Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2026:5068

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
6 mei 2026
Publicatiedatum
8 mei 2026
Zaaknummer
11967400 \ CV EXPL 25-7660
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:230l BWRichtlijn 93/13/EEG
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing vordering betaling en toetsing precontractuele informatie en algemene voorwaarden

De eisende partij heeft de gedaagde partij gedagvaard voor betaling van een bedrag van € 2.261,10, vermeerderd met incassokosten, wettelijke rente en proceskosten. De gedaagde heeft de vordering mondeling erkend, waarna de kantonrechter ambtshalve heeft getoetst of aan de precontractuele informatieplichten van artikel 6:230l BW is voldaan en of de toepasselijke algemene voorwaarden oneerlijke bedingen bevatten.

De kantonrechter concludeert dat de eisende partij voldoende heeft onderbouwd dat zij aan de precontractuele informatieplichten heeft voldaan. Tevens zijn de bedingen in de algemene voorwaarden, met name de artikelen 16.4, 16.5 en 16.6, getoetst aan het criterium van oneerlijkheid conform Richtlijn 93/13/EEG en het Dexia-arrest, en zijn deze niet als oneerlijk aangemerkt.

De kantonrechter wijst de vordering toe en veroordeelt de gedaagde tot betaling van het gevorderde bedrag, de wettelijke rente vanaf 11 november 2025, en de proceskosten. Er wordt opgemerkt dat de wet de rechter niet toestaat een betalingsregeling op te leggen, maar de gedaagde kan zelf contact zoeken met de eisende partij om hierover afspraken te maken.

Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en is in het openbaar uitgesproken door kantonrechter M.P.E. Oomens.

Uitkomst: De vordering tot betaling wordt toegewezen en de gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van het bedrag, wettelijke rente en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie
locatie Haarlem
Zaaknr./rolnr.: 11967400 \ CV EXPL 25-7660
Uitspraakdatum: 6 mei 2026
Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:
[eiser] B.V.
te [plaats 1]
de eisende partij
gemachtigde: [gemachtigde]
tegen
[gedaagde]
te [plaats 2]
de gedaagde partij
procederend in persoon

1.De procedure

1.1.
De eisende partij heeft de gedaagde partij gedagvaard. De gedaagde partij heeft de vordering mondeling erkend.

2.De vordering

2.1.
De eisende partij vordert veroordeling van de gedaagde partij tot betaling van € 2.261,10, te vermeerderen met de buitengerechtelijke incassokosten, de wettelijke rente en de proceskosten.

3.De beoordeling

Ambtshalve toetsing van de precontractuele informatieplichten
3.1.
De vordering is gebaseerd op een overeenkomst tussen een handelaar en een consument, anders dan een overeenkomst op afstand of buiten de verkoopruimte gesloten. Bij het sluiten van dergelijke overeenkomsten moet de handelaar voldoen aan de wettelijke precontractuele informatieplichten van artikel 6:230l van het Burgerlijk Wetboek (BW). Dat aan deze plichten is voldaan, moet gemotiveerd worden gesteld en onderbouwd. De kantonrechter moet er ambtshalve op toezien dat die voorschriften worden nageleefd, dus ook als er geen verweer is gevoerd. [1]
3.2.
De kantonrechter is van oordeel dat de eisende partij voldoende heeft toegelicht en onderbouwd dat is voldaan aan de precontractuele informatieplichten.
Ambtshalve toetsing van de algemene voorwaarden
3.3.
De kantonrechter is, gelet op het Dexia-arrest [2] , gehouden om onderzoek te doen naar (mogelijk) oneerlijke bedingen in de toepasselijke algemene voorwaarden. Volgens Richtlijn 93/13/EEG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten is een beding oneerlijk wanneer dit het evenwicht tussen de wederzijdse rechten en verplichtingen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort. De kantonrechter moet in iedere procedure over ieder onderdeel van de vordering beoordelen of daarover in de algemene voorwaarden afspraken zijn gemaakt en of die afspraken al dan niet oneerlijk zijn ten opzichte van de consument. Als de kantonrechter oordeelt dat een contractuele afspraak oneerlijk is, moet het beding worden vernietigd en moet de vordering op dat onderdeel worden afgewezen (ook als de eisende partij in de procedure een beroep doet op wettelijke bepalingen in plaats van op die contractuele afspraak).
3.4.
Uit de overgelegde stukken blijkt dat op de overeenkomst(en) de volgende algemene voorwaarden van de eisende partij van toepassing zijn verklaard:
Algemene Voorwaarden BOVAG Autobedrijven Koop/Reparatie & Onderhoud van november 2024(hierna: de algemene voorwaarden).
3.5.
De bedingen uit de algemene voorwaarden die verband houden met de vordering, te weten de artikelen 16.4, 16.5 en 16.6, zijn door de kantonrechter getoetst en niet oneerlijk bevonden.
Betalingsregeling
3.6.
De wet biedt de kantonrechter niet de mogelijkheid om de eisende partij een betalingsregeling op te leggen. Wel kan de gedaagde partij zelf contact opnemen met de eisende partij om te bezien of het sluiten van een nieuwe betalingsregeling tot de mogelijkheden behoort.
Conclusie en proceskosten
3.7.
De vordering wordt toegewezen, omdat deze de kantonrechter niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt.
3.8.
De gedaagde partij wordt in het ongelijk gesteld en zal daarom in de proceskosten worden veroordeeld.

4.De beslissing

De kantonrechter:
4.1.
veroordeelt de gedaagde partij tot betaling aan de eisende partij van € 2.716,91, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 2.261,10 vanaf 11 november 2025 tot aan de dag van de gehele betaling;
4.2.
veroordeelt de gedaagde partij tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van de eisende partij tot en met vandaag vaststelt op:
dagvaarding € 120,78;
griffierecht € 514,00;
salaris gemachtigde € 253,00;
4.3.
verklaart de veroordeling(en) in dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.P.E. Oomens en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter

Voetnoten

1.Zie, onder meer, het arrest van de Hoge Raad van 12 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1677.
2.HvJ EU 27 januari 2021, C‑229/19 en C‑289/19, ECLI:EU:C:2021:68 (Dexia).