoming. Op 2 juli 2015 heeft zij ineens twee bedragen afgelost, te weten € 8.394 en € 1.847. Daarvoor hebben zij en haar echtgenoot op 30 juni 2015 een lening afgesloten voor een bedrag van € 17.056. Belanghebbende voert aan dat ze niet anders konden omdat verweerder niet wilde meewerken aan een betalingsregeling. Het overgelegde dossier is niet compleet omdat verweerder geen stukken heeft overgelegd waaruit volgt dat het LIC afdoende onderzoek naar de O/GS-kwalificatie heeft verricht. Ook doet belanghebbende een beroep op de hardheidsregeling en heeft daarvoor aangevoerd dat met ontvangst van de ontslagvergoeding sprake is van een bijzondere omstandigheid. Volgens belanghebbende had de ontslagvergoeding niet moeten worden meegeteld bij de vaststelling van het gezamenlijk toetsingsinkomen. Belanghebbende heeft aangevoerd dat zij voor de terugbetalingen van de kinderopvangtoeslag een lening moest afsluiten met als gevolg dat zij een BKR-registratie kreeg en voor de financiering van de eigen woning daardoor een hypothecaire lening moest worden afgesloten tegen een veel hogere rente dan gebruikelijk. Belanghebbende beroept zich ook op de hardheidsclausule en heeft daarvoor aangevoerd dat door de financiële problemen haar echtgenoot na zijn ontslag genoegen heeft genomen met een baan tegen een veel lager loon en zijzelf fulltime is gaan werken. Volgens belanghebbende hebben de kinderen hier erg onder geleden. Verder stelt belanghebbende dat de beslissing op bezwaar onzorgvuldig tot stand is gekomen en onvoldoende is gemotiveerd.
10. Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de beslissing op bezwaar, toekenning van een tegemoetkoming, veroordeling van verweerder tot het vergoeden van schade en wettelijke rente en tot veroordeling van verweerder in de proceskosten. Verder verzoekt belanghebbende vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn.
11. Verweerder neemt het standpunt in dat het beroep ongegrond moet worden verklaard en heeft daarvoor aangevoerd dat de kinderopvangtoeslag voor de betreffende jaren uiteindelijk neerwaarts is bijgesteld op basis van kinderopvanggegevens en inkomensgegevens, dat niet is gebleken dat de KOI-viewer onjuiste informatie bevatte en belanghebbende geen stukken heeft aangeleverd waaruit zou kunnen blijken dat het aantal uren dat door de kinderopvanginstelling is doorgegeven onjuist zou zijn. Verweerder stelt dat belanghebbende niet heeft gemotiveerd dat sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid en geen sprake is van een bijzondere omstandigheid die zou moeten leiden tot toepassing van hardheidsregeling. Een ontslagvergoeding is onderdeel van het toetsingsinkomen en van actuele schrijnende omstandigheden is volgens verweerder geen sprake. Aangaande de O/GS-kwalificatie stelt verweerder dat niet is gebleken dat ooit een persoonlijke betalingsregeling is aangevraagd dan wel geweigerd en dat belanghebbende nooit een O/GS-kwalificatie heeft gehad. Verder stelt verweerder zich op het standpunt dat de beslissing op bezwaar zorgvuldig tot stand is gekomen en voldoende is gemotiveerd. Verweerder verwijst daarvoor naar het advies van de BAC en het verslag van het aldaar gehouden hoorgesprek.
Beoordeling van het geschil
Juridisch kader institutionele vooringenomenheid / hardheid van het systeem
12. Uit artikel 2.1, eerste lid, van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht) volgt dat een aanvrager alleen recht heeft op compensatie als hij schade heeft geleden doordat ten aanzien van hem in de periode vóór 23 oktober 2019 bij de beoordeling van het recht op kinderopvangtoeslag sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of doordat de toepassing van wettelijke regelingen heeft geleid tot onbillijkheden van overwegende aard als gevolg van de hardheid waarmee het wettelijke systeem vóór 23 oktober 2019 werd toegepast.
13. In de memorie van toelichting bij artikel 2.1 van de Wht (Kamerstukken II 2021/22, 36 151, nr. 3, p. 70-71) worden vijf aspecten van institutionele vooringenomenheid benoemd: (1) collectieve stopzetting zonder een voorafgaande individuele beoordeling die dit rechtvaardigde; (2) het breed uitvragen van bewijsstukken over een of meerdere jaren; (3) zerotolerance-onderzoek naar fouten, tekortkomingen en ontbreken bewijsstukken, al dan niet met een tweede check wanneer bij eerste lezing geen grond voor afwijzing was gevonden; (4) het niet nader uitvragen van informatie bij gebleken tekortkomingen in de door de ouder verstrekte bewijsstukken; (5) het afwijzen of reduceren van de aanspraak op kinderopvangtoeslag bij de minste of geringste onregelmatigheid in de door de ouder verstrekte bewijsstukken. Ieder aspect afzonderlijk hoeft niet noodzakelijkerwijs te duiden op institutionele vooringenomenheid, net zomin als het ontbreken van een van deze aspecten wijst op de afwezigheid daarvan. Er kunnen ook nog aanvullende aanwijzingen zijn van institutionele vooringenomenheid, zo blijkt uit de memorie van toelichting.
14. Uit de memorie van toelichting blijkt verder dat van hardheid van het stelsel als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onderdeel b, van de Wht in elk geval sprake is als de kinderopvangtoeslag op nihil is vastgesteld in plaats van naar rato van het bedrag van de kosten waarvan de aanvrager van een kinderopvangtoeslag heeft aangetoond dat deze tijdig zijn betaald aan de kinderopvangorganisatie. Ook is er sprake van hardheid van het stelsel bij de aanwezigheid van bijzondere omstandigheden waarbij de kinderopvangtoeslag in zijn geheel is teruggevorderd en deze terugvordering onevenredig was in verhouding tot de met die terugvordering te dienen doelen. Van bijzondere omstandigheden is bijvoorbeeld sprake als:
– een derde identiteitsfraude pleegt en op naam en buiten medeweten van de belanghebbende de toeslag aanvraagt en de toeslag aantoonbaar – geheel of gedeeltelijk – niet ten goede komt aan de belanghebbende;
– een derde, bijvoorbeeld een kinderopvangorganisatie, op een andere wijze fraudeert zonder medeweten en (directe) betrokkenheid van de belanghebbende; of
– een door belanghebbende redelijkerwijze niet (meer) te herstellen geringe formele tekortkoming, zoals het ontbreken van een handtekening in een contract, heeft geleid tot aanzienlijke negatieve gevolgen voor het recht op kinderopvangtoeslag, terwijl aan alle materiële eisen voor de kinderopvangtoeslag is voldaan.
Verder blijkt uit de memorie van toelichting dat er geen sprake is van een bijzondere omstandigheid als:
– de belanghebbende te kwader trouw is;
– de terugvordering het gevolg is van een afwijking tussen het daadwerkelijk afgenomen aantal uren kinderopvang en het aantal uren kinderopvang op basis waarvan het voorschot kinderopvangtoeslag is berekend in dat berekeningsjaar;
– de terugvordering het gevolg is van een afwijking tussen het daadwerkelijke over het berekeningsjaar vastgestelde toetsingsinkomen voor de toeslagen en het geschatte inkomen op basis waarvan het voorschot is berekend.
Uitvraag over toeslagjaar 2010
15. Zoals vermeld onder 3 heeft belanghebbende op 20 en 26 oktober 2011 met het daartoe bestemde antwoordformulier opgave gedaan van de daadwerkelijk gemaakte kosten van kinderopvang met daarbij de overzichten van het gastouderbureau en de gastouders. Op het antwoordformulier was onder meer vermeld dat belanghebbende de gegevens voor 19 oktober 2011 moest insturen. Op 17 november 2011 heeft belanghebbende dezelfde gegevens nogmaals ingediend. Desgevraagd heeft verweerder ter zitting verklaard dat hier niet om was gevraagd en dat belanghebbende dit deed op eigen initiatief. Op het desbetreffende antwoordformulier is echter vermeld dat belanghebbende de gegevens voor 10 december 2011 moest insturen. Daaruit blijkt dat wel degelijk om het opnieuw verstrekken van de gegevens moet zijn gevraagd. Met de brief van 18 september 2012 heeft verweerder, met de opmerking dat de eerder verstrekte gegevens onvolledig of onjuist waren, voor één kind gevraagd om nadere gegevens. Er werd gevraagd naar de periode van kinderopvang. De rechtbank stelt vast dat naar deze informatie niet eerder is gevraagd in de daartoe bestemde antwoordformulieren, zodat een eventuele onvolledigheid niet aan belanghebbende kan worden toegerekend. Verder bleek het aantal afgenomen uren kinderopvang reeds uit de inmiddels drie maal overgelegde jaaropgaven over het jaar 2010. De kinderopvangtoeslag wordt toegekend per berekeningsjaar. Het is dan ook niet duidelijk in hoeverre de gevraagde gegevens van invloed zijn geweest op de definitief berekende kot.
16. Het voorgaande brengt de rechtbank tot het oordeel dat sprake was van het (onnodig) breed uitvragen van bewijsstukken. Kennelijk werd getwijfeld aan de juistheid van de verstrekte gegevens wat dient te worden aangemerkt als vooringenomen handelen. Voor het standpunt van verweerder dat het breed uitvragen van bewijsstukken enkel in combinatie met een zero-tolarance- onderzoek kan leiden tot institutionele vooringenomenheid ziet de rechtbank, gelet op de onder 14 genoemde memorie van toelichting, geen aanleiding. In zoverre is het gelijk dus aan belanghebbende.
17. Van institutionele vooringenomenheid in de jaren 2009, 2011 en 2012 is niet gebleken.
Hardheid van het wettelijk stelsel?
18. Volgens belanghebbende zou de ontslagvergoeding van de echtgenoot niet mee moeten tellen bij het toetsingsinkomen. Het meetellen van de ontslagvergoeding heeft volgens belanghebbende geleid tot een onbillijkheid van overwegende aard die het gevolg is van de hardheid waarmee het wettelijke systeem tot 23 oktober 2019 werd toegepast. De rechtbank overweegt dat in onderhavige jaren geen sprake is geweest van het op nihil stellen van de kinderopvangtoeslag en ook niet van integrale terugvordering daarvan. Ook verder zijn geen omstandigheden gesteld en aannemelijk gemaakt die zouden zijn aan te merken als omstandigheden die zijn bedoeld in de in 14 aangehaalde memorie van toelichting. Deze beroepsgrond slaagt niet.
O/GS kwalificatie?
19. Volgens artikel 2.6, eerste lid, van de Wht, voor zover hier van belang, kent de Dienst Toeslagen aan een aanvrager van een kinderopvangtoeslag op aanvraag een O/GS-tegemoetkoming toe indien de toepassing van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen, de daarop berustende bepalingen of de Wet kinderopvang bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag heeft geleid tot onbillijkheden van overwegende aard, omdat hem geen persoonlijke betalingsregeling is toegekend vanwege de onterechte kwalificatie van opzet of grove schuld van hemzelf of zijn partner ten aanzien van het ontstaan van de terugvordering van de kinderopvangtoeslag.
20. Voor de beoordeling of belanghebbende recht heeft op een O/GS-tegemoetkoming omdat haar ten onrechte geen betalingsregeling is toegekend, dient te worden bezien of door belanghebbende een verzoek om een betalingsregeling is gedaan. Belanghebbende heeft aangevoerd dat zij om een betalingsregeling heeft verzocht bij handgeschreven brief, maar dat die ten onrechte niet is opgenomen in de op de zaak betrekking hebbende stukken.
21. Uit de gedingstukken komt naar voren dat aan belanghebbende de standaardbetalingsregeling is toegekend, maar in de stukken is niet te vinden dat belanghebbende ooit om een persoonlijke betalingsregeling heeft gevraagd. Uit de informatie van het LIC en de toelichting van verweerder over het onderzoek naar de O/GS-kwalificatie ter zitting blijkt dat in de systemen is gezocht naar de kwalificatie opzet of grove schuld ten aanzien van belanghebbende, maar dat niets is aangetroffen. In hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd bestaan onvoldoende aanknopingspunten om aan te nemen dat het onderzoek en de daaruit voortvloeiende informatie onvolledig zouden zijn en dat zij wel schriftelijk heeft verzocht om een persoonlijke betalingsregeling te treffen. In de laatste maand van de periode waarop de standaardbetalingsregeling betrekking heeft, heeft belanghebbende een lening afgesloten. Weliswaar kan deze lening zijn aangewend om te voldoen aan haar betalingsverplichtingen, maar uit het aangaan van de lening kan niet worden afgeleid dat zij om een persoonlijke betalingsregeling heeft gevraagd. Deze beroepsgrond van belanghebbende slaagt daarom niet.
Beroep op hardheidsclausule
22. De hardheidsclausule kan worden toegepast in bijzondere situaties, waarbij toepassing van de bepaling zelf, gelet op de ratio ervan, onbillijk uitpakt of wanneer sprake is van schrijnende omstandigheden waardoor toepassing van de wettelijke bepaling achterwege moet blijven. Ten aanzien van het meetellen van de ontslagvergoeding bij het toetsingsinkomen, doet belanghebbende eveneens een beroep op de hardheidsclausule. De rechtbank overweegt dat de hoogte van de kinderopvangtoeslag wordt vastgesteld aan de hand van de draagkracht van de belanghebbende. Daarbij is het verzamelinkomen van de belanghebbende en haar echtgenoot bepalend. Het verzamelinkomen blijkt uit de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over het berekeningsjaar. Zoals verweerder terecht stelt, is er geen wettelijke grondslag om van een ander inkomen uit te gaan dan het verzamelinkomen zoals dat is vastgesteld door de inspecteur van de Belastingdienst. Verweerder moet dit verzamelinkomen dan ook gebruiken als toetsingsinkomen en de ontslagvergoeding was onderdeel hiervan. Van actuele schrijnende omstandigheden is verder niet gebleken. Het beroep slaagt niet.
Conclusie
23. Op grond van hetgeen is overwogen in 15 is de rechtbank van oordeel dat belanghebbende in aanmerking komt voor de Catshuisvergoeding van € 30.000. Het beroep dient daarom gegrond te worden verklaard. Met inachtneming van het bepaalde in de artikelen 2.2 en 2.3 van de Wht dient het definitieve compensatiebedrag te worden vastgesteld. Daarvoor beschikt de rechtbank echter niet over voldoende gegevens. De rechtbank zal de zaak daarom terugwijzen naar verweerder om, met inachtneming van deze uitspraak van de rechtbank, de aan belanghebbende toekomende compensatie vast te stellen en opnieuw een beslissing op het bezwaar te nemen.
Overschrijding redelijke termijn
24. Belanghebbende heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. De redelijke termijn is overschreden wanneer de rechtbank niet binnen twee jaar nadat verweerder het bezwaarschrift heeft ontvangen, uitspraak doet tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden.
25. Verweerder heeft ter zitting aangevoerd dat de redelijke termijn moet worden verlengd omdat de gemachtigde van belanghebbende heeft verzocht om uitstel van de zitting. De rechtbank is van oordeel dat dit niet wordt aangemerkt als een bijzondere omstandigheid en ziet hierin geen aanleiding voor het verlengen van de redelijke termijn.
26. Verweerder heeft het bezwaarschrift ontvangen op 29 november 2022 en de uitspraak van deze rechtbank is van 31 maart 2026. Dat betekent dat de behandeling in totaal 41 maanden heeft geduurd en dat de redelijke termijn van 24 maanden is overschreden met 17 maanden. Daarmee correspondeert een vergoeding van immateriële schade van € 500 per zes maanden, in totaal € 1.500. De termijnoverschrijding van 17 maanden is geheel toe te rekenen aan de bezwaarfase en komst dus voor rekening van verweerder.
Proceskosten
27. De rechtbank veroordeelt verweerder in de proceskosten van belanghebbende. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht en met inachtneming van het bepaalde in artikel 2.3, zesde lid, van de Wht, stelt de rechtbank de vergoeding van de kosten van professionele rechtsbijstand vast op € 3.200 namelijk 1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het bijwonen van de hoorzitting, met een waarde per punt van € 666, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting, met een waarde per punt van € 934, en een wegingsfactor 1.

Beslissing

De rechtbank:
₋ verklaart het beroep gegrond;
₋ vernietigt de beslissing op bezwaar;
₋ wijst de zaak terug naar verweerder teneinde opnieuw uitspraak op het bezwaar te doen;
₋ veroordeelt verweerder tot het vergoeden van de door belanghebbende geleden immateriële schade tot een bedrag van € 1.500;
₋ veroordeelt verweerder in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 3.200.
₋ draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 53 aan belanghebbende te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.J. Richters, rechter, in aanwezigheid van
H. van Lingen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 31 maart 2026.
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift per post verzonden op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.