Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2026:4152

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
14 april 2026
Publicatiedatum
16 april 2026
Zaaknummer
K/4102/11954049
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:652 BWArt. 4 Wgbh/czArt. 1 Wgbh/czArt. 10 Wgbh/cz
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing billijke vergoeding na proeftijdontslag wegens chronische ziekte

Een werknemer verzocht om een billijke vergoeding nadat haar arbeidsovereenkomst tijdens de proeftijd werd beëindigd. Zij vermoedde dat het ontslag verband hield met haar diagnose van borstkanker, een chronische ziekte. De kantonrechter onderzocht of het ontslag in strijd was met de Wet gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte (Wgbh/cz).

De arbeidsovereenkomst was geldig gesloten en de proeftijd was rechtsgeldig overeengekomen. De werknemer had de diagnose kort na indiensttreding gedeeld, waarna de werkgever het dienstverband beëindigde. De werknemer bracht naar voren dat dit ontslag discriminerend was vanwege haar ziekte.

De kantonrechter oordeelde dat de werknemer voldoende feiten had aangevoerd om een vermoeden van discriminatie te rechtvaardigen, maar dat de werkgever dit vermoeden overtuigend had weerlegd. De werkgever had de proeftijd beëindigd omdat er onvoldoende tijd was om de geschiktheid van de werknemer te beoordelen, mede door haar afwezigheid en de aard van de functie. Het ontslag was niet gebaseerd op de chronische ziekte.

Hoewel de werkgever onzorgvuldig was in de communicatie over het opschuiven van de startdatum, maakte dit het ontslag niet discriminerend. Het verzoek om een billijke vergoeding werd daarom afgewezen en partijen dragen ieder hun eigen proceskosten.

Uitkomst: Het verzoek om billijke vergoeding wordt afgewezen omdat het proeftijdontslag rechtsgeldig is.

Uitspraak

RECHTBANKNOORD-HOLLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Haarlem
Zaaknummer / rekestnummer: 11954049 \ AO VERZ 25-146
Beschikking van 14 april 2026
in de zaak van
[verzoeker],
wonende te [plaats 1],
verzoekende partij,
hierna te noemen: [verzoeker],
gemachtigde: mr. S. Nowjo,
tegen
de maatschap
[verweerder],
gevestigd te [plaats 2],
verwerende partij,
hierna te noemen: [verweerder],
gemachtigde: mr. M.C. Zaal.
De zaak in het kort
In deze zaak verzoekt een werknemer om toekenning van een billijke vergoeding na een opzegging van de arbeidsovereenkomst door de werkgever tijdens de proeftijd. De werknemer heeft het vermoeden dat de opzegging is gedaan vanwege haar chronische ziekte (borstkanker). De kantonrechter wijst het verzoek af, omdat de opzegging (rechts)geldig is.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift;
- het verweerschrift;
- aanvullende stukken van [verzoeker] van 23 december 2025, 29 december 2025 en 8 januari 2026;
- de mondelinge behandeling van 24 februari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt;
- de pleitnotitie van [verzoeker].
1.2.
De beschikking is bepaald op vandaag.

2.Feiten

2.1.
Op 12 augustus 2025 hebben partijen een arbeidsovereenkomst gesloten, inhoudende dat [verzoeker] per 1 september 2025 bij [verweerder] in dienst zou treden als Praktijk Ondersteuner Huisarts (POH) GGZ Jeugdzorg. Partijen zijn een arbeidsomvang van twintig uur per week overeengekomen.
2.2.
[verzoeker] is daarnaast sinds 2005 werkzaam bij het Regionaal Instituut Dyslexie (RID). [verzoeker] heeft haar werkuren bij RID per september 2025 teruggebracht van 26 uur per week naar 18 uur per week, teneinde haar werkzaamheden bij RID met haar nieuwe functie bij [verweerder] te kunnen combineren.
2.3.
Kort voor haar indiensttreding bij [verweerder] constateerde [verzoeker] een knobbel in haar borst. Op 26 augustus 2025 heeft zij een bezoek gebracht aan de huisarts en op 29 augustus 2025 heeft sneldiagnostiek plaatsgevonden in het ziekenhuis. De radioloog gaf aan dat vermoedelijk behandeling nodig zou zijn. [verzoeker] heeft deze voorlopige uitkomst direct gedeeld met [verweerder].
2.4.
Op 1 september 2025 hebben partijen telefonisch contact gehad over de planning van de eerste (werk)week. Omdat op 3 september 2025 de uitslag van de diagnostiek zou volgen, is besloten dat [verzoeker] die dag niet zou werken. [verweerder] heeft in dit gesprek aangeboden om de startdatum op te schuiven naar 1 oktober 2025. [verzoeker] heeft dit aanbod afgeslagen.
2.5.
Op 3 september 2025 is [verzoeker] gediagnosticeerd met borstkanker.
2.6.
Op 4 september 2025 heeft [verzoeker] de diagnose met [verweerder] gedeeld. Daarnaast heeft zij laten weten dat er op 5 september 2025 aanvullend onderzoek zou plaatsvinden en dat zij daarom op die datum niet zou kunnen werken. [verweerder] heeft vervolgens nogmaals aangeboden om de start van de arbeidsovereenkomst met één maand uit te stellen. [verzoeker] heeft dit aanbod wederom afgeslagen.
2.7.
Op 5 september 2025 heeft [verweerder] de arbeidsovereenkomst tijdens de proeftijd beëindigd
2.8.
[verzoeker] heeft nog diezelfde dag bezwaar gemaakt tegen het besluit om de arbeidsovereenkomst tijdens de proeftijd te beëindigen en verzocht om een inhoudelijke toelichting.
2.9.
Op 12 september 2025 heeft [verweerder] het proeftijdontslag schriftelijk toegelicht:
“(…) De eerste twee werkdagen, de woensdag en de vrijdag in de eerste werkweek, kon je helaas niet aanwezig zijn.
Voor je tweede werkweek gaf je aan er hopelijk de woensdag wel te zijn. De onzekerheid die daarin doorklonk maakte dat we je agenda nog niet met afspraken durfden te vullen.
Omdat je uit een heel andere functie komt, is de proeftijd een belangrijke periode voor ons om te toetsen of je op je plek zit bij. Zowel qua invulling van de functie, als qua persoon in ons toch kleine team.
Zonder gevulde agenda (die nooit ad hoc gevuld kan worden gezien de aard van de functie van POH Jeugd), valt niet te toetsen of het werk jou bevalt en of je de functie naar behoren kunt vervullen. Daar komt bij dat deze functie is gesubsidieerd door de gemeente en dat geeft ons een zware verantwoordingsplicht en rapportageplicht m.b.t. de inzet van subsidiegelden.
Wij hebben meerdere keren aangeboden je startdatum op te schuiven naar 1 oktober, waarop jij zelf aan gaf daar niet voor te kiezen.
Dat maakte dat wij helaas hebben moeten concluderen dat wij in de proeftijd te weinig van je te zien krijgen om een oordeel te kunnen vellen over de geschiktheid van jou als onze nieuwe POH Jeugd en als lid van ons team.”

3.Het verzoek en het verweer

3.1.
[verzoeker] verzoekt de kantonrechter om een billijke vergoeding toe te kennen. Zij legt daaraan – kort gezegd – ten grondslag dat [verweerder] de arbeidsovereenkomst heeft beëindigd vanwege haar borstkankerdiagnose. Dit is volgens [verzoeker] in strijd met de Wet gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte (hierna: Wgbh/cz) waarin onder meer is bepaald dat onderscheid vanwege een handicap of chronische ziekte verboden is bij het beëindigen van de arbeidsovereenkomst.
3.2.
[verweerder] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de verzoeken van [verzoeker]. [verweerder] voert ‑ samengevat ‑ aan dat zij de arbeidsovereenkomst heeft beëindigd omdat het niet mogelijk was om in de resterende proeftijd te beoordelen of [verzoeker] geschikt zou zijn voor de functie en of zij in het team zou passen.

4.De beoordeling

4.1.
De kantonrechter stelt voorop dat partijen een geldige proeftijd van één maand zijn overeengekomen. [1] Het gaat in deze zaak om de vraag of [verweerder] in strijd heeft gehandeld met de Wgbh/cz door de arbeidsovereenkomst met [verzoeker] tijdens de proeftijd op te zeggen. De kantonrechter is van oordeel dat deze vraag ontkennend moet worden beantwoord. Dat oordeel wordt hierna toegelicht.
4.2.
Het staat een werkgever in beginsel vrij om een werknemer gedurende de proeftijd te ontslaan. Dat is anders indien sprake is van een verboden onderscheid wegens een handicap of een chronische ziekte als bedoeld in artikel 4 Wgbh Pro/cz. [2] Tussen partijen is niet in geschil dat borstkanker moet worden aangemerkt als een chronische ziekte. Het is aan degene die meent dat er een onderscheid wordt gemaakt (in dit geval [verzoeker]) om feiten aan te voeren die dat onderscheid kunnen doen vermoeden, waarna de wederpartij ([verweerder]) dient te bewijzen dat niet in strijd met deze wet is gehandeld. [3]
4.3.
De kantonrechter is van oordeel dat [verzoeker] voldoende feiten heeft aangevoerd die aanleiding geven voor het vermoeden dat haar chronische ziekte een rol heeft gespeeld bij de beslissing van [verweerder] om de arbeidsovereenkomst niet te verlengen. Van belang is onder meer dat [verzoeker] één dag nadat zij de formele diagnose aan [verweerder] had gemeld, telefonisch is ontslagen. In het telefoongesprek heeft [verweerder] aangegeven dat het beter zou zijn voor [verzoeker] om zich in de komende periode op haar ziekte en herstel te richten. Het ontslag vond plaats in de eerste week van de proeftijd, terwijl er nog drie weken proeftijd resteerden. Anders dan het bekend worden van de formele diagnose zijn er geen relevante wijzigingen of omstandigheden aan de orde geweest. [verweerder] heeft zelf ingevuld dat [verzoeker] in de tweede week van de proeftijd niet zou kunnen werken en vervolgens (zonder overleg met [verzoeker]) voor haar de keuze gemaakt dat zij de proeftijd niet mocht voltooien om zichzelf (alsnog) te bewijzen. De kantonrechter vindt het begrijpelijk dat [verzoeker] deze gang van zaken als zeer pijnlijk heeft ervaren.
4.4.
Doordat [verzoeker] het vermoeden dat in strijd met de Wgbh/cz is gehandeld voldoende aannemelijk heeft gemaakt, is het aan [verweerder] om te bewijzen dat
nietin strijd met de Wgbh/cz is gehandeld. [4] [verweerder] is in het leveren van dit tegenbewijs geslaagd. Daartoe wordt als volgt overwogen.
4.5.
De bedoeling van een proeftijd is om werkgever en werknemer de gelegenheid te geven te ontdekken of het werk, de samenwerking en de organisatie goed bij elkaar passen. [verweerder] heeft aangevoerd dat de proeftijd in het geval van [verzoeker] extra belangrijk was, omdat zij nog geen ervaring had als POH GGZ Jeugdzorg of in een soortgelijke functie. Als psycholoog bij RID houdt [verzoeker] zich uitsluitend bezig met kinderen met dyslexie, terwijl een POH GGZ Jeugdzorg te maken krijgt met uiteenlopende casuïstiek. De vacature bij [verweerder] betrof een functie voor 24 uur per week, verdeeld over drie werkdagen. Omdat [verzoeker] tijdens haar sollicitatie had aangegeven dat zij (in verband met haar baan bij RID) slechts twee dagen per week bij [verweerder] wilde werken, hebben partijen afgesproken dat [verzoeker] op vaste dagen (woensdagen en vrijdagen) negen uur per dag zou gaan werken en dat zij daarnaast twee uur per week zou besteden aan het volgen van (noodzakelijke) bijscholing. De eerste werkdag zou op woensdag 3 september 2025 zijn.
4.6.
Tussen partijen is de navolgende gang van zaken niet in geschil. Op 29 augustus 2025 heeft [verzoeker] contact opgenomen met [verweerder] over de mogelijke medische aandoening aan haar borst. Op maandag 1 september 2025 hebben partijen in overleg besloten dat [verzoeker] op woensdag 3 september 2025 niet zou starten, omdat op die dag de uitslag van de diagnostiek zou volgen. [verweerder] heeft in dit gesprek aangeboden om de arbeidsovereenkomst op 1 oktober 2025 in te laten gaan. Op 4 september 2025 (nadat [verzoeker] [verweerder] van de formele diagnose op de hoogte had gesteld en had laten weten dat zij op vrijdag 5 september 2025 niet zou kunnen werken) heeft [verweerder] nogmaals aangeboden om de startdatum met één maand op te schuiven. [verweerder] heeft daarbij aangegeven dat [verzoeker] dan naar verwachting beter weet waar ze aan toe is en beter kan starten met de werkzaamheden. [verzoeker] heeft dit aanbod om haar moverende redenen afgeslagen.
4.7.
Tussen partijen is verder niet in geschil dat [verzoeker] in de proeftijd zelfstandig met eigen patiënten aan de slag zou gaan. Daarbij zou in de planning wel ruimte worden gelaten om tussendoor met collega’s te overleggen. [verweerder] voert aan dat doordat [verzoeker] in de eerste week van het dienstverband logischerwijze niet kon werken, zij genoodzaakt was om de patiënten van [verzoeker] af te zeggen. Hoewel [verzoeker] had aangegeven dat zij in de tweede week van het dienstverband graag wilde komen werken, was onzeker of dit praktisch gezien haalbaar zou zijn. Na een kankerdiagnose volgen doorgaans meerdere onderzoeken die vaak op korte termijn door het ziekenhuis eenzijdig worden ingepland, aldus [verweerder]. Om te voorkomen dat [verweerder] wéér patiënten moest afbellen, kon zij de agenda van [verzoeker] voor woensdag 10 en vrijdag 12 september 2025 niet vullen. Dat betekent dat zelfs als [verzoeker] wél was komen werken, zij slechts een handjevol patiënten had kunnen zien. Op grond van die feiten heeft [verweerder] geconcludeerd dat er van de proeftijd feitelijk nog slechts vier werkdagen resteerden. Dat was, mede gelet op het (specifieke) belang van de proeftijd en het feit dat deze door de beperkte(re) urenomvang toch al aan de krappe kant was, voor [verweerder] onvoldoende tijd om te beoordelen of [verzoeker] geschikt was voor de functie (en of zij binnen het team zou passen). Daarom heeft [verweerder] besloten om het dienstverband te beëindigen.
4.8.
De kantonrechter is van oordeel dat uit het verweer van [verweerder], met name uit het herhaalde aanbod van [verweerder] om de startdatum uit te stellen, voldoende blijkt dat het [verweerder] om de duur van de beoordelingsperiode in de proeftijd ging en niet om het chronische karakter van de ziekte van [verzoeker]. [verweerder] heeft ter zitting toegelicht dat als het om een werknemer met een niet-chronische ziekte was gegaan, zij ook had aangeboden om de startdatum van de arbeidsovereenkomst uit te stellen. [verweerder] heeft verder toegelicht dat het haar bekend is dat er tijdens de eerste weken na een kankerdiagnose veel scans en onderzoeken in het ziekenhuis noodzakelijk zijn, terwijl er na vaststelling van het behandelplan meer ruimte is om om behandelingen heen te plannen. Tijdens de zitting hebben twee maten van [verweerder] (dhr. [betrokkene 1] en dhr. [betrokkene 2]) toegelicht dat zij het als zeer zwaar ervaren dat zij als huisarts beschuldigd worden van medische discriminatie. Zij hebben meegedeeld juist geprobeerd te hebben het beste te doen in een lastige situatie. Volgens de maten zou het kwalijker zijn geweest om [verzoeker] de proeftijd te laten afmaken, terwijl al duidelijk was dat er te weinig tijd resteerde om haar geschiktheid adequaat te beoordelen. De kantonrechter vindt deze verklaringen geloofwaardig. De conclusie is dan ook dat [verweerder] het vermoeden dat de reden voor het proeftijdontslag gelegen was in de chronische karakter van de ziekte van [verzoeker] voldoende heeft ontkracht.
4.9.
Daarbij merkt de kantonrechter nog wel op dat [verweerder] onzorgvuldig heeft gehandeld door [verzoeker] niet ondubbelzinnig mee te nemen in haar gedachtegang achter het voorstel tot het opschuiven van de startdatum. [verweerder] had [verzoeker] moeten waarschuwen voor de mogelijke consequenties van het afslaan van dit voorstel. Indien [verweerder] aan [verzoeker] expliciet duidelijk had gemaakt dat zij zorgen had over het feit dat de resterende proeftijd te kort was om haar geschiktheid te beoordelen en dat het [verweerder]
daarombeter leek om de startdatum op te schuiven, had [verzoeker] wellicht andere keuzes gemaakt. Dat [verweerder] dit niet heeft gedaan, maar maakt het ontslag niet discriminatoir in de zin van de Wgbh/cz.
4.10.
De slotsom is dat van een verboden onderscheid als bedoeld in de Wgbh/cz geen sprake is. Het verzoek van [verzoeker] tot toekenning van een billijke vergoeding wordt afgewezen, omdat het proeftijdontslag rechtsgeldig is.
4.11.
De kantonrechter zal bepalen dat partijen ieder hun eigen proceskosten moeten betalen, omdat de aard van de zaak daartoe aanleiding geeft.

5.De beslissing

De kantonrechter:
5.1.
wijst het verzoek af,
5.2.
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.
Deze beschikking is gegeven door mr. R.I.V. Scherpenhuijsen Rom en in het openbaar uitgesproken op 14 april 2026.
De griffier De kantonrechter

Voetnoten

1.Artikel 7:652 van Pro het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW).
2.Artikel 4 jo Pro. artikel 1 Wgbh Pro/cz.
3.Artikel 10 Wgbh Pro/cz.
4.Artikel 10 Wgbh Pro/cz.