Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2026:3821

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
11 maart 2026
Publicatiedatum
10 april 2026
Zaaknummer
C/15/374717
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:260 BWArt. 3:268 BWArt. 3:36 BWArt. 6:119 BWArt. 6:198 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Machtiging tot verkoop opgeslagen goederen na executieverkoop en verstek

Eisers, handelend als vennoten van een vennootschap onder firma, verkregen op 6 november 2025 een bedrijfsruimte middels een onderhandse executoriale verkoop door de hypotheekhouder. Na ontruiming van de bedrijfsruimte op 28 november 2025 werden de aanwezige roerende zaken opgeslagen. Gedaagden weigerden de kosten van opslag en transport te voldoen.

Eisers vorderden in kort geding machtiging tot verkoop van de opgeslagen goederen en voertuigen, betaling van de kosten en proceskosten, en uitvoerbaarheid bij voorraad. Gedaagden verschenen niet op de zitting, waardoor verstek werd verleend.

De voorzieningenrechter oordeelde dat de executoriale verkoop en ontruiming rechtmatig waren, dat sprake was van zaakwaarneming door eisers voor opslag van goederen, en dat gedaagden gehouden zijn de kosten te vergoeden. De gevorderde machtiging tot verkoop werd toegewezen onder de voorwaarde dat de opbrengst na kosten aan gedaagden wordt afgedragen.

Gedaagden werden hoofdelijk veroordeeld tot betaling van € 8.617,36 plus rente, de nog te maken kosten voor bewaring en veiling, en de proceskosten van € 4.538,28. Het vonnis werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: Verstek verleend, eisers gemachtigd tot verkoop van opgeslagen goederen en gedaagden veroordeeld tot betaling van kosten en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK Noord-Holland

Civiel recht
Zittingsplaats Haarlem
Zaaknummer: C/15/374717 / KG ZA 26-70
Vonnis in kort geding van 11 maart 2026
in de zaak van

1.de vennootschap onder firma [eiser 1],

gevestigd te [plaats],
2.
[eiser 2],
wonende te [plaats],
3.
[eiser 3],
wonende te [plaats],
eisende partijen,
hierna samen te noemen: [eisers],
advocaat: mr. M.N. Mense,
tegen

1.[gedaagde],

wonende te [plaats],
2.
THE HEALTH FACTORY NL DISTRIBUTIE B.V.
gevestigd te Zandvoort,
gedaagde partijen,
hierna te noemen: [gedaagden],
gemachtigde: mr. A. Awadzi.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met 10 producties
- de mondelinge behandeling van 25 februari 2025
- het tegen gedaagden verleende verstek.

2.De feiten

2.1.
[eiser 2] en [eiser 3] hebben, handelend als vennoten van [eiser 1], op 6 november 2025 de [adres] te [plaats] (hierna: de bedrijfsruimte) in eigendom verkregen middels een onderhandse verkoop door de hypotheekhouder. De leveringsakte geeft [eisers] het recht de ontruiming van de bedrijfsruimte te bewerkstelligen (artikel 9).
2.2.
In de bedrijfsruimte waren na aankoop roerende zaken aanwezig. De voor grosse uitgegeven leveringsakte is op 20 november 2025 aan [gedaagden] betekend met aanzegging van de gerechtelijke ontruiming tegen 28 november 2025.
2.3.
Bij e-mailbericht van 25 november 2025 heeft [gedaagden] de gerechtsdeurwaarder van [eisers] gesommeerd onmiddellijk de executiemaatregelen te staken.
2.4.
Op 28 november 2025 is de bedrijfsruimte ontruimd, waarvan proces-verbaal is opgemaakt. In het proces-verbaal is opgenomen dat de aanwezige roerende zaken zijn opgeslagen uit hoofde van zaakwaarneming. Op 4 december 2025 is het proces-verbaal van ontruiming aan [gedaagden] betekend en is gesommeerd de kosten van het transport en de opslag te betalen, met aanzegging dat een kort geding procedure wordt gestart in het geval de kosten niet worden voldaan.
2.5.
Op 8 januari 2026 is de gerechtsdeurwaarder bericht dat [gedaagden] zijn goederen in ontvangst wenst te nemen. Op 29 januari 2026 heeft de gerechtsdeurwaarder geantwoord dat de kosten van de zaakwaarnering onbetaald zijn gebleven en een kort geding procedure zal worden gestart.

3.Het geschil

3.1.
[eisers] vorderen - samengevat – dat de voorzieningenrechter uitvoerbaar bij voorraad:
I. [eisers] machtigt tot verkoop door tussenkomst van een gerechtsdeurwaarder van de voertuigen
1. bestelbus merk Ford, kenteken [kenteken];
2. raceauto merk Ford Fiesta, grijs goudkleurige stickers, geen kenteken;
3. race motorfiets Yamaha R6, grijs goudkleurige stickers, geen kenteken;
4. raceauto merk BMW M2, grijs, goudkleurige stickers, geen kenteken;
II. [eisers] machtigt tot verkoop van de opgeslagen zaken zoals beschreven in het proces-verbaal van 28 november 2025;
III. [gedaagden] hoofdelijk veroordeelt tot betaling van € 8.617,36, te vermeerderen met de rente vanaf heden en tot betaling van de nog te maken kosten voor bewaring en veiling;
IV. [gedaagden] hoofdelijk veroordeelt tot betaling van de proceskosten, te vermeerderen met de rente.
3.2.
[eisers] leggen aan de vordering het volgende ten grondslag. Uit hoofde van zaakwaarneming hebben [eisers] de spullen van [gedaagden] opgeslagen en [gedaagden] zijn gehouden de kosten die in dat verband worden gemaakt te vergoeden. De gevorderde kosten zijn aan te merken als executiekosten omdat deze het gevolg zijn van de uitvoering van artikel 525 lid 3 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

4.De beoordeling

4.1.
[gedaagden] zijn op de mondelinge behandeling niet verschenen. Bij de dagvaarding zijn de bij de wet voorgeschreven formaliteiten in acht genomen, zodat tegen [gedaagden] verstek zal worden verleend.
4.2.
Het gevorderde komt de voorzieningenrechter niet onrechtmatig of ongegrond voor en zal als vermeld worden toegewezen, waaronder de gevorderde uitvoerbaarheid bij voorraad. In de buiten beschouwing te laten conclusie van antwoord is geen verweer gevoerd tegen de gevorderde uitvoerbaarheid bij voorraad. Evenmin is overigens van omstandigheden gebleken die meebrengen dat na het instellen van een rechtsmiddel de belangen van [gedaagden] zwaarder wegen bij behoud van de bestaande toestand, dan de belangen van [eisers] bij de tenuitvoerlegging.
4.3.
De voorzieningenrechter merkt op dat [eisers] in de dagvaarding hebben toegezegd de opbrengst, na aftrek van de gemaakte en nog te maken kosten, af te dragen aan de [gedaagden]
4.4.
Op grond van het procesreglement wordt op de door [gedaagden] ingediende conclusie van antwoord geen acht geslagen. [1] Ten overvloede wordt ingegaan op de daarin genoemde weren.
Ad 1: geen geldige hypotheekakte
4.5.
[gedaagden] nemen het standpunt in dat de hypotheekakte ongeldig is.
Uitgangspunt bij de beoordeling van dit verweer is dat een hypotheekhouder een recht van parate executie heeft (art. 3:268 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW)). Hij heeft dus geen rechterlijke uitspraak nodig om te kunnen executeren. Denkbaar is dat de vordering waarvoor de hypotheekhouder executeert later door de rechter (in eerste aanleg of in hoger beroep) wordt afgewezen. Die afwijzing kan meebrengen dat achteraf wordt vastgesteld dat de hypotheekgever niet in verzuim was jegens de hypotheekhouder, wat tot gevolg heeft dat de hypotheekhouder niet executiebevoegd (art. 3:268 BW Pro) en dus niet beschikkingsbevoegd was. Dat is een risico dat - op dit moment nog - verbonden is aan de eigenaarspositie die [eisers] hebben, maar die verhindert niet de uitoefening van de aan die positie verbonden rechten. Bovendien staat de executiekoper een beroep op 3:36 BW open. Deze zal, in het algemeen gesproken, op grond van de aanwezigheid en bemoeienissen van een notaris die ten behoeve van een hypotheekhouder een executoriale verkoop organiseert aannemen, en op grond van de eisen van het rechtsverkeer ook mogen aannemen, dat er kennelijk (te weten: ook naar constatering van de (veiling)notaris) een executoriale titel respectievelijk verzuim is. Dit zijn feiten en omstandigheden die, naar verkeersopvattingen, in de relatie tussen executiekoper en geëxecuteerde voor risico van de geëxecuteerde komen. Overigens heeft de voorzieningenrechter op verzoek van de hypotheekhouder de overeenkomst tot onderhandse verkoop goedgekeurd [2] en is een dergelijk verweer niet gevoerd.
4.6.
Daar komt bij dat de gestelde gebreken in de verkrijging (ontbreken handtekeningen onder de akte) door [gedaagden] onvoldoende zijn onderbouwd. Een hypotheek op een registergoed wordt gevestigd bij notariële akte, gevolgd door inschrijving in de openbare registers (art. 3:260 BW Pro). Een notariële akte is een authentieke akte in de zin van art. 156 Rv Pro en levert ingevolge art. 157 lid 1 Rv Pro dwingend bewijs op van hetgeen de notaris omtrent zijn waarnemingen en verrichtingen in de akte heeft verklaard. Indien een partij stelt dat de hypotheekakte niet rechtsgeldig is wegens het ontbreken van vereiste handtekeningen, betreft dit een beroep op een vormgebrek dat tot nietigheid van het hypotheekrecht zou leiden. Op grond van art. 150 Rv Pro rusten de stelplicht en de bewijslast van een en ander op degene die zich op de rechtsgevolgen daarvan beroept.
Het ligt derhalve op de weg van [gedaagden] om het gestelde ontbreken van de vereiste handtekeningen concreet te onderbouwen, bijvoorbeeld door overlegging van de betreffende akte of van andere verifieerbare gegevens. Nu een dergelijke onderbouwing ontbreekt en slechts sprake is van een blote stelling, is niet voldaan aan de op haar rustende
stelplicht. Aan bewijslevering wordt daarom niet toegekomen.
Ad 2 en 3: ontruiming onrechtmatig
4.7.
Uit het voorgaande volgt dat de ontruiming die op 28 november 2025 heeft plaatsgevonden niet onrechtmatig is. Ook de omstandigheid dat in een uitvoerbaar bij voorraad verklaard kort geding vonnis de vordering tot staking van de tenuitvoerlegging van de beschikking van 9 oktober 2025 is afgewezen [3] , brengt mee dat vooralsnog van de rechtmatigheid van de onderhandse verkoop en de daaruit voortgekomen ontruiming moet worden uitgegaan. Bij die stand van zaken rustte op de deurwaarder geen verdergaande onderzoeksplicht of overlegplicht, noch een verplichting om een bodemuitspraak af te wachten. Sterker nog, de deurwaarder heeft een ministerieplicht en diende de gevraagde executiehandelingen dus te verrichten. Dat executie omkeerbare gevolgen kan hebben, maakt dit niet anders. Het verweer dat sprake is van misbruik van recht met betrekking tot de executie is reeds in het vonnis van 5 november 2025 gepasseerd en betreft ook een andere rechtsverhouding dan in deze procedure aan de orde is.
Ad 4: opslag is geen zaakwaarneming
4.8.
Van zaakwaarneming is sprake indien iemand zich willens en wetens en op redelijke grond inlaat met de behartiging van eens anders belang, zonder daartoe bevoegd te zijn krachtens een rechtshandeling of een elders in de wet geregelde rechtsverhouding (art. 6:198 BW Pro). Daarvan is wat betreft het instellen van de onderhavige vordering sprake. De aanwezigheid van zaken in het aangekochte pand verhindert [eisers] het pand te gebruiken overeenkomstig hun intenties. De vordering strekt er niet alleen toe het belang van de eigenaar van het pand te dienen door dit leeg te maken maar ook het belang van [gedaagden], die immers als voormalig eigenaar tot ontruiming van het pand is gehouden en moet opkomen voor de opslagkosten. Verkoop van de betrokken zaken voorkomt dat die kosten verder oplopen. Uit de verkoopopbrengst zullen de onbetaald gebleven stallingskosten worden voldaan, hetgeen eveneens in het belang van [gedaagden] is. Zaakwaarneming is voor een en ander een passende en toereikende grondslag. [gedaagden] voeren verder aan dat derden (Volkswagen Pon, Belastingdienst) niet benaderd mochten worden zonder dagvaarding, onder verwijzing naar een uitspraak van de Hoge Raad over de beschermingsomvang van een octrooi [4] . Dit standpunt passeert de voorzieningenrechter bij gebrek aan een deugdelijke en juiste motivering.
Ad 5: geen spoedeisend belang
4.9.
In de aard van de vordering ligt het spoedeisend belang besloten. De opslagkosten lopen immers iedere dag verder op en [gedaagden] geven onvoldoende gehoor aan verzoeken tot betaling.
Ad 6:
verkeerde partij gedagvaard
4.10.
Vaststaat dat het pand waarop deze zaak betrekking heeft, op naam staat van Health Factory NL. Daarmee is Health Factory NL juridisch eigenaar en gehouden zorg te dragen
voor ontruiming van het pand. De verhouding tussen deze formele eigenaar en een achterliggende trust — die in deze procedure overigens onvoldoende is toegelicht —
is in dit verband niet relevant. Niet kan daarom worden geoordeeld dat een onjuiste partij is gedagvaard. Dit standpunt strookt bovendien niet met de stelling van de trust in de verzoekschriftprocedure (die heeft geleid tot de beschikking van 9 oktober 2025) dat de trust niet procesbevoegd zou zijn en daarom in die procedure de verkeerde partij gedagvaard is.
Tegenvordering?
4.11.
[gedaagden] hebben een tegenvordering aangekondigd. Nu zij niet ter zitting zijn verschenen, is die tegenvordering niet ingesteld. Een tegenvordering dient bovendien ook in kort geding door een advocaat te worden ingesteld. De procesvertegenwoordiger van [gedaagden] heeft die hoedanigheid niet.
Proceskosten
4.12.
[gedaagden] worden in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eisers] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
130,28
- griffierecht
3.083,00
- salaris advocaat
1.177,00
- nakosten
148,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
4.538,28
4.13.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter
5.1.
verleent verstek tegen de niet verschenen [gedaagden];
5.2.
machtigt [eisers] tot verkoop door tussenkomst van een gerechtsdeurwaarder van de voertuigen:
bestelbus merk Ford, kenteken [kenteken];
raceauto merk Ford Fiesta, grijs goudkleurige stickers, geen kenteken, chassisnummer [nummer 1];
race motorfiets Yamaha R6, grijs goudkleurige stickers, geen kenteken;
raceauto merk BMW M2, grijs, goudkleurige stickers, geen kenteken, chassisnummer [nummer 2];
5.3.
machtigt [eisers] tot verkoop van de opgeslagen zaken, zoals beschreven in het proces-verbaal van 28 november 2025 (overgelegd als productie 4 van [eisers]), onder de voorwaarde dat de opbrengst na voldoening van de aan [eisers] toekomende bedragen als hierna vermeld aan [gedaagden] wordt afgedragen;
5.4.
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk tot betaling van € 8.617,36, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro vanaf 17 februari 2026 tot de dag van volledige voldoening;
5.5.
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk tot betaling van de door [eisers] nog te maken kosten voor bewaring en veiling van de zaken zoals genoemd onder 5.2 en 5.3 na aanschrijving daartoe middels aangetekende brief, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro vanaf veertien dagen na vorenbedoelde aanschrijving tot betaling;
5.6.
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk in de proceskosten van € 4.538,28, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagden] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend;
5.7.
veroordeelt [gedaagden] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald;
5.8.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.9.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.H. Schotman en in het openbaar uitgesproken op 11 maart 2026.

Voetnoten

1.Artikel 11.2 van het Landelijk procesreglement kort gedingen rechtbanken, vanaf 1 juli 2025
2.Beschikking van de voorzieningenrechter van 9 oktober 2025, C/15/366316 / KG RK 25-440, ambtshalve bekend.
3.Rechtbank Noord-Holland, vonnis in kort geding van 5 november 2025, ECLI:NL:RBNHO:2025:12793
4.HR 13 januari 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1604