Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2026:5437

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
22 april 2026
Publicatiedatum
15 mei 2026
Zaaknummer
11850796 \ CV EXPL 25-5570
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Tussenuitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:230l BWArt. 6:96 BWArt. 22 RvArt. 139 RvRichtlijn 93/13/EEG
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ambtshalve toetsing precontractuele informatieplichten en incassokostenbeding in consumentenovereenkomst

De eisende partij heeft de gedaagde partij gedagvaard wegens een vordering van €803,33 vermeerderd met incassokosten, wettelijke rente en proceskosten. De gedaagde is niet verschenen, waardoor verstek is verleend.

De kantonrechter heeft ambtshalve getoetst of aan de precontractuele informatieplichten volgens artikel 6:230l BW is voldaan, wat door de eisende partij voldoende is onderbouwd. Vervolgens is het incassokostenbeding in de algemene voorwaarden onderzocht op oneerlijkheid conform Richtlijn 93/13/EEG. Het beding wijkt nadelig af van wettelijke regels, bevat een vaste vergoeding van minimaal 15% en legt kosten direct bij verzuim zonder veertiendagenbrief, wat vermoedelijk oneerlijk is.

De kantonrechter is voornemens dit beding te vernietigen en de vordering tot incassokosten af te wijzen, maar geeft de eisende partij gelegenheid zich hierover uit te laten. Het rentebeding is niet oneerlijk bevonden. De zaak wordt aangehouden tot nadere beslissing na reactie van de eisende partij.

Uitkomst: De kantonrechter oordeelt dat aan de precontractuele informatieplichten is voldaan, maar het incassokostenbeding vermoedelijk oneerlijk is en houdt de zaak aan voor nadere behandeling.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Handel, Kanton en Insolventie
locatie Haarlem
Zaaknr./rolnr.: 11850796 \ CV EXPL 25-5570
Uitspraakdatum: 22 april 2026
Tussenvonnis van de kantonrechter in de zaak van:
[eiser]
te [plaats]
de eisende partij
gemachtigde: [gemachtigde]
tegen
[gedaagde]
te Haarlem
de gedaagde partij
niet verschenen
De procedure
1.1. De eisende partij heeft de gedaagde partij gedagvaard. Tegen de gedaagde partij is verstek verleend.

2.De beoordeling

2.1.
De eisende partij vordert veroordeling van de gedaagde partij tot betaling van € 803,33 te vermeerderen met de buitengerechtelijke incassokosten, de wettelijke rente en de proceskosten.
2.2.
De vordering is gebaseerd op een overeenkomst tussen een handelaar en een consument, anders dan een overeenkomst op afstand of buiten de verkoopruimte gesloten. Bij het sluiten van dergelijke overeenkomsten moet de handelaar voldoen aan de wettelijke precontractuele informatieplichten van artikel 6:230l van het Burgerlijk Wetboek (BW). Dat aan deze plichten is voldaan, moet gemotiveerd worden gesteld en onderbouwd. De kantonrechter moet er ambtshalve op toezien dat die voorschriften worden nageleefd, dus ook als er geen verweer is gevoerd. [1]
Ambtshalve toetsing van de precontractuele informatieplichten
2.3.
De eisende partij heeft voldoende toegelicht en onderbouwd dat is voldaan aan de precontractuele informatieplichten.
Ambtshalve toetsing van de algemene voorwaarden
2.4.
De kantonrechter moet onderzoek doen naar (mogelijk) oneerlijke bedingen in de toepasselijke algemene voorwaarden. [2] Volgens Richtlijn 93/13/EEG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten is een beding oneerlijk wanneer dit het evenwicht tussen de wederzijdse rechten en verplichtingen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort. De kantonrechter moet in iedere procedure over ieder onderdeel van de vordering beoordelen of daarover in de algemene voorwaarden afspraken zijn gemaakt en of die afspraken al dan niet oneerlijk zijn ten opzichte van de consument. Als de kantonrechter oordeelt dat een contractuele afspraak oneerlijk is, moet het beding worden vernietigd en moet de vordering op dat onderdeel worden afgewezen (ook als de eisende partij in de procedure een beroep doet op wettelijke bepalingen in plaats van op die contractuele afspraak).
2.5.
Op de overeenkomst(en) zijn de volgende algemene voorwaarden van de eisende partij van toepassing verklaard: ‘Algemene Voorwaarden Groepstrainingen scholen, bedrijven en verenigingen’ (hierna: de algemene voorwaarden).
2.6.
Artikel 6 van Pro de algemene voorwaarden betreft een rente- en incassokostenbeding. Dat luidt als volgt:
‘6.1 [eiser] brengt de door de opdrachtgever verschuldigde vergoedingen in rekening door middel van een factuur. De opdrachtgever dient het verschuldigde bedrag binnen de gestelde termijn en uiterlijk 1 werkdag voor aanvang van de eerste training te voldoen.6.2 Indien de opdrachtgever niet binnen de overeengekomen termijn betaalt, is hij zonder enige ingebrekestelling in verzuim. Vanaf de vervaldag is [eiser] steeds gerechtigd de wettelijke rente in rekening te brengen. (…)6.3 De opdrachtgever is bij niet tijdige nakoming steeds verplicht aan [eiser] alle in redelijkheid gemaakte gerechtelijke en buitengerechtelijke incassokosten te vergoeden, waaronder steeds zullen zijn begrepen de kosten van incassobureaus, alsmede de in werkelijkheid gemaakte kosten en het loon van deurwaarders en advocaten, ook indien deze de in rechte toe te wijzen proceskosten overschrijden. De buitengerechtelijke incassokosten bedragen tenminste 15% van het door de opdrachtgever verschuldigde bedrag.’
2.7.
In artikel 6 van Pro de algemene voorwaarden wordt ten nadele van de consument afgeweken van het bepaalde in artikel 6:96 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) en het Besluit vergoeding buitengerechtelijke incassokosten. Er wordt immers van uitgegaan dat alle kosten verschuldigd zijn. Daarbij is ook geen maximum opgenomen, wat ertoe leidt dat onbeperkte kosten voor rekening van de consument zouden kunnen komen. Dat zou tot gevolg hebben dat de consument belast wordt met hogere kosten dan wettelijk is toegestaan. Ook is in dit geval de bedongen vergoeding altijd ten minste 15% van de hoofdsom en daarmee hoger dan de wettelijke vergoeding. Tot slot volgt uit de tekst van het beding dat de incassokosten al verschuldigd zijn vanaf het moment van verzuim, terwijl de wettekst voorschrijft dat éérst nog een zogenoemde veertiendagenbrief moet worden verstuurd. Daarom is het beding vermoedelijk oneerlijk.
2.8.
De kantonrechter is voornemens om dit beding te vernietigen en de vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten af te wijzen. De eisende partij zal in de gelegenheid worden gesteld om zich hierover uit te laten.
2.9.
Artikel 6 van Pro de algemene voorwaarden bevat ook een rentebeding. Dat is door de kantonrechter getoetst en niet oneerlijk bevonden.
Conclusie
2.10.
De eisende partij wordt in de gelegenheid gesteld zich bij akte uit te laten over het voorshands uitgesproken oordeel omtrent de oneerlijkheid van het hiervoor genoemde beding.
2.11.
Als aan de hierboven bedoelde opdracht niet of niet volledig wordt voldaan, zal de kantonrechter daaraan op grond van de artikelen 22 en 139 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering de gevolgen verbinden die zij geraden acht.
2.12.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

3.De beslissing

De kantonrechter:
3.1.
verwijst de zaak naar de rol van 20 mei 2026 om de eisende partij in de gelegenheid te stellen zich bij akte uit te laten over het voorshands uitgesproken oordeel zoals hiervoor is overwogen;
3.2.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.P.E. Oomens en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter

Voetnoten

1.Zie, onder meer, het arrest van de Hoge Raad van 12 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1677.
2.HvJ EU 27 januari 2021, C‑229/19 en C‑289/19, ECLI:EU:C:2021:68 (Dexia).