Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2026:3668

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
8 april 2026
Publicatiedatum
7 april 2026
Zaaknummer
HAA 25/2428
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4.1 WooArt. 4.6 WooArt. 2.1 WooArt. 2.2 WooArt. 2.5 Woo
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek om openbaarmaking contactmomenten OMT en bewindspersonen VWS

Eiser heeft op 25 januari 2024 een verzoek ingediend op grond van de Wet open overheid (Woo) om alle contactmomenten en correspondentie tussen (voormalig) ministers en bewindspersonen van het ministerie van VWS en (voormalig) leden van het OMT vanaf 1 januari 2022 openbaar te maken. De minister heeft aanvankelijk documenten deels openbaar gemaakt, maar heeft het verzoek later afgewezen omdat het niet ziet op een specifieke aangelegenheid zoals vereist onder de Woo.

Eiser heeft bezwaar gemaakt en beroep ingesteld tegen deze afwijzing. Hij stelt dat zijn verzoek concreet genoeg is en dat hij inzicht wil krijgen in de relationele werking en sociale verbanden tussen het OMT en de bewindspersonen van VWS, niet alleen over corona-gerelateerde onderwerpen. De rechtbank oordeelt echter dat het verzoek te breed is en geen duidelijk afgebakende aangelegenheid betreft, zoals vereist volgens artikel 4.1, vierde lid, van de Woo.

De rechtbank benadrukt dat een aangelegenheid betrekking moet hebben op een specifieke rol of optreden van de overheid in een gebeurtenis, casus of situatie van overheidshandelen. Het verzoek van eiser raakt een onbegrensd aantal onderwerpen en is daarmee onvoldoende gespecificeerd. De wens van eiser om inzicht te krijgen in sociale cohesie vormt geen aangelegenheid in de zin van de Woo.

Daarom verklaart de rechtbank het beroep ongegrond en blijft het bestreden besluit van de minister in stand. Eiser krijgt geen vergoeding van proceskosten of griffierecht terug. De uitspraak is gedaan door rechter A.H. de Regt op 8 april 2026.

Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard omdat het Woo-verzoek niet ziet op een specifieke aangelegenheid.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 25/2428

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 april 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

(gemachtigde: mr. S.K. Setz),
en

de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport

(gemachtigde: mr. E.C. Pietermaat).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van het verzoek van eiser van
25 januari 2024 dat is gebaseerd op de Wet open overheid (Woo). Eiser heeft gevraagd om informatie over alle contacten tussen (voormalig) ministers en/of (voormalig) bewindspersonen van het ministerie van VWS en (voormalig) leden van het OMT, vanaf
1 januari 2022. De minister heeft aanvankelijk documenten openbaar gemaakt naar aanleiding van dat verzoek. In bezwaar heeft de minister het verzoek echter alsnog afgewezen, omdat het verzoek niet ziet op een aangelegenheid zoals bedoeld in de Woo. Eiser is het niet eens met die afwijzing. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1
De rechtbank is het met de minister eens dat contactmomenten en sociale verbanden tussen het OMT en haar leden enerzijds en bewindspersonen van VWS anderzijds, niet zijn aan te merken als een aangelegenheid zoals bedoeld in de Woo. Eiser krijgt daarom geen gelijk. Het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 25 januari 2024 een verzoek ingediend op grond van de Woo. De minister heeft op 2 december 2024 besloten om de gevraagde informatie deels openbaar te maken. Met het bestreden besluit van 25 april 2025 op het bezwaar van eiser heeft de minister het besluit van 20 december 2024 (naar de rechtbank begrijpt: het besluit van
2 december 2024) ingetrokken en het verzoek afgewezen.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2
De rechtbank heeft het beroep op 3 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, [naam] (jurist bezwaar en beroep bij de minister) en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze procedure over?
3.1
Eiser heeft op 25 januari 2024 via zijn gemachtigde een verzoek ingediend, op grond van de Woo. In het verzoek staat onder meer het volgende:
“1.2 In het onderhavige Woo verzoek vraag ik namens cliënt openbaarmaking (…) van de volgende informatie:
1. Alle contactmomenten en correspondentie - (…) - tussen enerzijds de (voormalig) minister(s) van/voor VWS en/of de bewindspersonen van WVS en anderzijds de (voormalig) leden van het OMT’. Dit in de periode 1 januari 2022 tot en met heden.
Ter vermijding van misverstanden:
a. Het gaat om alle contactmomenten en correspondentie. Dus niet enkel die tussen beide ministers en het OMT als geheel. Ook contactmomenten en correspondentie tussen 1 (of beide) minister(s) en 1 of meerdere of alle (voormalig) OMT lid/leden valt/vallen hieronder;
b. Voor wat betreft de contactmomenten dient dit te gaan om (een overzicht van) telefonische of fysieke contactmomenten. (…)
c. Voor zover er geluidsopnames, transcripties, notulen of anderszins vastleggingen - in de breedste zin des woords - zijn gemaakt van dergelijke contactmomenten ziet dit Woo verzoek ook daarop;
d. - f. (…)”
3.2.1
In het primaire besluit van 2 december 2024 staat dat er 50 documenten zijn gevonden en geïnventariseerd, waarvan er 27 onder het verzoek van eiser vallen. De minister heeft besloten om 26 documenten deels openbaar te maken. Bij dit besluit zijn twee inventarislijsten gevoegd. De eerste lijst is een algemene inventarislijst en bevat een overzicht van alle documenten over het onderwerp ‘contacten bewindspersonen en OMT’. De tweede lijst is een lijst met documenten die specifiek op het verzoek van eiser zien.
3.2.2
Op 20 december 2024 heeft de minister aan eiser laten weten dat de documenten voor openbaarmaking zijn klaargezet. Daarbij is aan eiser een persoonlijke link naar de feitelijke verstrekking gegeven.
3.3
Eiser heeft bezwaar gemaakt. Op 14 april 2025 heeft er een hoorzitting plaatsgevonden. Van die hoorzitting is een geluidsopname gemaakt.
3.4
Op 16 april 2025 heeft de minister aan de gemachtigde van eiser een brief gestuurd, met onderwerp ‘verzoek toelichting aangelegenheid’. In die brief staat onder meer het volgende:

In uw aanvullend bezwaar van 14 februari 2025 heeft u aangevoerd dat het Woo-verzoek van uw cliënt ziet op “alle correspondentie tussen de betreffende partijen, en niet alleen die aan een bepaald onderwerp gerelateerd is.” Tijdens de hoorzitting van 14 april 2025 heeft u toegelicht dat de communicatie en contactmomenten waar in het Woo-verzoek om wordt verzocht, het onderwerp op zichzelf vormen en dat het doel van het Woo-verzoek is om deze communicatie en contactmomenten in kaart te brengen. U heeft daarbij aangegeven dat volgens u alle communicatie tussen de genoemde personen onder het verzoek valt, ongeacht of deze direct verband houdt met werkzaamheden van het OMT. Als voorbeeld noemde u een sociaal appje tussen een minister en een lid van het OMT.
In de bezwaarprocedure vindt een volledige heroverweging plaats. In het kader
van deze heroverweging kom ik tot de voorlopige conclusie dat uit het Woo verzoek, noch uit hetgeen hierover is aangevoerd, blijkt dat het Woo-verzoek betrekking heeft op een aangelegenheid in de zin van artikel 4.1, vierde lid, van de Woo.
Ik stel u daarom in de gelegenheid om alsnog een aangelegenheid aan te dragen. Graag ontvang ik uiterlijk op 24 april 2025 van u op welke aangelegenheid het Woo-verzoek van 25 januari 2024 ziet.”
3.5
De gemachtigde van eiser heeft daar op 21 april 2025 schriftelijk op gereageerd. In die brief staat onder andere het volgende:
“(…)
1.4.
In het onderhavige verzoek wenst Van Haga inzage te krijgen in de relationele werking van enerzijds het OMT en haar leden en anderzijds de bewindspersonen van VWS. Dit gaat dus verder dan het onderwerp corona op OMT-vergaderingen.
1.5.
Het verzoek gaat nu juist ook om de contacten daar rondom. Van Haga wenst inzichtelijk te krijgen of er mogelijk ook sociale of anderszins verbanden of connecties zijn die een rol kunnen spelen.
1.6.
De aangelegenheid is dus de contactmomenten en sociale verbanden tussen beiden. Het OMT / en haar leden enerzijds en de bewindspersonen van VWS anderzijds.
(…)”
3.6
In het bestreden besluit van 25 april 2025 heeft de minister het verzoek alsnog afgewezen. De minister geeft aan dat het verzoek niet ziet op een aangelegenheid. Volgens de minister kent het verzoek geen duidelijke begrenzing van de hoeveelheid documenten waar het op ziet, omdat het betrekking zou hebben op alle aangelegenheden, inclusief sociaal getinte contactmomenten.
Aangelegenheid?
4. Eiser voert aan dat in dit geval de aangelegenheid is: de contactmomenten en correspondentie tussen enerzijds de (voormalig) bewindspersonen van VWS en anderzijds de (voormalig) leden van het OMT. Omdat bij de invoering van de Woo is gekozen voor een informatiestelsel hoeft volgens eiser niet om specifieke documenten gevraagd te worden. Eiser wil inzage krijgen in de relationele werking van enerzijds het OMT en haar leden en anderzijds de bewindspersonen van VWS. Eiser wil namelijk inzichtelijk krijgen of er mogelijk ook sociale of anderszins verbanden of connecties zijn die een rol kunnen spelen of hebben gespeeld. Met het verzoek wil hij niet enkel de contactmomenten en correspondentie aangaande een bepaald onderwerp (zoals corona) maar alle contactmomenten en correspondentie tussen deze partijen. Eiser geeft aan dat zijn verzoek
concreet genoeg is om in behandeling genomen te worden. Zijn verzoek is niet te omvangrijk. Hij heeft een onderwerp, aanleiding en context gegeven bij het verzoek. Dat blijkt volgens eiser uit de hoorzitting van 14 april 2025 en zijn brief van 21 april 2025.
5. De Woo gaat over het al dan niet openbaar maken van publieke informatie. Publieke informatie is informatie die is neergelegd in documenten die berusten bij een orgaan, persoon of college als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid van de Woo. [1] Bij de toepassing van de Woo wordt uitgegaan van het algemeen belang van openbaarheid van publieke informatie voor de democratische samenleving. [2]
6. Bestuurs- en andere overheidsorganen kunnen uit eigen beweging informatie openbaar maken, maar kunnen dat ook doen op verzoek. De grondslag van openbaarmaking op verzoek staat in artikel 4.1 van de Woo. In het eerste lid van dat artikel staat dat iedereen een verzoek om publieke informatie kan richten tot een bestuursorgaan of een onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan werkzame instelling, dienst of bedrijf. In het vierde lid van dat artikel staat het volgende: “De verzoeker vermeldt bij zijn verzoek
de aangelegenheidof het daarop betrekking hebbende document, waarover hij informatie wenst te ontvangen”. Achtergrond hiervan is dat de verzoeker vaak niet weet welke documenten de verzochte informatie bevat, maar ook dat een verzoek om informatie voldoende gespecificeerd moet zijn, om ingewilligd te kunnen worden.
7. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft in de uitspraak van 26 november 2025 [3] uitgesproken dat bij een verzoek om openbaarmaking van informatie de aangelegenheid duidelijk moet zijn. Als uit het verzoek, of de naam of inhoud van het specifieke document niet de aangelegenheid blijkt waarover het verzoek om informatie gaat, zal de behandelend ambtenaar daarnaar moeten vragen, zoals ook bij het verzoek van eiser is gebeurd. Zo kan het bestuursorgaan gericht zoeken.
8. De rechtbank kan de minister volgen in het standpunt dat het verzoek van eiser niet gericht is op een aangelegenheid, zoals bedoeld in de Woo. Om te kunnen spreken van een aangelegenheid is het nodig de rol of het optreden van de overheid in het kader van een gebeurtenis, casus, kwestie, voorval of op z’n minst een situatie van overheidshandelen als zodanig te noemen.
8.1
Eiser vraagt om openbaarmaking van alle correspondentie en contactmomenten tussen de minister en/of bewindspersonen van het ministerie van VWS en (individuele leden van) het OMT, vanaf 1 januari 2022. De minister heeft hem gevraagd om de aangelegenheid te noemen waar het Woo-verzoek op ziet. In reactie daarop gaf eiser aan dat hij inzage wenst te verkrijgen in de relationele werking van het OMT en haar leden en de bewindspersonen van het ministerie. Dit gaat volgens eiser verder dan het onderwerp corona op OMT-vergaderingen
.Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser daarmee geen onderwerp of kwestie genoemd waar zijn verzoek over gaat. Hij heeft dus geen aangelegenheid genoemd zoals bedoeld in artikel 4.1, vierde lid van de Woo. Zijn verzoek raakt een onbegrensd aantal onderwerpen waarover tussen (de leden van) het OMT en de bewindspersonen/minister is gecommuniceerd.
8.2
Op de zitting is namens eiser betoogd dat de aangelegenheid (in dit geval) bezien moet worden in het verlengde van wat eiser wil bereiken (het doel van het verzoek). Hij wil inzage krijgen in de sociale cohesie rondom het OMT en het ministerie. Als voorbeeld heeft hij gewezen op zijn eigen ervaring in de landelijke politiek, waarbij voorafgaand aan officiële vergadermomenten een informeel koffiemoment gebruikelijk was met verschillende betrokkenen voor vooroverleg. Het krijgen van inzicht in die sociale cohesie is volgens eiser wel een aangelegenheid.
8.3
De rechtbank volgt eiser daar niet in. Het is niet zo dat de wens van eiser om inzicht te krijgen in de sociale cohesie tussen bepaalde personen, maakt dat sprake is van een aangelegenheid zoals bedoeld in de Woo. De rechtbank voegt daaraan toe dat kenmerkend voor de systematiek van de Woo is dat een verzoeker geen belang hoeft te stellen bij zijn verzoek. Met andere woorden, het is doorgaans niet relevant wat de motieven zijn van iemand om een Woo-verzoek in te dienen of wat de indiener met het verzoek wenst te bereiken. Dit kan anders zijn als sprake is van misbruik zoals bedoeld in artikel 4.6 van de Woo, maar dat ligt niet ten grondslag aan het bestreden besluit.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.H. de Regt, rechter, in aanwezigheid van
mr. F. Vermeij, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 8 april 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Dat staat in artikel 2.1 van de Woo.
2.Dat staat in artikel 2.5 van de Woo.
3.ECLI:NL:RVS:2025:5734, met name overweging 5.5