Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2026:4202

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
8 april 2026
Publicatiedatum
17 april 2026
Zaaknummer
1215710 / CV EXPL 26-1290
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:310 BWArt. 3:316 BWArt. 3:317 BWArt. 93 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing schadevordering werkgever wegens verjaring na ontslag op staande voet

In deze zaak vordert een werkgever een schadevergoeding van €291.492,45 van een ex-werknemer wegens verduistering, diefstal, oplichting en fraude tijdens diens dienstverband. De werknemer werd op staande voet ontslagen in december 2017, waarna hij het ontslag aanvocht, maar dit werd door de rechter en het gerechtshof bevestigd.

De werkgever startte een procedure om de werknemer aansprakelijk te stellen voor de schade, maar de werknemer voerde verjaring als verweer. De kantonrechter oordeelde dat de verjaringstermijn van vijf jaar begon te lopen op 14 december 2017, de dag na het ontslag, omdat de werkgever toen voldoende zekerheid had over de schade en de aansprakelijke persoon.

De kantonrechter verwierp het standpunt van de werkgever dat de verjaring pas in 2023 begon na het definitieve oordeel van het gerechtshof. Ook stelde de kantonrechter vast dat de verjaring pas in 2024 werd gestuit, wat te laat was. Daarom werd de vordering van de werkgever afgewezen en werd hij veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: De vordering van de werkgever tot schadevergoeding wordt afgewezen wegens verjaring.

Uitspraak

RECHTBANK Noord-Holland

Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Alkmaar
Zaaknr./rolnr.: 12157170 / CV EXPL 26-1290 (SJ)
Vonnis van 8 april 2026
in de zaak van
[eiser],
te [plaats 1] , gemeente [gemeente 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. F.R. Duijn,
tegen
[gedaagde],
te [plaats 2] , gemeente [gemeente 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. D.F.W. Schalkwijk.
De zaak in het kort
In deze zaak vordert een werkgever schadevergoeding van een ex-werknemer. De werknemer voert als verweer aan dat de vordering van de werkgever is verjaard. De kantonrechter oordeelt dat dit verweer slaagt. De verjaringstermijn van vijf jaar is aangevangen in 2017 of 2018 en de vordering is dus verjaard in 2022 of 2023. De verjaring is pas daarna in 2024, en niet op tijd, gestuit. De vordering van de werkgever moet daarom worden afgewezen.

1.De procedure

1.1.
[eiser] heeft met een dagvaarding van 9 april 2025 een vordering tegen [gedaagde] ingesteld. [gedaagde] heeft schriftelijk geantwoord.
1.2.
Op 10 maart 2026 heeft een zitting plaatsgevonden. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen als toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht. [eiser] heeft gebruik gemaakt van pleitaantekeningen, die zijn overgelegd. Voorafgaand aan de zitting heeft [eiser] nog stukken toegezonden.

2.De feiten

2.1.
[gedaagde] was tot 2017 in dienst bij [eiser] als projectleider.
2.2.
Medio juli 2017 zijn er onregelmatigheden gesignaleerd door [eiser] waarbij [gedaagde] betrokken is geweest. Dat heeft tot een nader onderzoek geleid door een recherchebureau. Op 12 december 2017 is het onderzoek beëindigd en zijn de bevindingen aan [eiser] meegedeeld. Naar aanleiding van deze bevindingen heeft [eiser] [gedaagde] met een brief van 13 december 2017 op staande voet ontslagen.
2.3.
In de ontslagbrief heeft [eiser] als dringende reden voor het ontslag genoemd dat [gedaagde] zich gedurende het dienstverband schuldig heeft gemaakt aan verduistering, diefstal, oplichting en/of fraude. Verder is [gedaagde] in die brief aansprakelijk gesteld voor de in dat verband door [eiser] geleden en te lijden schade.
2.4.
[gedaagde] heeft de kantonrechter verzocht het ontslag op staande voet te vernietigen en [eiser] te veroordelen tot doorbetaling van loon. In een beschikking van 28 juni 2018 heeft de kantonrechter het verzoek van [gedaagde] afgewezen en geoordeeld dat het ontslag op staande voet rechtsgeldig is.
2.5.
Tegen deze beschikking is [gedaagde] in hoger beroep gegaan. In een beschikking van 2 mei 2023 heeft het gerechtshof Amsterdam alle verzoeken van [gedaagde] afgewezen en de beschikking van de kantonrechter bekrachtigd.

3.Het geschil

3.1.
[eiser] vordert dat voor recht wordt verklaard dat [gedaagde] schadeplichtig is. Verder vordert [eiser] dat [gedaagde] wordt veroordeeld tot betaling van € 291.492,45 aan schadevergoeding. [eiser] stelt – samengevat – dat na de beschikking van het gerechtshof Amsterdam vast staat dat [gedaagde] onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiser] en de daardoor geleden schade moet vergoeden. Daarbij heeft [eiser] gesteld dat [gedaagde] materialen op rekening van [eiser] heeft besteld en deze materialen, buiten medeweten van [eiser] , aan derden heeft verkocht en de opbrengst daarvan in eigen zak heeft gestoken.
3.2.
[gedaagde] heeft de vorderingen van [eiser] betwist. [gedaagde] ontkent dat hij onrechtmatig heeft gehandeld, ook al heeft het gerechtshof Amsterdam de beschikking van de kantonrechter bekrachtigd waarbij het ontslag op staande voet geldig is geoordeeld. Verder heeft [gedaagde] aangevoerd dat de vordering van [eiser] is verjaard. Daarnaast betwist [gedaagde] voor zover nodig de omvang van de schade.

4.De beoordeling

verwijzing naar de kantonrechter
4.1.
[eiser] is de zaak gestart met een dagvaarding bij de rechtbank, afdeling handelszaken. Op de zitting is zaak ambtshalve verwezen naar de kantonrechter. Daarbij is overwogen dat het hier gaat om een zaak betreffende een arbeidsovereenkomst. [1] Dit maakt dat kantonrechter de bevoegde rechter is. Aansluitend heeft de kantonrechter de zaak op de zitting behandeld. Partijen hebben op de zitting overigens verklaard geen bezwaar te hebben tegen verwijzing naar de kantonrechter.
waar gaat het om in deze zaak?
4.2.
In deze zaak gaat het om de vraag of voor recht moet worden verklaard dat [gedaagde] schadeplichtig is en of [gedaagde] moet worden veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 291.492,45 aan schadevergoeding.
de vordering is verjaard
4.3.
Het meest verstrekkende verweer van [gedaagde] is dat de vorderingen van [eiser] zijn verjaard. De kantonrechter zal daarom eerst dit verjaringsverweer beoordelen.
4.4.
Naar het oordeel van de kantonrechter slaagt het beroep op verjaring. Dat oordeel wordt hierna toegelicht.
verjaring in de wet en rechtspraak
4.5.
Artikel 3:310 lid 1 van Pro het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) bepaalt dat een rechtsvordering tot vergoeding van schade verjaart door verloop van vijf jaren na aanvang van de dag, volgende op die waarop de benadeelde zowel met de schade als met de daarvoor aansprakelijke persoon bekend is geworden.
4.6.
De eis in artikel 3:310 lid 1 BW Pro dat de verjaringstermijn pas gaat lopen als de benadeelde bekend is geworden met de schade en de daarvoor aansprakelijke persoon, moet zo worden opgevat dat het gaat om een daadwerkelijke bekendheid. Dat volgt uit rechtspraak. [2] Van daadwerkelijke bekendheid is sprake als de benadeelde voldoende zekerheid heeft verkregen – die niet een absolute zekerheid hoeft te zijn – dat de schade is veroorzaakt door tekortschietend of foutief handelen van de betrokken persoon. De verjaringstermijn vangt dus aan op de dag na die waarop de benadeelde daadwerkelijk in staat is een rechtsvordering tot vergoeding van de door hem geleden schade in te stellen. [3]
4.7.
Voor daadwerkelijke bekendheid is niet nodig dat de benadeelde ook bekend is met de juridische beoordeling van de feiten. Evenmin is vereist dat de benadeelde met de (exacte) oorzaak, de componenten of de (gehele) omvang van de schade bekend is. [4]
4.8.
Het antwoord op de vraag op welk tijdstip de verjaringstermijn is gaan lopen, is uiteindelijk afhankelijk van alle omstandigheden van het geval. [5]
de verjaring is aangevangen in 2017 of 2018
4.9.
De kantonrechter is van oordeel dat de verjaringstermijn is aangevangen op 14 december 2017, omdat dit de dag is volgend op die waarop [eiser] daadwerkelijk bekend was met het bestaan van schade en de persoon die voor de schade aansprakelijk is.
4.10.
Immers, [eiser] heeft [gedaagde] met haar brief van 13 december 2017 op staande voet ontslagen en in die brief staat dat [eiser] [gedaagde] aansprakelijk houdt voor alle door haar geleden en nog te lijden schade door het onrechtmatig handelen van [gedaagde] . [eiser] was op dat moment dus bekend met het bestaan van schade en met de persoon die daarvoor aansprakelijk was, en had op dat moment ook een rechtsvordering tot vergoeding van die schade kunnen instellen.
4.11.
De omstandigheid dat de componenten of de (gehele) omvang van de door [eiser] geleden schade op 14 december 2017 nog niet exact vaststonden, staat er niet aan in de weg dat de verjaringstermijn op dat moment is aangevangen, zoals hiervoor al is overwogen.
4.12.
Voor zover er nog de nodige onzekerheid zou zijn geweest dat de schade is veroorzaakt door onrechtmatig handelen van [gedaagde] , heeft [eiser] met de beschikking van de kantonrechter van 28 juni 2018 daarover in ieder geval voldoende zekerheid verkregen. In die beschikking is immers geoordeeld dat [gedaagde] terecht op staande voet is ontslagen wegens verduistering, diefstal, oplichting en/of fraude. Vanaf dat moment was [eiser] eens temeer daadwerkelijk in staat om een rechtsvordering tot vergoeding van de door haar geleden schade in te stellen of de verjaring te stuiten. Daarvan uitgaande is de verjaring op 29 juni 2018 aangevangen.
4.13.
[eiser] stelt dat de verjaringstermijn pas is aangevangen na de uitspraak van het gerechtshof Amsterdam van 2 mei 2023, omdat toen pas definitief vaststond dat [gedaagde] onrechtmatig had gehandeld en de aansprakelijke persoon was. Dit standpunt volgt de kantonrechter niet. Uit de hiervoor genoemde rechtspraak blijkt dat voor het aanvangen van de verjaring geen absolute zekerheid is vereist dat de schade is veroorzaakt door [gedaagde] , maar dat voldoende zekerheid daarvoor volstaat. Die voldoende zekerheid had [eiser] al op 14 december 2017 en in ieder geval na de beschikking van de kantonrechter van 28 juni 2018. Verder volgt uit eerdergenoemde rechtspraak dat voor de aanvang van de verjaring ook niet nodig is dat [eiser] de juridische beoordeling van de feiten duidelijk is geworden.
4.14.
Het betoog van [eiser] dat het instellen van een schadestaatprocedure in 2017 of 2018 geen nut zou hebben gehad, omdat deze procedure zou zijn aangehouden in afwachting van een definitief oordeel over het ontslag op staande voet, treft ook geen doel. Een mogelijke aanhouding van zo’n procedure neemt niet weg dat [eiser] wel daadwerkelijk in staat was om een rechtsvordering tot vergoeding van schade in te stellen. Overigens zou zo’n schadestaatprocedure ook nut hebben gehad, alleen al om de verjaring van de vordering tot schadevergoeding te stuiten.
4.15.
Er zijn geen andere omstandigheden die in de weg staan aan de conclusie dat de verjaring is aangevangen op 14 december 2017 dan wel 29 juni 2018. Daarbij neemt de kantonrechter mede in aanmerking dat er geen aanknopingspunten zijn om aan te nemen dat [eiser] niet tijdig in staat was om een rechtsvordering in te stellen of de verjaring te stuiten.
het beroep op verjaring is niet onaanvaardbaar
4.16.
Er is ook onvoldoende gesteld om te oordelen dat het beroep op verjaring naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Verjaringstermijnen staan in het teken van rechtszekerheid en daaraan moet in beginsel strikt de hand worden gehouden.
de verjaring is niet tijdig gestuit
4.17.
De verjaring van een rechtsvordering kan op grond van artikel 3:316 BW Pro en artikel 3:317 BW Pro worden gestuit door het instellen van een eis en door een schriftelijke aanmaning.
4.18.
Op de zitting heeft [eiser] erkend dat de procedures bij de kantonrechter en het gerechtshof geen stuitingshandelingen zijn en dat de verjaring van haar vordering voor het eerst is gestuit met een brief van 4 juli 2024. Daar gaat de kantonrechter ook vanuit.
4.19.
De kantonrechter moet daarom concluderen dat de verjaring van de vordering van [eiser] niet tijdig is gestuit. Die vordering is immers verjaard vijf jaar na 14 december 2017 dan wel 29 juni 2018, dus op 14 december 2022 dan wel 29 juni 2023. De verjaring is pas nadien gestuit met de brief van 4 juli 2024 en toen was de verjaring al een feit.
conclusie: de vordering is verjaard en wordt daarom afgewezen
4.20.
De vorderingen van [eiser] zijn dus verjaard en die vorderingen moeten daarom worden afgewezen. De overige verweren behoeven daarom geen bespreking meer.
proceskosten
4.21.
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op € 2.174,00 aan salaris gemachtigde (2 punten × € 1.087,00) en € 144,00 aan nakosten, plus de kosten van betekening. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
5. De beslissing
De kantonrechter:
5.1.
wijst de vorderingen van [eiser] af;
5.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 2.318,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
5.3.
veroordeelt [eiser] tot betaling van de wettelijke rente over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald;
5.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad. [6]
Dit vonnis is gewezen door mr. P.J. Jansen, kantonrechter, in samenwerking met
mr. S.C. Jacobs, griffier/juridisch adviseur en in het openbaar uitgesproken op 8 april 2026.
de griffier de rechter

Voetnoten

1.Artikel 93, onderdeel c, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
2.Zie de uitspraak van de Hoge Raad van 22 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:627.
3.Zie de uitspraak van de Hoge Raad van 4 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:677.
4.Zie de uitspraak van de Hoge Raad van 20 februari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AN8903 en 10 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM7041.
5.Zie de uitspraak van de Hoge Raad van 4 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3240.
6.Uitvoerbaar bij voorraad betekent dat de veroordelingen in de beschikking uitgevoerd moeten worden, ook als eventueel in hoger beroep wordt gegaan.