ECLI:NL:RBNHO:2026:4247

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
20 april 2026
Publicatiedatum
20 april 2026
Zaaknummer
HAA 25/3117
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 50 PwArt. 34 PwArt. 16 PwArt. 11 PwArt. 12 Pw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling toekenning bijstandsuitkering als geldlening op grond van de Participatiewet

Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een bijstandsuitkering die het college heeft toegekend in de vorm van een renteloze geldlening, omdat eiser samen met zijn broer eigenaar is van een woning die deel uitmaakt van een onverdeelde nalatenschap. Eiser maakte bezwaar tegen deze vorm van toekenning en stelde dat de uitkering als gift had moeten worden verstrekt, mede vanwege zijn gezondheidstoestand en het feit dat hij niet redelijkerwijs over het vermogen kan beschikken.

De rechtbank stelt vast dat op grond van artikel 50 van Pro de Participatiewet bijstand in de vorm van een geldlening moet worden verstrekt als het vermogen in de eigen woning hoger is dan het vrij te laten vermogen, ongeacht of eiser redelijkerwijs over dat vermogen kan beschikken. De rechtbank wijst het beroep van eiser af, omdat het college op juiste gronden heeft gehandeld en eiser niet kan worden gedwongen de woning te verkopen.

Daarnaast oordeelt de rechtbank dat het beroep op het vertrouwensbeginsel niet slaagt, omdat de situatie sinds 2009 is gewijzigd en eerdere bijstandsuitkeringen als gift inmiddels zijn teruggevorderd en afgelost. Ook het beroep op dringende redenen wegens psychische overmacht wordt verworpen, omdat eiser tot de kring der rechthebbenden behoort. Het beroep wordt ongegrond verklaard en eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard en de bijstandsuitkering als geldlening blijft van kracht.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 25/3117

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 april 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats 1] , eiser

(gemachtigde: mr. B. Wernik),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlem, het college
(gemachtigde: R.C.F. de Vos).

Samenvatting

1.1.
Deze uitspraak gaat over de toekenning van een uitkering op grond van de Participatiewet (Pw) in de vorm van een geldlening. Eiser is het niet eens met het besluit. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de toekenning van een bijstandsuitkering in de vorm van een geldlening.
1.2.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de bijstandsuitkering op de juiste gronden als lening heeft verstrekt
.Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2.1.
Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een bijstandsuitkering. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 19 februari 2025 toegewezen in de vorm van een geldlening. Met het bestreden besluit van 11 juni 2025 op het bezwaar van eiser is het college bij het besluit gebleven.
2.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft een verweerschrift ingediend. Eiser heeft aanvullende gronden ingediend.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 26 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het college.

Totstandkoming van het besluit

3.1.
Eiser heeft op 29 januari 2025 een aanvraag ingediend voor een bijstandsuitkering. In het besluit van 19 februari 2025 is vermeld dat de bijstandsuitkering wordt toegekend in de vorm van een renteloze geldlening omdat eiser beschikt over vermogen in de vorm van een eigen woning die eiser samen met zijn broer bezit.
3.2.
Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Met het besluit van 11 juni 2025 blijft het college bij het standpunt dat de bijstand in de vorm van een geldlening verstrekt wordt. Het college volgt daarin het advies van de commissie bezwaarschriften (de commissie). In het advies overweegt de commissie onder meer dat de omstandigheid dat de nalatenschap onverdeeld is waardoor de woning niet op naam van eiser staat, niet afdoet aan het feit dat de bijstand in de vorm van een geldlening wordt verstrekt. Daarbij vermeldt de commissie dat als de woning wordt verkocht de opbrengst voor de helft aan eiser zal toekomen. Eveneens vermeldt de commissie dat het college eiser niet dwingt om de woning te verkopen, maar op grond van artikel 50 van Pro de Pw de bijstand kan verstrekken als geldlening. Ten aanzien van het beroep van eiser op het vertrouwensbeginsel overweegt de commissie dat de situatie niet precies hetzelfde is als de situatie in 2009. Destijds was sprake van twee woningen, waarvan blijkens een brief van de notaris van 14 augustus 2009 de woning op het adres [adres 1] te [plaats 1] aan eiser was toebedeeld. De juridische status van de woning in [plaats 1] was dat deze tot een onverdeelde boedel behoorde, waarop eiser en zijn broer uit hoofde van een nalatenschap gerechtigd zijn. Wel had eiser, zo staat in de brief van de notaris, recht om afgifte van de volle eigendom van de woning te vorderen. Er was ook sprake van onderverdeling waardoor eiser een vordering op zijn broer had van ongeveer € 30.511,00. Dit had tot gevolg dat de afhandeling van de nalatenschap niet kon worden afgesloten. Het college heeft, gelet op die omstandigheden, de bijstand om niet verstrekt met de verplichting voor eiser het college op de hoogte te houden van de afhandeling van de nalatenschap. Vervolgens overweegt de commissie dat inmiddels de woning van de broer van eiser is verkocht en de opbrengst daarvan tussen de broer en eiser is verdeeld en dat eiser en zijn broer ieder voor de helft eigenaar zijn van de woning op het adres [adres 1] te [plaats 1] . De commissie concludeert dat de omstandigheid dat eiser en zijn broer de nalatenschap niet afsluiten en de woning niet op naam stellen, waardoor er geen krediethypotheek gevestigd kan worden, niet tot gevolg kan hebben dat de uitkering niet in de vorm van een geldlening verstrekt kan worden. De commissie is van oordeel dat een beroep op het vertrouwensbeginsel niet kan slagen.

Beoordeling door de rechtbank

4. Het toepasselijk wettelijk kader luidt als volgt:
4.1.
In artikel 50 van Pro de Pw is bepaald dat bijstand wordt verleend in de vorm van een geldlening als het vermogen gebonden in de woning hoger is dan het vrij te laten vermogen, bedoeld in artikel 34, tweede lid, onder d, van de Pw.
4.2.
Het college moet op grond van artikel 50 van Pro de Pw, de algemene bijstand in de vorm van een geldlening verstrekken indien voldaan is aan de volgende voorwaarden:
De belanghebbende is eigenaar van de door hemzelf of zijn gezin bewoonde woning met bijbehorend erf;
Van de belanghebbende kan in redelijkheid niet verlangd worden dat hij het in de woning met bijbehorend erf gebonden vermogen te gelde maakt, bezwaart of verder bezwaart;
De te verlenen algemene bijstand bedraagt over een periode van een jaar, te rekenen vanaf de eerste dag waarover bijstand wordt verleend, naar verwachting meer dan het nettominimumloon (inclusief vakantiebijslag) per maand;
Het in de woning met bijbehorend erf gebonden vermogen is hoger dan de speciale vrijlating voor de eigen woning als bedoeld in art. 34, tweede lid, onderdeel d, van de Pw.
5.1.
Ten eerste stelt eiser dat het college de bijstand als gift had moeten toekennen. De woning is namelijk nog onverdeeld, waardoor eiser niet redelijkerwijs kan beschikken over het vermogen. Eiser heeft in de aanvullende gronden aangevoerd dat vanwege de gezondheidstoestand van eiser van hem niet gevergd kan worden dat de woning verkocht dient te worden, waardoor hij ook om die reden niet redelijkerwijs kan beschikken over het vermogen van de woning. Eiser doet een beroep op een uitspraak in een civiele procedure die hij als bijlage heeft overgelegd. De rechter heeft in die uitspraak bepaald dat de vordering tot verdeling voor drie jaar is uitgesloten vanwege de gezondheidstoestand van de eiser in die zaak. Ook vreest eiser dat hij de woning zal moeten verkopen zodra hij AOW ontvangt, omdat hij dan de bijstandsuitkering terug moet betalen en dat niet van de AOW kan betalen.
5.2.
Ten tweede stelt eiser zich op het standpunt dat sprake is van schending van het vertrouwensbeginsel. Het college heeft namelijk in 2009 aan eiser een bijstandsuitkering om niet verstrekt. Ten tijde van de toekenning van de bijstandsuitkering in 2009 was bekend dat eiser gerechtigd was tot een aandeel in dezelfde onverdeelde boedel. Eiser stelt dat de situatie nu hetzelfde is zodat hij erop mocht vertrouwen dat nu weer een bijstandsuitkering om niet verstrekt zou worden.
5.3.
Ten derde doet eiser een beroep op de dringende redenen van artikel 16 van Pro de Pw vanwege psychische overmacht. Eiser stelt dat hij aan de woning gekluisterd is vanwege agorafobie en paniekstoornissen. Van hem kan niet worden verlangd dat hij de woning verkoopt.
6. De rechtbank stelt allereerst vast dat eiser uit hoofde van een nalatenschap van zijn vader uit 2008, tezamen met zijn broer, gerechtigd is tot een aandeel van 50% in een onverdeelde boedel. In de boedel vielen onder meer twee woonhuizen, waaronder de woning aan [adres 1] te [plaats 1] , die door eiser wordt bewoond en die aan hem is toebedeeld. Uit een brief van de notaris van 18 juli 2024 blijkt dat er geen verdeling heeft plaatsgevonden en dat de woning aan [adres 2] te [plaats 2] , die werd bewoond door de broer, op enig moment is verkocht en eiser en de broer ieder de helft van de (netto) verkoopopbrengst hebben ontvangen.
De rechtbank volgt eiser niet in zijn betoog dat het college hem de bijstand in de vorm van een gift had moeten toekennen omdat hij, zoals hij stelt, niet beschikt of niet redelijkerwijs kan beschikken over zijn aandeel in de woning. Voor de toepassing van artikel 50 Pw Pro, op grond waarvan het college de bijstand in de vorm van een geldlening moet verstrekken, is niet relevant of eiser beschikt of redelijkerwijs kan beschikken over het vermogen in de woning. Artikel 50 van Pro de Pw stelt die voorwaarde immers niet. Het betoog van eiser dat van hem niet gevergd kan worden dat hij de woning verkoopt, kan evenmin leiden tot het niet van toepassing zijn van artikel 50 Pw Pro. Eiser miskent daarmee dat hij door de toepassing van artikel 50 van Pro de Pw juist niet wordt gedwongen om zijn woning te verkopen. Van een vordering tot verdeling is geen sprake. De door eiser overgelegde uitspraak is alleen al daarom in dit geval niet vergelijkbaar. Ook de vrees van eiser voor de toekomst als hij de geldlening terug moet betalen en dat van invloed zal zijn op de hoogte van zijn pensioen als hij de AOW-gerechtigde leeftijd bereikt, kan niet leiden tot het niet toepassen van artikel 50 Pw Pro. Bovendien geldt dat bij een eventuele aflossing rekening zal worden gehouden met de aflossingscapaciteit op dat moment. Tot slot kan de stelling van eiser dat hij zich nooit gerealiseerd heeft dat dit scenario zich voor zou doen, niet tot het oordeel leiden dat de bijstand in de vorm van een gift moet worden toegekend.
7. Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel geldt als uitgangspunt dat vereist is dat de betrokkene aannemelijk maakt dat van de zijde van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit betrokkene in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of en, zo ja, hoe het bestuursorgaan in een concreet geval een bevoegdheid zou uitoefenen. [1] De rechtbank is van oordeel dat in het geval van eiser geen sprake is van een schending van het vertrouwensbeginsel. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat eiser aan de besluitvorming over eerdere aanvragen van een bijstandsuitkering in het verleden niet een te honoreren vertrouwen kan ontlenen dat – ook bij gewijzigde omstandigheden en inzichten – hem in de toekomst weer een bijstandsuitkering om niet wordt verstrekt. Bovendien gaat eiser daarmee eraan voorbij dat de eerder toegekende bijstandsuitkering als gift over de periode 2009 tot en met 2023 is teruggevorderd (en inmiddels geheel is afgelost) in verband met naderhand ontvangen middelen. Ook overigens bestaan op grond van de beschikbare gegevens geen aanknopingspunten om te oordelen dat vanwege het college bij eiser zodanige verwachtingen zijn gewekt dat daarop een in rechte te honoreren beroep op het vertrouwensbeginsel kan worden gebaseerd. De rechtbank constateert dat de voorliggende situatie bij de onderhavige bijstandsaanvraag niet dezelfde is als in 2009. Inmiddels is namelijk één van de twee woningen die onderdeel uitmaakte van de onverdeelde boedel verkocht, is de opbrengst daarvan verdeeld tussen eiser en zijn broer en is de nalatenschap, sinds 2009, nog steeds niet afgewikkeld.
8. Wat betreft het beroep op de dringende redenen van artikel 16 Pw Pro overweegt de rechtbank als volgt. Voor de toepassing van artikel 16 van Pro de Pw is vereist dat de belanghebbende niet tot de kring der rechthebbenden behoort als bedoeld in de artikelen 11 tot en met 15 Pw. Uit de rechtspraak volgt dat artikel 16 Pw Pro niet van toepassing is op belanghebbenden die zijn uitgesloten van het recht op bijstand vanwege een te hoog inkomen/vermogen, omdat zij wél tot de kring der rechthebbenden behoren. Naar het oordeel van de rechtbank kan een beroep van eiser op artikel 16 van Pro de Pw niet slagen, omdat eiser wel tot de kring der rechthebbenden behoort. Daarom beoordeelt de rechtbank niet inhoudelijk of sprake is van zeer dringende redenen.

Conclusie en gevolgen

9. Al het hiervoor vermelde leidt ertoe dat het beroep ongegrond is. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Het college heeft op de juiste gronden de bijstandsuitkering in de vorm van een renteloze geldlening verstrekt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijg ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.R. ten Berge, rechter, in aanwezigheid van
mr. A.J. Boerrigter, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 20 april 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie de uitspraak van de Centrale Raad van beroep van 4 maart 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:559.