Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2026:4503

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
25 maart 2026
Publicatiedatum
24 april 2026
Zaaknummer
C/15/364173 / HA ZA 25-206 incident 2
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 222 RvArt. 125 RvArt. 126 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing van verzoek tot voeging wegens niet-aanhangige procedure

In deze civiele procedure vorderden gedaagde partijen voeging van een nog niet ter rolle ingeschreven zaak met de lopende procedure, om zo parallelle behandeling en procesvereenvoudiging te bewerkstelligen. De eisers stelden dat voeging niet mogelijk is omdat de tweede procedure nog niet aanhangig is in de zin van artikel 222 Rv Pro.

De rechtbank oordeelde dat voeging slechts kan plaatsvinden met een zaak die ter rolle is ingeschreven, omdat voeging een maatregel van orde is die de procesvoering moet vereenvoudigen en niet mag vertragen. Omdat de gevorderde zaak nog niet was ingeschreven, werd het verzoek tot voeging afgewezen.

Daarnaast kreeg de gedaagde partijen een laatste termijn van vier weken om alsnog een conclusie van antwoord in te dienen. De rechtbank veroordeelde hen in de proceskosten van het incident, omdat zij het incident nodeloos hadden veroorzaakt.

De zaak wordt op 22 april 2026 opnieuw op de rol geplaatst voor conclusie van antwoord. Verdere beslissingen worden aangehouden.

Uitkomst: Verzoek tot voeging afgewezen omdat de te voegen zaak nog niet ter rolle is ingeschreven; gedaagde partijen veroordeeld in proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK Noord-Holland

Civiel recht
Zittingsplaats Haarlem
Zaaknummer: C/15/364173 / HA ZA 25-206
Vonnis in incident van 25 maart 2026
in de zaak van

1.[eiser 1],

2.
[eiser 2],
beiden te [plaats 1],
eisende partijen in de hoofdzaak,
verwerende partijen in het incident,
hierna samen te noemen: [eiser 1] en [eiser 2],
advocaat: mr. T.A. Bruins,
tegen

1.[gedaagde 1],

te [plaats 2],
2.
[gedaagde 2],
te Amsterdam,
gedaagde partijen in de hoofdzaak,
eisende partijen in het incident,
hierna samen te noemen: [gedaagde 1] en [gedaagde 2],
advocaat: mr. S.J. Kerbusch.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het vonnis in incident van 3 december 2025
- de incidentele conclusie tot voeging ex art. 222 Rv Pro met productie 15 van [gedaagde 1] en [gedaagde 2]
- de incidentele conclusie van antwoord tot voeging ex artikel 222 Rv Pro van [eiser 1] en [eiser 2].
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald in het incident tot voeging.

2.De vordering in het incident

2.1.
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] vorderen:
I.
primair: de voeging te bevelen van deze zaak met de bij deze rechtbank door eisers vóór de rol van 1 april 2026 aan te brengen zaak op de voet van artikel 222 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), althans een beslissing te nemen die de rechtbank passend acht om ervoor te zorgen dat beide procedures zoveel mogelijk parallel lopen en [gedaagde 1] en [gedaagde 2] in één conclusie van antwoord gelijktijdig mogen reageren op beide dagvaardingen, met bepaling van een nieuwe termijn voor de conclusie van antwoord in beide procedures;
II. na de voeging te bepalen dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] een termijn van zes weken krijgen voor conclusie van antwoord in beide procedures;
III.
subsidiair: [gedaagde 1] en [gedaagde 2] een uitstel van vier weken, althans meer subsidiair twee weken te verlenen voor het nemen van de conclusie van antwoord in deze procedure;
IV. [eiser 1] en [eiser 2] te veroordelen in de kosten van dit incident.
2.2.
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] leggen aan hun vorderingen ten grondslag dat [eiser 1] en [eiser 2] met het uitbrengen van een dagvaarding op 16 december 2025 een tweede procedure aanhangig hebben gemaakt, en wel tegen de rol van 1 april 2026. Het is een procedure tussen dezelfde partijen, over dezelfde nalatenschap en bij hetzelfde gerecht als deze procedure. Volgens [eiser 1] en [eiser 2] wordt de onderhavige procedure onnodig gecompliceerd door de nieuwe dagvaarding en bestaat er een reëel risico op tegenstrijdige beslissingen als beide procedures apart behandeld worden. Uit proceseconomische overwegingen wensen [gedaagde 1] en [gedaagde 2] gelijktijdig op de beide dagvaardingen te reageren.
2.3.
[eiser 1] en [eiser 2] voeren aan dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] waar mogelijk de procedure proberen te vertragen. Het klopt dat sprake is van samenhang tussen de twee zaken, maar [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben in de procedures verschillende hoedanigheden. Ook is er slechts een beperkt risico op tegenstrijdige uitspraken als de procedures afzonderlijk worden gevoerd, omdat rechters in beide procedures rekening kunnen houden met elkaars uitkomsten. [eiser 1] en [eiser 2] waren genoodzaakt een tweede procedure te starten door de vertraging en onduidelijkheid in de informatieverstrekking van de zijde van [gedaagde 1] en [gedaagde 2]. Verder hebben [eiser 1] en [eiser 2] eerder laten weten in te kunnen stemmen met voeging, maar geen verdere vertraging te willen. Daarnaast is het de vraag of er wel gevoegd kan worden, omdat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] niet op grond van artikel 126 Rv Pro hebben verzocht om de nieuwe procedure bij vervroeging aan te zeggen. Een beroep op voeging kan alleen in behandeling worden genomen als beide zaken al aanhangig zijn, hetgeen niet het geval is. Volgens [eiser 1] en [eiser 2] is dit opnieuw een vertragingstechniek van [gedaagde 1] en [gedaagde 2].
2.4.
Op de stellingen van partijen gaat de rechtbank hierna, voor zover van belang, nader in.

3.De beoordeling in het incident

Voeging kan niet plaatsvinden
3.1.
De rechtbank zal de vordering tot voeging afwijzen. De rechtbank licht dit oordeel hierna toe.
3.2.
Artikel 222 Rv Pro bepaalt dat in geval voor dezelfde rechter tussen dezelfde partijen en over hetzelfde onderwerp tegelijk zaken aanhangig zijn, of voor dezelfde rechter verknochte zaken aanhangig zijn, daarvan de voeging kan worden gevorderd. De vraag waar de rechtbank zich voor gesteld ziet is of de zaak die is ingeleid met de dagvaarding van 16 december 2025, en waarmee voeging wordt gevorderd, aanhangig is in de zin van artikel 222 Rv Pro. Deze zaak is namelijk nog niet ingeschreven en door de griffie van de rechtbank van een rolnummer voorzien.
3.3.
Indien in enig wetsartikel zonder nadere omschrijving sprake is van het aanhangig zijn van een zaak, moet de vraag of in de zin van dat artikel voor aanhangigheid voldoende is dat een dagvaarding is uitgebracht dan wel dat bovendien inschrijving ter rolle is vereist, worden beoordeeld naar de aard en strekking van het desbetreffende artikel waarin de term voorkomt. [1] Artikel 125 Rv Pro bepaalt in algemene zin dat het geding aanhangig is vanaf de dag der dagvaarding. Voor de uitleg van de term aanhangig in artikel 222 Rv Pro is evenwel van belang dat voeging een maatregel van orde is strekkende tot vereenvoudiging van de procesvoering. Omdat de zaak waarmee voeging wordt gevorderd nog niet is ingeschreven en door de griffie van de rechtbank van een rolnummer is voorzien, zou toewijzing van de vordering tot gevolg hebben dat de procesvoering vanuit administratief oogpunt bezien aanzienlijk wordt bemoeilijkt in plaats van vereenvoudigd. Bovendien zou de onderhavige zaak worden vertraagd. Daarnaast kan toewijzing van de voeging in dit stadium het ongewenste effect hebben dat wordt gevoegd met een zaak die uiteindelijk niet aanhangig zal blijken te zijn indien wordt verzuimd het exploit tijdig ter griffie in te dienen. Een redelijke uitleg van het bepaalde in artikel 222 Rv Pro brengt dan ook mee dat voeging slechts kan geschieden met een ter rolle ingeschreven zaak. [2] Gevorderd is deze zaak te voegen met een zaak die nog niet ter rolle is aangebracht, zodat voeging nu niet kan plaatsvinden.
Termijn voor de conclusie van antwoord
3.4.
Vast staat dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] in deze procedure nog geen conclusie van antwoord hebben ingediend, terwijl zij hiertoe wel in de gelegenheid zijn gesteld. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben ervoor gekozen op de rol van 28 januari 2026 in plaats van een conclusie van antwoord, waarvoor de zaak stond, een incidentele vordering in te stellen.
3.5.
Een partij die een proceshandeling in de hoofdzaak moet verrichten, maar in plaats daarvan een incidentele vordering instelt ten aanzien waarvan de wet niet bepaalt dat daarover eerst en vooraf moet worden beslist, loopt het risico loopt dat de rechter oordeelt dat voor dat laatste onvoldoende reden is. [3] In dat geval is de betrokken proceshandeling in hoofdzaak ten onrechte niet verricht. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] zijn er kennelijk vanuit gegaan dat in het geval de incidentele vordering niet wordt toegewezen, de zaak alsnog naar de rol zal worden verwezen voor het nemen van een conclusie van antwoord. [eiser 1] en [eiser 2] lijken in te stemmen met een uitstel voor het nemen van de conclusie van antwoord. De rechtbank zal [gedaagde 1] en [gedaagde 2] dan ook een laatste termijn geven van vier weken voor het alsnog indienen van een conclusie van antwoord en zal de zaak daartoe verwijzen naar de rol van 22 april 2026.
Proceskosten
3.6.
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] zullen in de proceskosten (inclusief nakosten) van het incident worden veroordeeld, omdat uit het voorgaande volgt dat zij dit incident nodeloos hebben veroorzaakt. De rechtbank begroot de proceskosten van [eiser 1] en [eiser 2] op:
- salaris advocaat
614,00
(1 punt × € 614,00)
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
803,00

4.De beslissing

De rechtbank
in het incident
4.1.
wijst de vordering af,
4.2.
veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] in de proceskosten van € 803,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde 1] en [gedaagde 2] niet tijdig aan de veroordeling voldoen en het vonnis daarna wordt betekend
in de hoofdzaak
4.3.
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van
22 april 2026voor conclusie van antwoord,
4.4.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.M. Wamsteker en in het openbaar uitgesproken op 25 maart 2026.
1589

Voetnoten

1.Vgl. Hoge Raad 24 maart 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA5261 r.o. 3.4.
2.Vgl. Hof Arnhem 8 oktober 2002, ECLI:NL:GHARN:2002:AF6691.
3.Vgl. Hoge Raad 12 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ5664.