In deze kortgedingprocedure vordert de werknemer betaling van loon vanaf 1 januari 2026 tot het einde van zijn arbeidsovereenkomst, ondanks dat hij vanwege het ontbreken van een tewerkstellingsvergunning niet mocht werken. De werkgever voert aan dat de arbeidsovereenkomst is geëindigd op grond van een ontbindende voorwaarde en dat het ontbreken van de vergunning voor rekening van de werknemer komt.
De kantonrechter oordeelt dat de ontbindende voorwaarde niet is vervuld en bovendien ongeldig is omdat de werkgever zelf geen aanvraag voor de vergunning heeft gedaan. Het ontbreken van een tewerkstellingsvergunning komt volgens de kantonrechter voor rekening en risico van de werkgever, die verplicht is deze vergunning aan te vragen. De werknemer heeft geen onjuiste informatie verstrekt.
De loonvordering wordt toegewezen, waarbij het loon wordt vastgesteld op basis van de gemiddelde arbeidsomvang over de drie maanden voorafgaand aan januari 2026. De werkgever wordt veroordeeld tot betaling van het loon, vakantietoeslag, wettelijke verhoging en rente, alsmede tot het verstrekken van salarisspecificaties. De proceskosten worden aan de werkgever opgelegd.