Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2026:3794

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
8 april 2026
Publicatiedatum
9 april 2026
Zaaknummer
11569246 \ CV EXPL 25-1384
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Verstek
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:230l BWArt. 6:96 lid 6 BWRichtlijn 93/13/EEGECLI:NL:HR:2016:2704ECLI:NL:HR:2017:404
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verstekvonnis inzake betalingsovereenkomst en toetsing precontractuele informatie en algemene voorwaarden

In deze zaak vordert REBEL Lease B.V. betaling van €679,14 plus incassokosten, wettelijke rente en proceskosten van de gedaagde partij die niet is verschenen, waardoor verstek is verleend.

De kantonrechter heeft ambtshalve getoetst of aan de precontractuele informatieplichten uit Boek 6 BW is voldaan. Hoewel de eisende partij dit niet concreet had toegelicht, bleek uit de overgelegde producties dat de informatieplichten zijn nageleefd.

Daarnaast is onderzocht of de toepasselijke algemene voorwaarden, waaronder de BOVAG-voorwaarden en aanvullende voorwaarden, oneerlijke bedingen bevatten. De relevante bedingen zijn niet oneerlijk bevonden.

De vordering tot betaling van wettelijke rente over een onbekende periode en incassokosten is deels afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing. De rest van de vordering wordt toegewezen, inclusief wettelijke rente vanaf de dagvaarding en proceskosten.

De gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van €679,19, wettelijke rente vanaf 18 februari 2025, en proceskosten. De veroordeling is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van €679,19 met wettelijke rente vanaf 18 februari 2025 en proceskosten, met afwijzing van overige vorderingen.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie
locatie Haarlem
Zaaknr./rolnr.: 11569246 \ CV EXPL 25-1384
Uitspraakdatum: 8 april 2026
Verstekvonnis van de kantonrechter in de zaak van:
REBEL Lease B.V., mede handelend onder de namen
Supershortleaseen
Huurmij B.V.
te Leiden
de eisende partij
gemachtigde: Credifixx Incassoservices B.V.
tegen
[gedaagde]
te [plaats]
de gedaagde partij
niet verschenen

1.De procedure

1.1.
De eisende partij heeft de gedaagde partij gedagvaard. Tegen de gedaagde partij is verstek verleend.

2.De beoordeling

2.1.
De eisende partij vordert veroordeling van de gedaagde partij tot betaling van € 679,14, te vermeerderen met de buitengerechtelijke incassokosten, de wettelijke rente en de proceskosten.
Ambtshalve toetsing van de precontractuele informatieplichten
2.2.
De vordering is gebaseerd op een overeenkomst tussen een handelaar en een consument. Bij het sluiten van dergelijke overeenkomsten moet ter bescherming van de consument aan de wettelijke (pre)contractuele informatieplichten van Boek 6, titel 5, afdeling 2B van het Burgerlijk Wetboek (BW) worden voldaan. Dat aan deze plichten is voldaan, moet gemotiveerd worden gesteld en onderbouwd. De kantonrechter moet er ambtshalve op toezien dat die voorschriften worden nageleefd, dus ook als er geen verweer is gevoerd.
2.3.
De eisende partij heeft niet gesteld en onderbouwd dat zij heeft voldaan aan de op haar rustende (pre)contractuele informatieplichten. De eisende partij heeft namelijk nagelaten een concrete toelichting te geven op de wijze van totstandkoming van de overeenkomst en hoe zij in die situatie heeft voldaan aan de op haar rustende informatieplichten.
2.4.
Weliswaar heeft de eisende partij producties bij de dagvaarding overgelegd, maar zonder toe te lichten welke delen daarvan relevant zijn voor welk standpunt. Producties kunnen stellingen enkel ondersteunen en niet vervangen. Het is niet aan de kantonrechter om eigenhandig op zoek te gaan naar informatie. [1] Het is dus aan de eisende partij om concreet aan te geven welke informatie in welke productie te vinden is (bijvoorbeeld door de relevante onderdelen in de producties te onderstrepen of te arceren).
De kantonrechter wijst de eisende partij erop dat het ontbreken van een dergelijke toelichting in eventuele vervolgzaken [2] kan leiden tot afwijzing van de vordering.
2.5.
Bij wijze van uitzondering heeft de kantonrechter in dit geval wel zelf in de producties gecontroleerd hoe de overeenkomst tot stand is gekomen en of de eisende partij bij het sluiten van de overeenkomst aan de wettelijk voorgeschreven precontractuele informatieverplichtingen heeft voldaan. Uit de producties blijkt dat de vordering is gebaseerd op een overeenkomst tussen een handelaar en een consument, anders dan een overeenkomst op afstand of buiten de verkoopruimte gesloten. Bij het sluiten van dergelijke overeenkomsten moet de handelaar voldoen aan de wettelijke precontractuele informatieplichten van artikel 6:230l van het Burgerlijk Wetboek (BW).
2.6.
De kantonrechter is van oordeel dat uit de overgelegde producties (met name de overeenkomst) voldoende blijkt dat is voldaan aan de precontractuele informatieplichten.
Ambtshalve toetsing van de algemene voorwaarden
2.7.
De kantonrechter is, gelet op het Dexia-arrest [3] , gehouden om onderzoek te doen naar (mogelijk) oneerlijke bedingen in de toepasselijke algemene voorwaarden. Volgens Richtlijn 93/13/EEG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten is een beding oneerlijk wanneer dit het evenwicht tussen de wederzijdse rechten en verplichtingen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort. De kantonrechter moet in iedere procedure over ieder onderdeel van de vordering beoordelen of daarover in de algemene voorwaarden afspraken zijn gemaakt en of die afspraken al dan niet oneerlijk zijn ten opzichte van de consument. Als de kantonrechter oordeelt dat een contractuele afspraak oneerlijk is, moet het beding worden vernietigd en moet de vordering op dat onderdeel worden afgewezen (ook als de eisende partij in de procedure een beroep doet op wettelijke bepalingen in plaats van op die contractuele afspraak).
2.8.
Uit de overgelegde stukken blijkt dat op de overeenkomst(en) de volgende algemene voorwaarden van de eisende partij van toepassing zijn verklaard: ‘Algemene voorwaarden verhuur- en deelautobedrijven BOVAG’ van 1 februari 2021 (hierna: de BOVAG-voorwaarden) en de ‘HuurMij aanvullende voorwaarden op de BOVAG Voorwaarden Verhuur- en Deelautobedrijven’ (hierna: de aanvullende voorwaarden).
2.9.
Het beding uit de BOVAG-voorwaarden dat verband houdt met de vordering, te weten artikel 8.7, is door de kantonrechter getoetst en niet oneerlijk bevonden.
2.10.
Het beding uit de aanvullende voorwaarden dat verband houdt met de vordering, te weten het boete- en administratiekostenbeding, is door de kantonrechter getoetst en niet oneerlijk bevonden.
Wat is toewijsbaar?
2.11.
De eisende partij heeft een bedrag aan vervallen wettelijke rente gevorderd. Zij heeft echter niet toegelicht over welke periode deze rente is berekend en waarom. De kantonrechter kan daardoor niet beoordelen of er een grondslag voor deze vordering bestaat. Daarom wordt dit onderdeel van de vordering afgewezen. De wettelijke rente zal worden toegewezen vanaf de datum van de dagvaarding.
2.12.
De eisende partij maakt aanspraak op de vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De gevorderde vergoeding komt echter niet voor toewijzing in aanmerking, nu de eisende partij niet, althans onvoldoende heeft gesteld op welke datum de eisende partij de aanmaning in de zin van artikel 6:96 lid 6 BW Pro aan de gedaagde partij heeft verzonden. In dit verband wordt verwezen naar de uitspraak van de Hoge Raad van 25 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2704.
2.13.
De vordering wordt voor het overige toegewezen omdat deze de kantonrechter niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt.
2.14.
De gedaagde partij wordt grotendeels in het ongelijk gesteld en zal daarom in de proceskosten worden veroordeeld.

3.De beslissing

De kantonrechter:
3.1.
veroordeelt de gedaagde partij tot betaling aan de eisende partij van € 679,19, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 18 februari 2025 tot aan de dag van de gehele betaling;
3.2.
veroordeelt de gedaagde partij tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van de eisende partij tot en met vandaag vaststelt op:
dagvaarding € 120,57;
griffierecht € 340,00;
salaris gemachtigde € 144,00;
3.3.
verklaart de veroordeling(en) in dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
3.4.
wijst de vordering voor het overige af.
Dit vonnis is gewezen door mr. W.S.J. Thijs en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter

Voetnoten

1.Hoge Raad 10 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:404.
2.Ingeleid met een dagvaarding vanaf 1 mei 2026.
3.HvJ EU 27 januari 2021, C‑229/19 en C‑289/19, ECLI:EU:C:2021:68 (Dexia).