ECLI:NL:RBNHO:2026:5513

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
13 mei 2026
Publicatiedatum
18 mei 2026
Zaaknummer
HAA 24/8015
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5.1 OmgevingswetArt. 11.46 Besluit activiteiten leefomgevingArt. 5:32a AwbArt. 5:35 AwbArt. 5:39 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging bestuursdwang en dwangsom wegens overtreding beschermde rugstreeppad op bouwvelden

Eiseres ontwikkelt een woonwijk in de Bloemendalerpolder te Weesp, waar beschermde rugstreeppadden zijn aangetroffen op bouwvelden. Verweerder legde bestuursdwang en lasten onder dwangsom op vanwege overtredingen van ontheffingsvoorschriften en de Omgevingswet.

De rechtbank oordeelt dat verweerder terecht heeft vastgesteld dat meerdere rugstreeppadden en voortplantingswater aanwezig waren, ondanks betwisting door eiseres. Eiseres heeft werkzaamheden niet volledig stilgelegd en faunaschermen waren niet effectief. De begunstigingstermijn en hoogte van de dwangsom zijn proportioneel en niet te kort of te hoog.

De rechtbank verwerpt alle beroepsgronden van eiseres, waaronder twijfel over aanwezigheid padden en voortplantingswater, de stelling dat werkzaamheden noodzakelijk waren, en het betoog dat eiseres niet als overtreder kan worden aangemerkt. Ook het invorderingsbesluit van de verbeurde dwangsom wordt bevestigd. De beroepen worden ongegrond verklaard en de bestreden besluiten blijven in stand.

Uitkomst: De rechtbank bevestigt bestuursdwang, lasten onder dwangsom en invordering wegens overtredingen op bouwvelden met beschermde rugstreeppadden en verklaart de beroepen ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummers: HAA 24/8015 en 24/8016

uitspraak van de meervoudige kamer van 13 mei 2026 in de zaken tussen

de commanditaire vennootschap
[eiseres] ., uit Amsterdam, eiseres
(gemachtigde: mr. J.C. Ellerman),
en

gedeputeerde staten van Noord-Holland, verweerder

(gemachtigden: ing. J. Benz en mr. F. Sassen).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: de stichting
Stichting Flora & Faunabescherming, uit Weesp, de SFF
(gemachtigden: C.T. de Graaf, voorzitter, en B. de Graaf-Both, secretaris/penningmeester).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de bevestiging van de aan eiseres mondeling opgelegde bestuursdwang, de opgelegde lasten onder dwangsom en het besluit tot invordering van de van rechtswege verbeurde dwangsom. Eiseres is het hiermee niet eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de bestreden besluiten.
1.1
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder mondeling bestuursdwang heeft mogen toepassen en bevestigen, de lasten onder dwangsom heeft mogen opleggen en de van rechtswege verbeurde dwangsom heeft mogen invorderen. Eiseres krijgt dus geen gelijk en de beroepen zijn ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot de bestreden besluiten. De bespreking van de beroepsgronden door de rechtbank volgt vanaf 4. Daarbij gaat de rechtbank eerst in op de vraag of sprake is van een overtreding vanwege de aanwezigheid van de beschermede rugstreeppad op de bouwvelden. Onder 5 bespreekt de rechtbank of sprake is van een overtreding vanwege de aanwezigheid van voortplantingswater. Daarna gaat de rechtbank onder 6 in op de stelling van eiseres dat zij wel de werkzaamheden tijdig heeft stilgelegd. Onder 7 komt de begunstigingtermijn aan de orde en onder 8 komt de hoogte van de dwangsom aan de orde en onder 9 de belangenafweging. Onder 10 komt aan de orde of verweerder terecht in de preventieve last heeft gesteld dat een klaarblijkelijk gevaar voor een overtreding aanwezig was. Daarna bespreekt de rechtbank het invorderingsbesluit. Onder 11 komt de vraag aan de orde of de redelijke termijn door verweerder is overschreden en onder 12 of sprake is van een overtreding van de last die tot het verbeuren van een dwangsom heeft geleid. Tot slot bespreekt de rechtbank onder 13 of eiseres is aan te merken als overtreder en onder 14 of sprake is van bijzondere feiten en omstandigheden die moeten leiden tot het afzien van gehele of gedeeltelijke invordering. Aan het eind staan de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.

Procesverloop

Ten aanzien van 24/8015
2.1
In een besluit van 14 mei 2024 (last 1) heeft verweerder het mondelinge besluit tot het aanzeggen van een last onder bestuursdwang bevestigd en een last onder dwangsom opgelegd voor bouwveld 5B1, Bloemendalerpolder in Weesp. Eiseres heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.
2.2
In het bestreden besluit I van 30 oktober 2024 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.
2.3
Eiseres heeft hiertegen beroep ingesteld.
Ten aanzien van 24/8016
2.4
In een besluit van 15 mei 2024 (last 2) heeft verweerder een last onder dwangsom opgelegd voor de bouwvelden 5A2, 5A3, 5C1 (m.u.v. het aanwezige gronddepot), en 2B3 (m.u.v. de noordoosthoek) in de Bloemendalerpolder in Weesp. Eiseres heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.
2.5
In het bestreden besluit II van 30 oktober 2024 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.
2.6
Eiseres heeft ook hiertegen beroep ingesteld.
Het invorderingsbesluit
2.7
Op 3 juni 2025 heeft verweerder besloten om tot invordering van de verbeurde dwangsom van € 100.000,- over te gaan in verband met een overtreding op bouwveld 5C1 van de opgelegde last onder dwangsom van 15 mei 2024. Op grond van artikel 5:39, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht heeft het beroep tegen bestreden besluit II mede betrekking op het besluit van 3 juni 2025.
In beide beroepen
2.8
Verweerder heeft op 6 juni 2025 een verweerschrift ingediend voor de beroepen tegen beide besluiten op bezwaar.
2.9
Verweerder heeft op 3 maart 2026 een verweerschrift ingediend over de invordering.
2.1
Op 5 maart 2026 heeft de rechtbank partijen geïnformeerd dat de SFF als derde-partij wordt aangemerkt.
2.11
Op 10 maart 2026 heeft de SFF schriftelijk op de beroepen gereageerd.
2.12
De rechtbank heeft de beroepen op 16 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen namens eiseres: de gemachtigde van eiseres, [naam 1] , projectdirecteur, en [naam 2] , ecoloog van Witteveen+Bos. Namens verweerder waren aanwezig: de gemachtigden van verweerder, [naam 3] , ecologisch adviseur, en [naam 4] , inspecteur. Namens de SFF waren aanwezig: de gemachtigden van de SFF.

Beoordeling door de rechtbank

De feiten en omstandigheden die hebben geleid tot de bestreden besluiten
3.1
Eiseres realiseert in de Bloemendalerpolder in Weesp een woonwijk met 2.750 woningen met bijbehorende voorzieningen. Het project is onderverdeeld in een aantal bouwvelden en fasen waarin de werkzaamheden plaatsvinden.
3.2
Omdat de Bloemendalerpolder het leefgebied is van verschillende beschermde diersoorten heeft verweerder aan eiseres voor het project verschillende ontheffingen verleend van een aantal verbodsbepalingen in de Wet natuurbescherming, waaronder een ontheffing van 1 november 2017 die laatstelijk op 11 juli 2022 is verlengd tot 30 september 2027. De ontheffingen zien onder meer op het afvangen en het verstoren van exemplaren van de beschermde diersoorten heikikker, rugstreeppad, platte schijfhoorn, hermelijn, wezel en ringslang en het vernielen van hun leefgebied.
3.3
Tijdens een zitting bij de rechtbank Noord-Holland op 15 april 2024 heeft de SFF aangegeven dat zij rugstreeppadden afvangt op de bouwvelden omdat de faunaschermen van de bouwvelden niet meer gesloten zijn. Dit zou een overtreding van voorschriften van de ontheffing van 1 november 2017 en de veegontheffing van 31 juli 2019 zijn. Na afloop van de zitting heeft de SFF mondeling een handhavingsverzoek gedaan bij verweerder.
3.4
Verweerder heeft diverse controles op de bouwvelden van eiseres uitgevoerd. Op 26 april 2024 heeft een dronevlucht in het gebied plaatsgevonden om de faunaschermen te bekijken. Op 1 mei 2024 hebben een toezichthouder en ecoloog van verweerder in de avond het terrein betreden om te controleren op de aanwezigheid van de rugstreeppad. Van deze bevindingen is een controlerapport opgesteld. Hieruit blijkt (samengevat) dat op meerdere bouwvelden koorzang van meerdere rugstreeppadden is waargenomen, dat twee exemplaren van de rugstreeppadden zijn gezien en dat voortplantingswater voor de rugstreeppadden in alle bouwvelden aanwezig is. Ook is gezien dat de bouwvelden niet gecompartimenteerd waren ten opzichte van elkaar.
3.5
Eiseres is hiervan op 2 mei 2024 op de hoogte gesteld en haar is verzocht om aan te geven hoe dit opgelost zal worden. Daarbij is aangegeven dat verweerder, indien de werkzaamheden onverkort doorgaan, genoodzaakt is om handhavend op te treden.
3.6
Eiseres heeft op 3 mei 2024 aangegeven de bevindingen van de toezichthouders in twijfel te trekken, dat de faunaschermen wel functioneren en de rugstreeppadden in de bouwvelden zijn afgevangen. Eiseres heeft wel aangegeven dat de werkzaamheden op een aantal bouwvelden (5A2, 5A3, 5C1 en 2B3) voorlopig worden stilgelegd, met uitzondering van de noordoosthoek van 2B3 en 5B1. Op die locaties zijn schermen neergezet en worden de rugstreeppadden afgevangen.
3.7
Verweerder heeft voor bouwveld 5B1 per e-mail op 3 mei 2024 aangegeven dat de voorgestelde werkwijze van eiseres om af te vangen niet mogelijk is omdat de rugstreeppadden al in het gebied aanwezig zijn en daar ook voortplantingswater aanwezig is. In voorschrift 30 van de ontheffing van 1 november 2017 is opgenomen dat gewerkt moet worden volgens het ecologisch werkprotocol, waarin het uitgangspunt is dat de dieren worden afgevangen voordat de dieren zich in het voortplantingswater bevinden. Ook staat in het kennisdocument van BIJ12 dat de beste periode voor het afvangen van de rugstreeppad van maart tot en met mei is en altijd voor de afzet van de eitjes. Tot slot heeft verweerder erop gewezen dat de ontheffing van 1 november 2017 niet ziet op het afvangen en uitzetten van eieren van de rugstreeppad.
3.8
Toezichthouders van verweerder hebben vervolgens op 3, 6 en 7 mei 2024 geconstateerd dat bouwveld 5B1 na de eerste controle is geëgaliseerd en faunaschermen zijn geplaatst. Ook is gebleken dat vangemmers zijn ingegraven en dat eiseres is begonnen met afvangen. Verder is op 3 mei 2024 gezien dat er sinds 2 mei 2024 werkzaamheden hebben plaatsgevonden in bouwveld 5A2. Op 6 mei 2024 zijn op de bouwvelden 5A2 en 5C1 verse rijsporen aangetroffen en een plek waar grond was verschoven. Deze bevindingen zijn opgenomen in controlerapporten van 3 mei 2024 en 6 mei 2024. Tot slot is op 7 mei 2024 gezien dat een graafmachine aan het werk was op bouwveld 2B3 en op 8 mei 2024 zijn ook werkzaamheden op die plek gezien.
3.9
Gelet op het voorgaande heeft verweerder op 8 mei 2024 telefonisch aan eiseres een last onder bestuursdwang opgelegd inhoudende dat de werkzaamheden op bouwveld 5B1 onmiddellijk worden stilgelegd en dat op de door eiseres aangegeven wijze niet wordt afgevangen. De emmers moeten worden afgesloten of verwijderd.
3.1
Toezichthouders hebben op 9 mei 2024 een controle uitgevoerd op bouwveld 5B1 en geconstateerd dat er open afvangemmers in het bouwveld staan. Ook is de aanwezigheid van geschikt voortplantingswater bevestigd. Hiervan is een controlerapport opgesteld.
3.11
Verweerder heeft op 9 mei 2024 per e-mail aangegeven dat voortplantingswater binnen de schermen van bouwveld 5B1 aanwezig is en dat de vangemmers moeten worden gesloten. Op 10 mei 2024 heeft verweerder per mail aangegeven dat een toezichthouder komt controleren of de vangemmers dicht zijn. Uit het controlerapport van 10 mei 2024 blijkt dat alle vangemmers zijn afgesloten.
3.12
In het besluit van 14 mei 2024 heeft verweerder de op 8 mei 2024 mondeling opgelegde last onder bestuursdwang bevestigd en een last onder dwangsom opgelegd inhoudende dat op bouwveld 5B1 geen werkzaamheden uitgevoerd mogen worden die in strijd zijn met de verleende ontheffingen. Dit wordt als volgt gemotiveerd. Tijdens een controle op 1 mei 2024 is geconstateerd dat op de bouwvelden 5A2, 5A3, 5B1, 5C1 en 2B3 voortplantingswater en landhabitat voor de rugstreeppadden aanwezig is. Ook is koorzang gehoord. De toezichthouders zijn op het geluid afgelopen, zodat zij konden nagaan waar de padden zich bevonden. Op basis hiervan is vast komen te staan dat meerdere exemplaren van de rugstreeppad in de bouwvelden aanwezig waren. De bouwvelden waren niet gecompartimenteerd ten opzichte van elkaar. Vervolgens hebben toezichthouders geconstateerd dat op bouwveld 5B1 na de toezegging van eiseres wel werkzaamheden zijn uitgevoerd. Er is met meerdere kranen in het gebied gewerkt, er zijn gaten gedicht, er is geëgaliseerd en een sloot is gedempt. Op 7 en 8 mei 2024 heeft een toezichthouder geconstateerd dat emmers langs de schermen zijn geplaatst en er werd afgevangen, ondanks dat zich binnen de schermen nog steeds voortplantingswater bevond. Ook is het bouwveld niet gecompartimenteerd en zijn er geen vangkruizen geplaatst. Er is sprake van overtreding van de voorschriften 23 en 30 van de ontheffing van 1 november 2017. Ook handelt eiseres in strijd met artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de Omgevingswet, gelezen in samenhang met artikel 11.46, eerste lid, aanhef en onder a, b en c, van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) omdat rugstreeppadden opzettelijk zullen worden gedood en verstoord en eitjes van de rugstreeppad worden vernield. Ook worden voortplantingsplaatsen van de rugstreeppad vernield, wat strijd oplevert met artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de Omgevingswet en artikel 11.46, eerste lid, aanhef en onder d, van het Bal. Tot slot is in voorschrift 29 voorgeschreven dat wanneer exemplaren van de rugstreeppad worden aangetroffen binnen het scherm, de werkzaamheden direct worden stilgelegd. Ook dit is niet gebeurd, zodat sprake is van een overtreding.
Er zijn geen bijzondere omstandigheden die ertoe nopen om van handhaving af te zien. Omdat ten tijde van het mondeling opleggen van de last werkzaamheden zijn uitgevoerd die een onomkeerbaar effect hebben, niet van enige onevenredigheid is gebleken en geen sprake is van een concreet zicht op legalisatie is de mondelinge bestuursdwang terecht opgelegd en wordt die last bevestigd. Gezien de onomkeerbare effecten en het feit dat eiseres een zeer groot belang heeft bij voortzetting van de werkzaamheden, wordt ook een last onder dwangsom opgelegd ter voorkoming van een verdere overtreding. Als wordt geconstateerd dat niet aan de last wordt voldaan, is eiseres een dwangsom verschuldigd van € 100.000,- per overtreding met een maximum van € 300.000,-. De opgelegde last vangt aan een dag na de datum van verzending.
3.13
In het besluit van 15 mei 2024 heeft verweerder voor de bouwvelden 5A2, 5C1 (met uitzondering van het aanwezige gronddepot) en 2B3 (met uitzondering van de noordoosthoek) een last onder dwangsom opgelegd om herhaling van de overtreding te voorkomen. Er is geconstateerd dat werkzaamheden zijn uitgevoerd, nadat eiseres de toezegging had gedaan dat de werkzaamheden voorlopig stilgelegd worden. Voor bouwveld 5A3 heeft verweerder een preventieve last opgelegd om overtreding te voorkomen.
Tijdens een controle op 1 mei 2024 is geconstateerd dat in de bouwvelden 5A2, 5A3, 5B1, 5C1 en 2B3 voortplantingswater en landhabitat voor de rugstreeppadden aanwezig is en meerdere exemplaren van de rugstreeppad aanwezig waren. De bouwvelden waren niet gecompartimenteerd ten opzichte van elkaar. In een mail van 3 mei 2024 heeft eiseres aangegeven dat de werkzaamheden in bouwvelden 2B3, 5C1 en 5A2 voorlopig worden stilgelegd en op 5 mei 2024 is aangegeven dat de werkzaamheden op 5A3 ook voorlopig worden stilgelegd. Er is sprake van overtreding van de voorschriften 23 en 30 van de ontheffing van 1 november 2017 indien werkzaamheden in de gebieden plaatsvinden of wordt afgevangen. Ook handelt eiseres in strijd met artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de Omgevingswet, gelezen in samenhang met artikel 11.46, eerste lid, aanhef en onder a, b en c, van het Bal omdat rugstreeppadden opzettelijk zullen worden gedood en verstoord en eitjes van de rugstreeppad worden vernield. Ook worden voortplantingsplaatsen van de rugstreeppad vernield, wat strijd oplevert met artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de Omgevingswet en artikel 11.46, eerste lid, aanhef en onder d, van het Bal. Tot slot is in voorschrift 29 voorgeschreven dat wanneer exemplaren van de rugstreeppad worden aangetroffen binnen het scherm, de werkzaamheden direct worden stilgelegd. Ook dit is niet gebeurd zodat sprake is van een overtreding.
Er zijn geen bijzondere omstandigheden die ertoe nopen om van handhaving af te zien. Na de voortplantingsperiode kunnen de rugstreeppadden conform de ontheffing uit de bouwvelden afgevangen worden. Als wordt geconstateerd dat niet aan de last wordt voldaan, is eiseres een dwangsom verschuldigd van € 100.000,- per overtreding met een maximum van € 300.000,-. De opgelegde last vangt aan een dag na de datum van verzending.
3.14
In het bestreden besluit I heeft verweerder het bezwaar van eiseres gericht tegen de last van 14 mei 2024 conform het advies van de bezwaaradviescommissie ongegrond verklaard. Ter verduidelijking van de mondeling opgelegde last onder bestuursdwang en de opgelegde last onder dwangsom geeft verweerder de volgende aanvullende motivering. Op 8 mei 2024 is telefonisch bestuursdwang aangezegd voor het stilleggen van de werkzaamheden en het staken van het afvangen. Omdat het afvangen toen niet is gestaakt, heeft verweerder aangekondigd de aangezegde bestuursdwang ten uitvoer te leggen en zelf de afvangemmers te gaan afsluiten en verwijderen. Na de aankondiging heeft eiseres op 10 mei 2024 zelf alsnog de emmers afgesloten. Hierdoor is tegemoetgekomen aan de mondeling opgelegde last onder bestuursdwang en is die uitgewerkt. Daarna is in het besluit van 14 mei 2024 deze mondelinge last onder bestuursdwang bevestigd en alsnog een last onder dwangsom opgelegd om te voorkomen dat werkzaamheden op het bouwveld uitgevoerd worden.
3.15
In het bestreden besluit II heeft verweerder het bezwaar van eiseres gericht tegen de last van 15 mei 2024 conform het advies van de bezwaaradviescommissie ongegrond verklaard. Ter verduidelijking van de last onder dwangsom geeft verweerder de volgende aanvullende motivering. Eiseres heeft op 3 mei 2024 aangegeven dat de werkzaamheden worden stilgelegd. Uit het controlerapport blijkt dat de toezichthouder op 3 mei 2024 heeft geconstateerd dat op bouwveld 5A2 werkzaamheden hebben plaatsgevonden. Op 6 mei 2024 constateerde de toezichthouder op bouwveld 5C1 verse rijsporen en een plek waar grond was verschoven. Op 7 mei 2024 werd geconstateerd dat een graafmachine aan het werk was binnen bouwveld 2B3 en op 8 mei 2024 werden in dat bouwveld ook werkzaamheden verricht. Voor de bouwvelden 5A2, 5C1 en 2B3 betreft het een reguliere last onder dwangsom om herhaling van de eerdere overtreding te voorkomen.
Voor bouwveld 5A3 betreft het een preventieve last onder dwangsom ter voorkoming van een overtreding. Verweerder achtte het gevaar voor een overtreding klaarblijkelijk aanwezig gelet op de werkzaamheden bij de andere bouwvelden na de gedane toezegging dat er geen werkzaamheden meer plaats zouden vinden.
3.16
Tijdens een controle op 17 mei 2024 hebben toezichthouders geconstateerd dat op bouwveld 5C1 twee kranen en enkele andere voertuigen bezig waren met werkzaamheden. Drie vrachtwagens losten naast het gronddepot een zand-kiezelmengsel en een kraan verspreidde het geloste zand-kiezelmengsel op bouwveld 5C1. Dat betekent dat een dwangsom van € 100.000,- van rechtswege is verbeurd. Op 21 mei 2024 heeft verweerder eiseres geïnformeerd dat een dwangsom is verbeurd.
3.17
Omdat eiseres binnen de door verweerder gegeven termijn de verbeurde dwangsom niet heeft betaald, gaat verweerder op 3 juni 2025 over tot invordering.

Beroepsgronden ten aanzien van beide bestreden besluiten op bezwaar

Aanwezigheid rugstreeppadden
4.1
Eiseres voert ten aanzien van beide bestreden besluiten allereerst aan dat geen sprake is van een overtreding omdat verweerder ten onrechte uit de verklaring dat koorzang is waargenomen in de bouwvelden 5A2, 5A3, 5B1, 5C1 en 2B3 afleidt dat daar ook rugstreeppadden zijn. Uit de op ambtseed opgestelde controlerapporten blijkt alleen dat koorzang is waargenomen. Dat er ook daadwerkelijk rugstreeppadden waren, berust niet op eigen waarneming van de toezichthouders. De bouwvelden zijn daarna door ecologen van eiseres gecontroleerd in de periode 13 tot en met 26 mei 2024 en toen kwam de koorzang niet uit het bouwveld 5B1, maar uit het naastgelegen gebied buiten de faunaschermen. Het is onaannemelijk dat de rugstreeppadden een week eerder wel op die bouwvelden aanwezig waren.
4.2
De rechtbank is van oordeel dat verweerder inzichtelijk heeft gemotiveerd waarom uit de waarnemingen van de ecoloog en toezichthouder, zoals die blijken uit het controlerapport van 1 mei 2024, is afgeleid dat meerdere rugstreeppadden binnen de bouwvelden 5A2, 5A3, 5B1, 5C1 en 2B3 aanwezig waren. Allereerst heeft de SFF bij verweerder op 15 april 2024 de melding gedaan dat in de bouwvelden van eiseres door de SFF rugstreeppadden zijn aangetroffen en afgevangen. Naar aanleiding hiervan zijn de toezichthouders van verweerder op 1 mei 2024 naar de bouwvelden van eiseres gegaan. Uit het controlerapport van 1 mei 2024 blijkt dat de toezichthouders op verschillende bouwvelden op het geluid van koorzang van meerdere padden zijn afgelopen tot ze ernaast stonden. Op die manier konden zij precies nagaan waar de rugstreeppadden zich bevonden. Daarnaast zijn twee padden ook gezien en gefotografeerd in de bouwvelden 2B3 en 5A3. Ook is geconstateerd dat in de bouwvelden plekken met begroeiing aanwezig waren die een goede habitat vormen voor de padden. Uiteindelijk is door de toezichthouder en ecoloog van verweerder op deze wijze vastgesteld dat meerdere rugstreeppadden aanwezig waren in de bouwvelden 5B1, 5C1, 5A2, 5A3 en 2B3. Op basis van voorgaande bevindingen heeft verweerder zich in het verweerschrift naar aanleiding van deze beroepsgrond in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat voor het vaststellen van de aanwezigheid van de padden in de bouwvelden niet is vereist dat door de toezichthouder en ecoloog op alle bouwvelden meerdere padden moeten zijn gezien.
4.3
De rechtbank is voorts van oordeel dat de door de ecologen van eiseres (van Witteveen+Bos en idverde Advies) uitgevoerde veldbezoeken in de periode 13 tot en met 26 mei 2024 en hun conclusie dat zij geen rugstreeppadden hebben waargenomen in de bouwvelden, niet de conclusie rechtvaardigen dat aan de constateringen van de toezichthouder en ecoloog op 1 mei 2024 getwijfeld moet worden. Allereerst hebben die veldbezoeken alleen plaatsgevonden op de bouwvelden 5B1 en 2B3. Voorts kunnen deze veldbezoeken van de ecologen van eiseres ruim twee weken later weinig zeggen over de situatie op alle bouwvelden op 1 mei 2024. Daarbij komt dat in de tussenliggende periode verschillende werkzaamheden op de bouwvelden hebben plaatsgevonden, waaronder het dichtgooien van sloten, en dat de bouwvelden ook gecompartimenteerd zijn.
4.4
Tot slot heeft verweerder bij het verweerschrift een ‘memo tussenstand afvangen’ van 27 oktober 2024 overgelegd. Hieruit blijkt onder meer dat in bouwveld 5B1 tussen 6 augustus en 15 oktober 2024 meer dan 3.500 exemplaren juveniele en volwassen rugstreeppadden zijn afgevangen. Op bouwveld 5A2 zijn meer dan 350 rugstreeppadden en op bouwveld 5A3 en 5A4 meer dan 140 rugstreeppadden afgevangen. Hoewel dit memo dateert van na de lasten, bevestigt dit volgens verweerder dat de rugstreeppad in de voortplantingsperiode in deze bouwvelden aanwezig was. In reactie hierop heeft eiseres ter zitting gesteld dat in juni 2024 een grote regenbui de schermen heeft aangetast, waardoor die tijdelijk niet sluitend waren en de later afgevangen padden toen in de bouwvelden terecht zijn gekomen. Deze stelling van eiseres is niet onderbouwd.
Aanwezigheid voortplantingswater
5.1
Eiseres voert ten aanzien van beide bestreden besluiten aan dat geen voortplantingswater aanwezig was op de bouwvelden. Op de bouwvelden waren wel waterpartijen aanwezig, maar deze zijn te diep of hebben een steile oever en zijn dus ontoegankelijk voor de rugstreeppad. Wel zijn er ook regenplassen aanwezig, waarin de rugstreeppad theoretisch gezien zich kan voortplanten. Deze plassen zijn echter door de ecologen van eiseres gecontroleerd en zij hebben geen tekenen van voortplanting gezien. Verweerder heeft deze controle niet uitgevoerd en kan daarom ook niet aantonen dat er wel voortplanting is binnen de bouwvelden. Tot slot heeft eiseres een eDNA-onderzoek uit laten voeren waaruit blijkt dat er geen rugstreeppadden in het water binnen bouwveld 5B1 en 2B3 aanwezig zijn of zijn geweest.
5.2
De rechtbank is van oordeel dat verweerder uit de controlerapporten van 1, 3 tot 8 mei en 9 mei 2024 heeft kunnen afleiden dat zich op bouwvelden 2B3, 5C1, 5A2, 5A3 en 5B1 geschikt voortplantingswater voor de rugstreeppad bevond en dat daarom de zeer reële kans aanwezig was dat de aangetroffen rugstreeppadden zich hier voortplantten. In deze controlerapporten is immers door de toezichthouder en ecoloog van verweerder geconstateerd dat op alle bouwvelden geschikt voortplantingswater aanwezig was in de vorm van sloten en plassen met flauwe oevers. Deze bevindingen zijn onderbouwd met foto’s.
5.3
De veldbezoeken van de ecologen van Witteveen+Bos en van idverde Advies leiden niet tot het oordeel dat aan deze conclusies van de toezichthouder van verweerder getwijfeld moet worden. Allereerst heeft het veldbezoek van Witteveen+Bos alleen betrekking op de bouwvelden 5B1 en 2B3 en dat van idverde Advies alleen op bouwveld 5B1. Deze veldbezoeken zeggen dus niets over de aanwezigheid van voortplantingswater op de overige bouwvelden. Daarnaast hebben de veldbezoeken van Witteveen+Bos plaatsgevonden in de periode 13 tot en met 26 mei 2024 en het veldbezoek van idverde Advies op 23 mei 2024, oftewel een geruime tijd na de constateringen van de toezichthouder en ecoloog van verweerder. In de tussenliggende periode hebben werkzaamheden op de bouwvelden plaatsgevonden, zoals het dichtgooien van sloten. Tot slot heeft Witteveen+Bos in haar rapport geconstateerd dat op bouwveld 5B1 een kleine poel en een droogvallende sloot aanwezig waren, die beiden wel geschikt zijn als voortplantingswater. Ook in het rapport van idverde Advies staat dat de aanwezige ondiepe poelen en gegraven watergangen met flauwe oevers en ondiep water in bouwveld 5B1 in potentie wel geschikt zijn als voortplantingswater.
5.4
Ook het eDNA-onderzoek van Datura van 20 juni 2024 leidt niet tot het oordeel dat aan de constateringen van de toezichthouder en ecoloog van verweerder getwijfeld moet worden. Uit dit onderzoek blijkt weliswaar dat van de acht geteste locaties binnen de bouwvelden, alleen op bouwveld 2B3 DNA van rugstreeppadden in het water is aangetroffen. Verweerder heeft daar echter het ‘memo tussenstand afvangen’ tegenover gesteld, waaruit blijkt dat in alle bouwvelden tussen 6 augustus en 15 oktober 2024 juveniele padden zijn aangetroffen, die dus in de periode daarvoor zijn geboren. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Stilleggen werkzaamheden
6.1
Eiseres voert ten aanzien van beide bestreden besluiten aan dat verweerder ten onrechte stelt dat eiseres de werkzaamheden niet heeft stilgelegd. Allereerst is in de lasten niet vermeld welke werkzaamheden moesten worden stilgelegd. Ook heeft eiseres de voorbereidende werkzaamheden voor de bouw wel gestaakt. Eiseres moest alleen wel nog enige werkzaamheden verrichten om de bouwvelden veilig achter te laten, zoals gaten dichten en het egaliseren van delen van de bouwvelden.
6.2
In reactie op deze beroepsgrond verwijst verweerder naar de controlerapporten van 3 tot en met 8 mei 2024. De toezichthouders van verweerder hebben geconstateerd dat op de locaties 5A2, 5A3 en 5B3 grootschalige werkzaamheden aan het zandbed en de voorbelasting van de bouwvelden zijn uitgevoerd. Op bouwveld 5B1 is door de toezichthouders geconstateerd dat door eiseres is geëgaliseerd, faunaschermen zijn geplaatst en dat eiseres is begonnen met afvangen. Ondanks de toezeggingen van eiseres op 2 en 3 mei 2024 hebben in de bouwvelden dus wel werkzaamheden plaatsgevonden. Eiseres had, indien die werkzaamheden inderdaad nodig waren voor de veiligheid, hierover contact kunnen opnemen met verweerder om de situatie voor te leggen en aan te geven welke werkzaamheden precies nodig zijn. Dat heeft eiseres niet gedaan, aldus verweerder. De rechtbank volgt deze uitleg. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Begunstigingstermijn
7.1
Eiseres voert ten aanzien van beide bestreden besluiten aan dat de begunstigingstermijn te kort was. Eiseres heeft vanwege het verschil van mening over de feiten voorgesteld om in de bouwvelden af te spreken om de feitelijke situatie gezamenlijk vast te stellen. Verweerder was niet bereid om de situatie ter plekke te bekijken en overleg te voeren. Eiseres heeft voorgesteld om de bouwvelden (deels) met faunaschermen te compartimenteren en binnen die schermen af te vangen. Vanwege de geconstateerde aanwezigheid van voortplantingswater is verweerder daarmee niet akkoord gegaan. Pas op 14 mei 2024 is verweerder deels akkoord gegaan met een door eiseres voorgestelde werkwijze van 12 mei 2024 over bouwveld 5B1.
7.2
Verweerder stelt zich op het standpunt dat de gegeven begunstigingstermijn van één dag niet te kort is. Uit de wetsgeschiedenis en de jurisprudentie volgt dat de termijn gedurende welke een last kan worden uitgevoerd zonder dat een dwangsom wordt verbeurd, door het bestuursorgaan zo kort mogelijk moet worden gesteld. Aangezien het hier het stoppen met het uitvoeren van werkzaamheden betreft, is een korte termijn mogelijk. Eiseres heeft niet aangegeven, noch onderbouwd dat de termijn te kort was en niet gevraagd om verlenging van de termijn.
7.3
De rechtbank ziet in het licht van deze uitleg geen grond voor het oordeel dat de begunstigingstermijn te kort was. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Hoogte dwangsom
8.1
Eiseres voert ten aanzien van beide bestreden besluiten aan dat de hoogte van de dwangsom ten onrechte is gebaseerd op de hoogte van de koopprijzen van de woningen. Er is geen direct verband tussen de werkzaamheden, de gestelde overtreding en het gestelde financiële voordeel dat eiseres daarmee zou behalen.
8.2
Verweerder heeft gereageerd als volgt. Uit vaste jurisprudentie [1] volgt dat het opleggen van een last onder dwangsom ten doel heeft de overtreder te bewegen tot naleving van de voor hem geldende regels. Om dit doel te bereiken kan de hoogte van het bedrag worden afgestemd op het financiële voordeel dat een overtreder kan verwachten bij het niet naleven van deze regels. Van de dwangsom moet een zodanige prikkel uitgaan, dat de opgelegde last wordt uitgevoerd zonder dat een dwangsom wordt verbeurd. Omdat het in dit geval gaat om bouwvelden, waar per bouwveld een groot aantal woningen op gebouwd zullen worden, moet er een voldoende financiële prikkel tegenover staan om het ‘afkopen’ van de dwangsom te voorkomen. Volgens verweerder is de hoogte van de dwangsom dan ook evenredig.
8.3
Dat geen sprake zou zijn van een direct verband tussen de werkzaamheden op de bouwvelden en de koopprijzen van de woningen die op die bouwvelden gebouwd zullen worden, ziet de rechtbank niet. Door vertraging van de bouw van de woningen lijdt eiseres financieel nadeel. Dat blijkt ook uit de volgende beroepsgrond. De hoogte van de dwangsom acht de rechtbank gelet hierop niet onevenredig. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Belangenafweging
9.1
Eiseres voert ten aanzien van beide bestreden besluiten aan dat het groot maatschappelijk belang van de bouw van woningen niet terugkomt in de belangenafweging. Verweerder heeft enkel gekeken naar de financiële belangen. Het opleggen van de last heeft een grote impact gehad op de logistieke operatie. Het is niet mogelijk om op gebieden waar drijfzand is ontstaan direct de werkzaamheden stil te leggen. Ook zijn (nuts)bedrijven bij de werkzaamheden betrokken die ook niet direct kunnen stoppen en die vervolgens op een later moment weer moeilijk opnieuw zijn in te plannen.
9.2
Verweerder is zich blijkens het verweerschrift bewust van de impact van de bestreden besluiten, maar eiseres had de lasten onder dwangsom kunnen voorkomen als tijdig alle noodzakelijke maatregelen waren genomen om de beschermde rugstreeppad uit de afgeschermde bouwvelden te weren, de bouwvelden te monitoren dan wel tijdig (na de winterrust maar voor de voortplantingsperiode) af te vangen.
9.3
De rechtbank ziet ook in het licht van verweerders standpunt niet in hoe het maatschappelijk belang dat is gediend bij de bouw van nieuwe woningen betrokken had kunnen worden bij een belangenafweging en hoe daar doorslaggevende betekenis aan toegekend had kunnen worden ten koste van de beschermde rugstreeppad. De werkzaamheden op de bouwvelden zijn ook alleen tijdelijk stilgelegd. Deze beroepsgrond slaagt niet.

Ten aanzien van de preventieve last voor bouwveld 5A3

10.1
Eiseres voert ten aanzien van deze preventieve last onder dwangsom aan dat geen sprake was van geschikt voortplantingswater en dat dus ook geen sprake was van klaarblijkelijk gevaar voor een overtreding. Er is door eiseres verzocht om eerst overleg te hebben met verweerder in het bouwveld.
10.2
Verweerder stelt zich op het standpunt dat op meerdere momenten werkzaamheden hebben plaatsgevonden ondanks dat toezeggingen waren gedaan om de werkzaamheden stil te leggen. Verweerder heeft het standpunt zoals samengevat onder rechtsoverweging 6.2 hier ook ingenomen.
10.3
De rechtbank is van oordeel dat verweerder voldoende heeft gemotiveerd dat sprake was van een klaarblijkelijk gevaar voor een overtreding op bouwveld 5A3. De rechtbank heeft hiervoor onder rechtsoverweging 5.2 al geconcludeerd dat verweerder uit de controlerapporten heeft kunnen afleiden dat op bouwveld 5A3 geschikt voortplantingswater voor de rugstreeppad aanwezig was. Nu op dit bouwveld 5A3 nog geen overtreding had plaatsgevonden en gelet op de eerdere mededeling van eiseres dat de werkzaamheden voorlopig zouden worden stilgelegd in combinatie met de constatering dat op enkele andere bouwvelden toch werkzaamheden werden uitgevoerd, kon verweerder concluderen dat een gevaar van een overtreding ook voor bouwveld 5A3 klaarblijkelijk dreigde. Deze beroepsgrond slaagt niet.

Ten aanzien van het invorderingsbesluit

Redelijke termijn overschreden
11.1
Eiseres voert aan dat verweerder buiten de redelijke termijn het invorderingsbesluit heeft genomen. Pas op 3 juni 2025 is gereageerd op de zienswijze van eiseres op het
voornemen tot invordering van 21 mei 2024. Eiseres mocht er daarom gerechtvaardigd op
vertrouwen dat, gelet op het zeer lange tijdsverloop, van het voornemen van 21 mei
2024 werd afgezien. Eiseres stelt een duidelijk belang te hebben bij rechtszekerheid.
11.2
De rechtbank stelt allereerst vast dat ter zitting is gebleken dat partijen het erover eens zijn dat geen sprake is van verjaring. Daarnaast geldt geen andere redelijke termijn voor de invordering van de last onder dwangsom. Van overschrijding van een dergelijke termijn is dus geen sprake.
Het vertrouwensbeginsel kan voorts pas aan een invordering van een verbeurde dwangsom in de weg staan als een concrete, ondubbelzinnige toezegging is gedaan door het bevoegd gezag die een rechtens te honoreren verwachting heeft gewekt dat niet zal worden ingevorderd. Daarvan is hier geen sprake. Enkel tijdsverloop leidt niet tot een dergelijk gewekt vertrouwen. Gelet op het voorgaande is de rechtszekerheid van eiseres niet in het geding. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Geen overtreding?
12.1
Eiseres stelt dat geen sprake is van overtreding van de last onder dwangsom van 15 mei 2024. Allereerst is geen sprake van ‘werkzaamheden op de bouwvelden’. De uitgevoerde werkzaamheden vonden plaats op de toekomstige waterplas tussen bouwvelden 2B3 en 5C1, oftewel op een locatie waar geen woningbouw zal plaatsvinden. Ook blijkt niet dat er daadwerkelijk gelost werd. Dit blijkt niet uit de foto’s in het controlerapport van 17 mei 2024 en in het controlerapport staat alleen dat naast het depot is gelost. De dronebeelden zijn niet overgelegd en kunnen daarom niet als grondslag voor de besluitvorming dienen. Ten slotte zijn de werkzaamheden uitgevoerd voor het naastgelegen bouwplan 2B3 (noordoosthoek), waarvoor geen bouwstop was opgelegd. Ook daarom is geen sprake geweest van een overtreding.
12.2
Verweerder heeft op deze beroepsgrond gereageerd als volgt. Uit de luchtfoto’s in het controlerapport van 17 mei 2024 blijkt dat de bouwvelden op dat moment een grote zandvlakte waren. Er is geen onderscheid tussen locaties waar woningbouw of andere voorzieningen (zoals een watergang) worden gerealiseerd. Verder blijkt uit het controlerapport dat de toezichthouders hebben gezien dat op bouwveld 5C1 werkzaamheden plaatsvonden met twee kranen en enkele andere voertuigen. Ook is door de toezichthouders gezien dat drie vrachtwagens menggranulaat naast het gronddepot losten. Ook in het midden van bouwveld 5C1 loste een vrachtwagen menggranulaat. Door werkzaamheden op bouwveld 5C1 uit te voeren is sprake van een overtreding en of die werkzaamheden plaatsvonden ten behoeve van de noordoosthoek van bouwveld 2B3 doet niet ter zake. De dronebeelden zijn gemaakt door de toezichthouders. De bevindingen zijn vastgelegd in het controlerapport. De foto’s zijn afkomstig uit de beelden van de dronevlucht en moeten in combinatie gezien worden met de weergave van de bevindingen die zijn vastgelegd in het controlerapport. Het is volgens verweerder niet noodzakelijk om de beelden over te leggen aan eiseres om als grondslag te kunnen dienen voor de besluitvorming.
12.3
De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich op voorgaand standpunt heeft mogen stellen. Uit het controlerapport van 17 mei 2024 blijkt afdoende dat een overtreding van de last van 15 mei 2024 heeft plaatsgevonden op bouwveld 5C1. De beroepsgrond slaagt niet.
Is eiseres de overtreder?
13.1
Eiseres voert aan dat zij niet is aan te merken als overtreder. Een onderaannemer van een van de bouwers heeft namelijk de vrachtwagens met menggranulaat gelost. Volgens
eiseres is slechts sprake van een overtreder bij plegen of medeplegen.
13.2
De rechtbank is met verweerder van oordeel dat eiseres als overtreder kan worden beschouwd. Uit vaste jurisprudentie [2] volgt dat een rechtspersoon als functioneel dader kan worden aangemerkt als de overtreding redelijkerwijs aan haar kan worden toegerekend. Uitgangspunt is dat indien de overtreding heeft plaatsgevonden in de sfeer van de rechtspersoon, deze aan haar toegerekend kan worden. Een van de omstandigheden waardoor geconcludeerd kan worden dat de overtreding heeft plaatsgevonden in de sfeer van de rechtspersoon is als voldaan is aan de criteria van beschikkingsmacht en aanvaarding. [3] Voor de aanvaarding is relevant of de rechtspersoon de feitelijke gang van zaken heeft aanvaard of placht te aanvaarden.
13.3
Verweerder legt uit dat eiseres de eigenaar is van bouwveld 5C1 en op 17 mei 2024 was dit bouwveld nog niet bouw- en woonrijp en nog niet overgedragen aan de aannemer(s). Dat betekent dat het in de macht/invloedssfeer van eiseres lag om wel of geen werkzaamheden op het bouwveld te laten uitvoeren. Het was de verantwoordelijkheid van eiseres om alle partijen die werkzaamheden uit wilden voeren op de last te wijzen en de werkzaamheden stil te leggen. Eiseres had de overtreding ook kunnen voorkomen door bijvoorbeeld te controleren op de bouwvelden of de werkzaamheden daadwerkelijk waren stilgelegd. Door dit achterwege te laten heeft eiseres de overtreding aanvaard en zij kan daarom als overtreder van de last van 15 mei 2024 worden aangemerkt. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Is sprake van bijzondere omstandigheden?
14.1
Eiseres voert aan dat de last onduidelijk is en dat dit een bijzondere omstandigheid is die rechtvaardigt om van invordering af te zien. Als geoordeeld wordt dat de last voldoende duidelijk was, dan had het dwangsombedrag gematigd moeten worden. De overtreding is beperkter dan waarvoor de last aanvankelijk is opgelegd. De werkzaamheden zijn namelijk uitgevoerd voor de realisatie van bouwveld 2B3 (noordoosthoek) waarvoor geen last onder dwangsom is opgelegd en vonden plaats buiten bouwveld 5C1. Op die plek wordt uiteindelijk water gerealiseerd en geen woningen, zodat er ook geen financieel voordeel door eiseres is behaald. Ook is eiseres nadien gestopt zodat er geen andere dwangsommen zijn verbeurd. Tot slot dient daarbij te worden berokken dat aan eiseres geen mogelijkheid is geboden tot het indienen van een zienswijze en dat de beslistermijn met een jaar is overschreden. Verweerder had daarom niet het volledige bedrag moeten invorderen.
14.2
De rechtbank overweegt dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat geen sprake is van bijzondere omstandigheden. Uit de last van 15 mei 2024 volgt dat op bouwveld 5C1 geen werkzaamheden uitgevoerd mochten worden. Ook is hiervoor al overwogen dat eiseres de overtreder is. Eiseres mocht er niet gerechtvaardigd op vertrouwen dat van invordering zou worden afgezien. Dat er na de werkzaamheden waar de verbeuring op ziet, geen verdere werkzaamheden hebben plaatsgevonden en geen andere dwangsommen zijn verbeurd, is geen reden tot matiging. Tot slot heeft de rechtbank hiervoor al overwogen dat de hoogte van de dwangsom niet onevenredig is. Deze beroepsgrond faalt.

Conclusie en gevolgen

15. Uit het voorgaande volgt dat de beroepen ongegrond zijn. De bestreden besluiten waarbij de lasten van 14 en 15 mei 2024 zijn gehandhaafd en het invorderingsbesluit blijven dus in stand.
16. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep 24/8015 ongegrond;
  • verklaart het beroep 24/8016 ongegrond;
  • verklaart het beroep gericht tegen het invorderingsbesluit van 3 juni 2025 ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Janse van Mantgem, voorzitter, mr. drs. J. de Vries en mr. drs. B. Veenman, leden, in aanwezigheid van mr. A.W. Martens, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 13 mei 2026.
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage

Omgevingswet
Artikel 5.1
(…)
2. Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten te verrichten:
(…)
g. een flora- en fauna-activiteit,
voor zover het gaat om een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen geval.
Besluit activiteiten leefomgeving
Artikel 11.46
1. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten, geldt voor:
a. het in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk doden of opzettelijk vangen van in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onder a, bij de habitatrichtlijn, bijlage II bij het verdrag van Bern of bijlage I bij het verdrag van Bonn;
b. het opzettelijk verstoren van dieren als bedoeld onder a;
c. het in de natuur opzettelijk vernielen of rapen van eieren van dieren als bedoeld onder a;
d. het beschadigen of vernielen van de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld onder a; en
(…)
Algemene wet bestuursrecht
Artikel 5:32a
1. De last onder dwangsom omschrijft de te nemen herstelmaatregelen.
2. Bij een last onder dwangsom die strekt tot het ongedaan maken van een overtreding of het voorkomen van verdere overtreding, wordt een termijn gesteld gedurende welke de overtreder de last kan uitvoeren zonder dat een dwangsom wordt verbeurd.
Artikel 5:35
1. In afwijking van artikel 4:104, eerste lid, verjaart de rechtsvordering tot betaling van een verbeurde dwangsom door verloop van een jaar na de dag waarop zij is verbeurd.
2. Indien op de dag waarop de rechtsvordering verjaart, bezwaar, beroep of hoger beroep openstaat of aanhangig is tegen de last onder dwangsom, wordt de verjaringstermijn verlengd tot onherroepelijk op het bezwaar, beroep of hoger beroep is beslist.
Artikel 5:39
1. Het bezwaar, beroep of hoger beroep tegen de last onder dwangsom heeft mede betrekking op een beschikking die strekt tot invordering van de dwangsom, voor zover de belanghebbende deze beschikking betwist.
2. De bestuursrechter kan de beslissing op het beroep of hoger beroep tegen de beschikking tot invordering echter verwijzen naar een ander orgaan, indien behandeling door dit orgaan gewenst is.
3. In beroep of hoger beroep legt de belanghebbende zo mogelijk een afschrift over van de beschikking die hij betwist.
4. Het eerste tot en met het derde lid zijn van overeenkomstige toepassing op een verzoek om voorlopige voorziening.
Uit de ontheffing van 1 november 2017
Voorschrift 23:
Bij de planning van de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de kwetsbare periode van de rugstreeppad,
b. Rugstreeppad;
- voortplantingsperiode: april tot en met juli;
- winterrustperiode: oktober tot en met maart;
Afhankelijk van het seizoen en de weersomstandigheden kan deze periode langer dan wel korter zijn. De geschiktheid van de periode voor het uitvoeren van werkzaamheden dient te worden bepaald door een deskundige op het gebied van de rugstreeppad.
Voorschrift 29:
Wanneer exemplaren van de rugstreeppad in het projectgebied (binnen het scherm) worden aangetroffen, worden de werkzaamheden binnen het betreffende scherm direct stilgelegd en:
Worden de aangetroffen exemplaren van de soort afgevangen en vervoerd naar een geschikte locatie buiten de invloedsfeer van de werkzaamheden en;
Worden conform het ecologisch werkprotocol emmers of andere inloopvallen geplaatst om overige exemplaren af te vangen;
Worden de werkzaamheden pas hervat wanneer er na minimaal 5 aaneengesloten dagen en onder gunstig weersomstandigheden geen exemplaren van de soort meer zijn aangetroffen;
Worden na het eindigen van de afvangrondes de emmers of andere inloopvallen direct op dezelfde dag verwijderd dan wel afgesloten om onnodig inlopen en sterfte van andere soorten te voorkomen
Worden bij het verwijderen van de emmers of andere inloopballen de gaten in de bodem weer gesloten.
Voorschrift 30:
Bij het afvangen van amfibieën in geschikt landbiotoop dient te worden gewerkt conform de methode zoals is beschreven in het ecologisch werkprotocol en is bijgevoegd bij de ontheffing van 1 november 2017.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 25 oktober 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3954.
2.Zie het Drijfmest-arrest van de Hoge Raad van 21 oktober 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF7938.
3.Zie het IJzerdraad-arrest van de Hoge Raad van 23 februari 1954, ECLI:NL:HR:1954:3.