Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2026:4157

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
13 april 2026
Publicatiedatum
16 april 2026
Zaaknummer
K/4102/12092535
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 lid 1 Wet arbeid vreemdelingenArt. 6 lid 1 Wet arbeid vreemdelingenArt. 7:610b BWArt. 7:626 lid 1 BWArt. 7:628 lid 1 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Werknemer behoudt recht op loon ondanks ontbreken tewerkstellingsvergunning

In deze kortgedingprocedure vordert de werknemer betaling van loon vanaf 1 januari 2026 tot het einde van zijn arbeidsovereenkomst, ondanks dat hij vanwege het ontbreken van een tewerkstellingsvergunning niet mocht werken. De werkgever voert aan dat de arbeidsovereenkomst is geëindigd op grond van een ontbindende voorwaarde en dat het ontbreken van de vergunning voor rekening van de werknemer komt.

De kantonrechter oordeelt dat de ontbindende voorwaarde niet is vervuld en bovendien ongeldig is omdat de werkgever zelf geen aanvraag voor de vergunning heeft gedaan. Het ontbreken van een tewerkstellingsvergunning komt volgens de kantonrechter voor rekening en risico van de werkgever, die verplicht is deze vergunning aan te vragen. De werknemer heeft geen onjuiste informatie verstrekt.

De loonvordering wordt toegewezen, waarbij het loon wordt vastgesteld op basis van de gemiddelde arbeidsomvang over de drie maanden voorafgaand aan januari 2026. De werkgever wordt veroordeeld tot betaling van het loon, vakantietoeslag, wettelijke verhoging en rente, alsmede tot het verstrekken van salarisspecificaties. De proceskosten worden aan de werkgever opgelegd.

Uitkomst: De werknemer heeft recht op loonbetaling ondanks het ontbreken van een tewerkstellingsvergunning; de werkgever wordt veroordeeld tot betaling van loon, vakantietoeslag, wettelijke verhoging, rente en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANKNOORD-HOLLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Haarlem
Zaaknummer: 12092535 \ VV EXPL 26-26
Vonnis in kort geding van 13 april 2026
in de zaak van
[eiser],
wonende te [plaats],
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser],
gemachtigde: mr. F. Özer,
tegen
de besloten vennootschap
Forsa Logistics B.V.,
gevestigd te Hoofddorp,
gedaagde partij,
hierna te noemen: Forsa,
gemachtigde: mr. J.J.R. Bruijnzeels.
De zaak in het kort
De kantonrechter oordeelt in dit kort geding dat de werknemer recht heeft op loon, ondanks het feit dat de werkgever hem vanwege het ontbreken van een tewerkstellingsvergunning niet mag laten werken. De loonvordering van de werknemer wordt daarom toegewezen. Bij de vaststelling van de hoogte van het loon wordt uitgegaan van de gemiddelde arbeidsomvang over de laatste drie maanden.

1.De procedure

1.1.
[eiser] heeft met een dagvaarding van 13 februari 2026 een vordering in kort geding tegen Forsa ingesteld.
1.2.
Op 30 maart 2026 heeft een zitting plaatsgevonden. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen als toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht. Partijen hebben gebruik gemaakt van pleitnotities, die zijn overgelegd. Voorafgaand aan de zitting heeft Forsa een conclusie van antwoord van 26 maart 2026 ingediend en [eiser] heeft met een e-mail van 27 maart 2026 nog stukken toegestuurd.

2.Feiten

2.1.
[eiser] is een Turkse asielzoeker met een tijdelijke verblijfsvergunning in Nederland.
2.2.
Op de achterkant van de identiteitskaart van [eiser] staat:
“Rechtmatig verblijf (…). TWV[kantonrechter: tewerkstellingsvergunning]
vereist voor specifieke arbeid, andere arbeid niet toegestaan”.
2.3.
[eiser] is sinds 15 april 2025 in dienst bij Forsa. De functie van [eiser] is koerier met een loon van € 14,98 bruto per uur, exclusief vakantietoeslag.
2.4.
In de arbeidsovereenkomst staat onder meer:
“7.4 Voor zover de Werknemer niet de nationaliteit van een EU-land heeft: Voor Werkgever is het van essentieel belang dat de Werknemer over een geldige verblijfsvergunning en werkvergunning beschikt. (…)
7.6.
Als de verblijfsvergunning en/of werkvergunning tijdens dienstverband wordt ingetrokken dan wel een verzoek tot verlenging wordt afgewezen door de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND), waardoor Werknemer niet langer wettelijk in Nederland mag werken, zal deze arbeidsovereenkomst op dat moment automatisch eindigen zonder dat de Werknemer aanspraak heeft op een transitievergoeding of andere compensatie (‘ontbindende voorwaarde’ waardoor de arbeidsovereenkomst ‘van rechtswege’ eindigt).”
2.5.
[eiser] heeft Forsa in de periode van 18 april 2025 tot en met 13 mei 2025 meermaals via WhatsApp verzocht een aanvraag voor een tewerkstellingsvergunning bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv) in te dienen. Op 25 april 2025 heeft Forsa op de vraag van [eiser] of de tewerkstellingsvergunning inmiddels was aangevraagd, gereageerd met:
“Goedemorgen dit zal wel gedaan zijn”.
2.6.
Per 15 oktober 2025 is de arbeidsovereenkomst stilzwijgend verlengd tot 15 april 2026.
2.7.
Op 6 januari 2026 heeft Forsa aan [eiser] laten weten dat uit een interne controle is gebleken dat hij niet over een tewerkstellingsvergunning beschikt en daarom geen arbeid mag verrichten. [eiser] is vervolgens uit het rooster gehaald en daarna niet meer ingeroosterd.

3.Het geschil

3.1.
[eiser] wil dat Forsa wordt veroordeeld tot betaling van het aan hem toekomende salaris over de periode vanaf 1 januari 2026 tot het einde van de arbeidsovereenkomst. Daarnaast maakt [eiser] aanspraak op vakantiegeld, de wettelijke verhoging en rente. [eiser] legt aan zijn vordering ten grondslag – kort weergegeven – dat het ontbreken van een tewerkstellingsvergunning op grond van de wet voor rekening en risico van Forsa komt, zodat hij recht heeft op doorbetaling van loon, ondanks dat hij niet (meer) werkt.
3.2.
Forsa voert verweer en vindt dat de vorderingen van [eiser] moeten worden afgewezen. Forsa doet een beroep op de ontbindende voorwaarde uit de arbeidsovereenkomst en stelt dat de arbeidsovereenkomst is geëindigd omdat [eiser] geen tewerkstellingsvergunning heeft. Daarnaast voert Forsa aan dat [eiser] haar verkeerd heeft geïnformeerd over de tewerkstellingsvergunning en dat het daarom voor rekening van [eiser] komt dat hij niet mag werken.

4.De beoordeling

4.1.
Het gaat in dit kort geding om de vraag of Forsa moet worden veroordeeld tot doorbetaling van het loon van [eiser] vanaf 1 januari 2026. [eiser] heeft daarbij een spoedeisend belang, omdat hij van dit loon afhankelijk is voor zijn levensonderhoud.
4.2.
De kantonrechter zal de loonvordering van [eiser] toewijzen. Dat oordeel wordt hierna toegelicht.
Geen einde van rechtswege door de ontbindende voorwaarde
4.3.
De kantonrechter volgt Forsa niet in haar standpunt dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen van rechtswege is geëindigd door het intreden van een ontbindende voorwaarde. Daarover wordt als volgt overwogen.
4.4.
De geldigheid van een ontbindende voorwaarde in een arbeidsovereenkomst kan volgens rechtspraak alleen bij uitzondering worden aanvaard. [1] De ontbindende voorwaarde mag niet in strijd zijn met het wettelijk stelsel van het ontslagrecht. Daarbij komt het mede aan op de aard, inhoud en context van de voorwaarde.
4.5.
Partijen zijn een ontbindende voorwaarde overeengekomen, te weten dat de arbeidsovereenkomst eindigt als
“de verblijfsvergunning en/of werkvergunning tijdens dienstverband wordt ingetrokken dan wel een verzoek tot verlenging wordt afgewezen”.
4.6.
Vast staat dat de verblijfsvergunning van [eiser] niet is ingetrokken. Ook staat vast dat er geen sprake is van een intrekking of afwijzing van de tewerkstellingsvergunning. Forsa heeft namelijk geen tewerkstellingsvergunning verkregen en ook geen aanvraag daarvoor gedaan, althans een aanvraag ingetrokken, zoals op de zitting is erkend. Dit betekent dat de ontbindende voorwaarde waarop Forsa een beroep doet, niet is vervuld.
4.7.
Anders dan Forsa stelt, kan de ontbindende voorwaarde niet zo worden uitgelegd dat daaronder ook moet worden begrepen de situatie dat achteraf blijkt dat geen tewerkstellingsvergunning is of kan worden verkregen. Een ontbindende voorwaarde moet gelet op de aard daarvan strikt worden uitgelegd. Onduidelijkheid daarover moet daarom ook leiden tot een voor [eiser] gunstige uitleg daarvan, mede omdat Forsa de voorwaarde heeft opgesteld.
4.8.
Daarbij komt dat als de ontbindende voorwaarde zo moet worden uitgelegd als Forsa bepleit, die voorwaarde ongeldig is. Immers, in dat geval is het vervullen van de ontbindende voorwaarde geheel afhankelijk van de vraag of Forsa een tewerkstellingsvergunning of een verlenging daarvan aanvraagt. Forsa kan de ontbindende voorwaarde dan zelf in werking doen treden door simpelweg een aanvraag achterwege te laten of in te trekken. Dat is niet verenigbaar het stelsel van het ontslagrecht. Dat wordt nog benadrukt door het feit dat Forsa [eiser] heeft laten werken tot 6 januari 2026 zonder tewerkstellingsvergunning, en daarin geen belemmering heeft gezien voor het voortzetten van de arbeidsovereenkomst.
4.9.
Dit betekent dat de ontbindende voorwaarde naar het oordeel van de kantonrechter niet is vervuld dan wel ongeldig is, en dat de arbeidsovereenkomst dus (nog) niet is geëindigd.
4.10.
De kantonrechter merkt nog op dat het ontbreken van een tewerkstellingsvergunning mogelijk wel als een redelijke grond voor ontbinding van de arbeidsovereenkomst kan worden aangemerkt. [2] Maar dat is hier niet aan de orde.
[eiser] heeft recht op loondoorbetaling
4.11.
[eiser] heeft sinds 6 januari 2026 niet meer voor Forsa gewerkt. De Arbeidsinspectie heeft Forsa gesommeerd om [eiser] niet meer tewerk te stellen, omdat een tewerkstellingsvergunning ontbreekt.
4.12.
Op zichzelf stelt Forsa terecht dat zij [eiser] niet meer mag laten werken. Uit de Wet arbeid vreemdelingen volgt immers dat het een werkgever verboden is een vreemdeling arbeid te laten verrichten zonder tewerkstellingsvergunning. [3]
4.13.
Volgens Forsa is er geen recht op loon, omdat het voor rekening en risico van [eiser] komt dat hij wegens het ontbreken van een tewerkstellingsvergunning niet mag werken. Daarbij neemt Forsa mede het standpunt in dat [eiser] verkeerde informatie heeft gegeven over de tewerkstellingsvergunning.
4.14.
De kantonrechter volgt Forsa ook niet in dit standpunt, om de volgende reden.
4.15.
Een werkgever is op grond van de wet verplicht het loon te voldoen, ook als de werknemer de overeengekomen arbeid niet heeft verricht, tenzij het niet verrichten van die arbeid in redelijkheid voor rekening van de werknemer behoort te komen. [4]
4.16.
De Hoge Raad heeft in het verleden geoordeeld dat het in beginsel voor rekening en risico van een werkgever komt als die een vreemdeling in dienst heeft genomen, maar deze vreemdeling niet (meer) kan laten werken vanwege het ontbreken van een tewerkstellingsvergunning. [5] Daarbij is overwogen dat volgens de toenmalige Wet arbeid buitenlandse werknemers het verbod om een vreemdeling zonder vergunning te laten werken zich uitsluitend richt tot de werkgever en de werkgever de plicht heeft om voor een tewerkstellingsvergunning te zorgen, voordat hij een vreemdeling laat werken.
4.17.
De kantonrechter gaat ervan uit dat dit oordeel van de Hoge Raad nog steeds geldt. Ook in de huidige Wet arbeid vreemdelingen richt het verbod om een vreemdeling arbeid te laten verrichten zonder tewerkstellingsvergunning zich tot de werkgever. En in de Wet arbeid vreemdelingen staat ook expliciet dat een tewerkstellingsvergunning moet worden aangevraagd door de werkgever. [6] Dat betekent dat het ontbreken van een tewerkstellingsvergunning voor rekening en risico van Forsa komt en dat [eiser] recht heeft op loon.
4.18.
Uit eerdergenoemde uitspraak van de Hoge Raad volgt dat sprake kan zijn van een uitzondering op de hoofdregel dat het voor risico van een werkgever komt dat een tewerkstellingsvergunning ontbreekt. Dat kan zich bijvoorbeeld voordoen als de werknemer verkeerde informatie heeft gegeven over zijn verblijfsrecht.
4.19.
Forsa stelt in dit kader dat [eiser] tijdens zijn sollicitatie ten onrechte de indruk heeft gewekt dat hij zonder meer in Nederland mocht werken en dat hij Forsa daarmee bewust op het verkeerde been heeft gezet.
4.20.
De stelling van Forsa treft geen doel. Tussen partijen is niet in geschil dat [eiser] bij het sollicitatiegesprek zijn identiteitskaart aan Forsa heeft getoond. Op de zitting heeft [eiser] hetzelfde document ook aan de kantonrechter laten zien. De kantonrechter heeft vastgesteld dat op de identiteitskaart de regels voor tewerkstelling in Nederland staan vermeld en daarmee was Forsa dus ook bekend, althans kon zij dat zijn. Van het verstrekken van onjuiste informatie door [eiser] of het wekken van een onjuiste indruk is daarom geen sprake geweest.
4.21.
Bovendien heeft [eiser] kort na zijn indiensttreding meerdere WhatsAppberichten aan Forsa verstuurd, waarin hij Forsa actief heeft gevraagd om een tewerkstellingsvergunning voor hem aan te vragen. Daarop heeft Forsa gereageerd met eerdergenoemde opmerking in een WhatsAppbericht van 25 april 2025 dat zij aannam dat de vergunning inmiddels was aangevraagd. Ook hieruit volgt dat van onjuiste informatie van of misleiding door [eiser] niet is gebleken.
4.22.
De conclusie is daarom dat [eiser] recht heeft op loon tot het moment waarop de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig zal zijn geëindigd, te weten 15 april 2026.
De hoogte van het loon
4.23.
De kantonrechter zal bij de vaststelling van de hoogte van het loon toepassing geven aan het wettelijk vermoeden dat de bedongen arbeid in enige maand een omvang heeft gelijk aan de gemiddelde omvang van de arbeid per maand in de drie voorafgaande maanden. [7] De hoogte van het loon zal daarom worden vastgesteld op basis van de gemiddelde arbeidsomvang over de periode van 1 oktober 2025 tot 1 januari 2026.
4.24.
[eiser] baseert zijn vordering op het gemiddelde loon over de periode van 1 augustus 2025 tot 1 december 2025. Maar [eiser] heeft niet deugdelijk gemotiveerd of onderbouwd waarom zou moeten worden afgeweken van de periode van drie maanden volgens het hiervoor genoemde wettelijk vermoeden. De enkele stelling dat dit gunstiger zou zijn voor Forsa, aldus [eiser], is daarvoor niet genoeg, maar bovendien is niet gebleken dat die stelling klopt. Ook de stelling van Forsa dat moet worden uitgegaan van de situatie na 1 januari 2026 slaagt niet, alleen al niet omdat de door Forsa gestelde vermindering van werkzaamheden na die datum op geen enkele wijze is onderbouwd. Het wettelijk rechtsvermoeden is dus niet weerlegd.
4.25.
De kantonrechter gaat op basis van de gewerkte uren zoals deze blijken uit de loonstroken over de periode van 1 oktober 2025 tot 1 januari 2026, uit van een gemiddelde arbeidsomvang van 148,84 uren per maand (113,70 uren in oktober 2025, 143,50 uur in november 2025 en 189,33 uren in december 2025). Daarbij wordt in aanmerking genomen dat [eiser] op de zitting voldoende overtuigend heeft toegelicht dat in december sprake was van 19 overwerkuren die bij het ‘normale’ aantal gewerkte uren (169,33) moeten worden opgeteld.
4.26.
Uitgaande van een arbeidsomvang van 148,84 uren per maand en een uurloon van € 14,98, heeft [eiser] aanspraak op een bedrag van € 2.229,62 bruto per maand aan loon, te vermeerderen met 8% vakantietoeslag (148,84 x € 14,98).
Conclusie
4.27.
Forsa zal dus worden veroordeeld tot betaling aan [eiser] van € 2.229,62 bruto per maand aan loon vanaf 1 januari 2026 en tot 15 april 2026, vermeerderd met vakantietoeslag.
4.28.
De kantonrechter ziet geen aanleiding om de toewijzing van het achterstallige loon te matigen. De gevorderde wettelijke verhoging wordt gematigd tot 20%, omdat Forsa aannemelijk heeft gemaakt dat zij financieel in zwaar weer zit en er tegenover de loonbetaling geen arbeid wordt verricht. De wettelijke rente wordt toegewezen zoals gevorderd, omdat Forsa te laat betaalt en in verzuim is.
De wettelijke verhoging over het loon van december 2025
4.29.
Vaststaat dat Forsa het loon over december 2025 te laat heeft betaald. Daarom is zij ook daarover de wettelijke verhoging verschuldigd. De kantonrechter zal deze verhoging eveneens matigen tot 20%. De wettelijke rente over de wettelijke verhoging wordt toegewezen zoals gevorderd.
Salarisspecificaties
4.30.
[eiser] vordert ten slotte veroordeling van Forsa tot verstrekking van deugdelijke bruto/netto salarisspecificaties. De werkgever is verplicht dergelijke specificaties bij elke voldoening van het in geld vastgestelde loon aan de werknemer te verstrekken. [8] Aangezien Forsa zal worden veroordeeld tot betaling van het loon over de maanden januari tot en met april 2026, is zij ook verplicht aan [eiser] de bruto/netto salarisspecificaties over deze maanden te verstrekken, zodat zij daartoe zal worden veroordeeld. Omdat er naar het oordeel van de kantonrechter geen aanwijzingen zijn dat Forsa niet aan deze veroordeling zal voldoen, zal de gevorderde dwangsom worden afgewezen. Daarbij merkt de kantonrechter op dat Forsa ter zitting uitdrukkelijk heeft toegezegd dat zij ook een deugdelijke eindafrekening zal opstellen en aan [eiser] zal verstrekken.
Proceskosten
4.31.
Forsa is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Omdat [eiser] heeft geprocedeerd op basis van een toevoeging, zal Forsa niet worden veroordeeld tot betaling van de explootkosten en betekeningskosten
.De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- griffierecht
93,00
- salaris gemachtigde
865,00
- nakosten
144,00
Totaal
1.102,00
4.32.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

De kantonrechter:
5.1.
veroordeelt Forsa tot betaling aan [eiser] van € 2.229,62 bruto per maand vanaf 1 januari 2026 tot 15 april 2026, te vermeerderen met de vakantietoeslag, 20% wettelijke verhoging en de wettelijke rente vanaf 13 februari 2026;
5.2.
veroordeelt Forsa tot betaling aan [eiser] van 20% wettelijke verhoging over € 2.574,26 (het salaris van december 2025), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 13 februari 2026;
5.3.
veroordeelt Forsa om binnen één maand na dagtekening van dit vonnis aan [eiser] bruto/netto salarisspecificaties over de maanden januari tot en met april 2026 te verstrekken;
5.4.
veroordeelt Forsa in de proceskosten van € 1.102,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe;
5.5.
veroordeelt Forsa tot betaling van de wettelijke rente over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald;
5.6.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad [9] ;
5.7.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.J. Jansen en in het openbaar uitgesproken op 13 april 2026.
De griffier De kantonrechter

Voetnoten

1.Zie de uitspraak van de Hoge Raad van 2 november 2012, te vinden op www.rechtspraak.nl met nummer ECLI:NL:HR:2012:BX0348 (
2.Zie
3.Artikel 2 lid 1 van Pro de Wet arbeid vreemdelingen.
4.Artikel 7:628 lid 1 van Pro het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW).
5.Zie de uitspraak van de Hoge Raad van 27 maart 1981, te vinden in NJ 1981/492 (
6.Artikel 6 lid 1 van Pro de Wet arbeid vreemdelingen.
7.Artikel 7:610b BW.
8.Artikel 7:626 lid 1 BW Pro.
9.Uitvoerbaar bij voorraad betekent dat de veroordelingen in dit vonnis uitgevoerd moeten worden, ook als eventueel in hoger beroep wordt gegaan.