Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2026:5993

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
13 mei 2026
Publicatiedatum
27 mei 2026
Zaaknummer
C/15/367899 / HA ZA 25-438
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:212 BWArt. 6:228 BWArt. 6:248 lid 2 BWArt. 6:258 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geldigheid en nakoming clausule overwaarde woning na echtscheiding

Partijen zijn na hun echtscheiding overeengekomen dat de waarde van de aan de vrouw toebedeelde woning uiterlijk op 1 oktober 2024 door een taxateur wordt vastgesteld, waarna de meerwaarde boven € 240.000,00 gelijk wordt verdeeld. De man vordert nakoming van deze clausule, terwijl de vrouw stelt dat de clausule door een notariële akte is komen te vervallen en beroept zich op dwaling, ongerechtvaardigde verrijking, redelijkheid en billijkheid en rechtsverwerking.

De rechtbank stelt vast dat de clausule geldig is en niet door de kwijting in de notariële akte is komen te vervallen. De vrouw heeft onvoldoende onderbouwd dat sprake is van dwaling, onvoorziene omstandigheden of onaanvaardbaarheid naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid. Ook het beroep op ongerechtvaardigde verrijking en rechtsverwerking faalt.

De vrouw wordt veroordeeld tot nakoming van de clausule, waaronder het meewerken aan een bindende taxatie door een door partijen aan te wijzen taxateur en het betalen van de helft van de meerwaarde binnen vier maanden na taxatie, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 1 oktober 2024. De gevorderde dwangsom wordt toegewezen en de proceskosten worden gecompenseerd.

Uitkomst: De clausule is geldig en de vrouw wordt veroordeeld tot nakoming, waaronder medewerking aan taxatie en betaling van de helft van de meerwaarde.

Uitspraak

RECHTBANK Noord-Holland

Civiel recht
Zittingsplaats Haarlem
Zaaknummer: C/15/367899 / HA ZA 25-438
Vonnis van 13 mei 2026
in de zaak van
[eiser],
te [plaats 1],
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [eiser],
advocaat: mr. N.P.O. Ruysch,
tegen
[gedaagde],
te [plaats 1],
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [gedaagde],
advocaat: mr. F.R. Menso.
De zaak in het kort
Deze zaak gaat over de geldigheid van een clausule die partijen rond hun echtscheiding zijn overeengekomen. Die clausule houdt in dat uiterlijk op 1 oktober 2024 een door partijen aan te wijzen taxateur de waarde van de in 2015 aan [gedaagde] toebedeelde woning zal vaststellen, waarna partijen het deel van de waarde hoger dan € 240.000,00 bij helfte zullen delen. [eiser] vordert [gedaagde] te veroordelen om mee te werken aan een taxatie en om [eiser] de helft van de hogere waarde te betalen. [gedaagde] stelt dat de clausule geen werking meer heeft omdat partijen elkaar later in een notariële akte kwijting hebben verleend. Voor het geval de rechtbank anders oordeelt, stelt [gedaagde] vorderingen in tot ontbinding, vernietiging of wijziging van de clausule. Zij beroept zich op dwaling, ongerechtvaardigde verrijking, de redelijkheid en billijkheid en rechtsverwerking. De rechtbank oordeelt dat de clausule geldig is en dat de verweren van [gedaagde] falen. [gedaagde] wordt veroordeeld tot nakoming van de clausule. Zij moet meewerken aan taxatie en moet [eiser] de helft van de (eventuele) meerwaarde betalen.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 14 januari 2026
- de akte houdende verduidelijking eis in (voorwaardelijke) reconventie, tevens overlegging producties met producties 1 t/m 5b van [gedaagde]
- drie aanvullende stukken van de kant van [gedaagde]
- de akte II houdende aanvulling eis in (voorwaardelijke) reconventie van [gedaagde]
- de mondelinge behandeling van 3 april 2026 waarbij namens [eiser] en [gedaagde] spreekaantekeningen zijn voorgedragen en overgelegd en waarvan voor het overige door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.Feiten

2.1.
Partijen zijn op 20 mei 1999 in algehele gemeenschap van goederen met elkaar gehuwd. Uit de relatie zijn twee kinderen geboren.
2.2.
Partijen waren gezamenlijk eigenaar van de woning gelegen aan de [adres] in [plaats 1] (hierna: ‘de woning’).
2.3.
Na beëindiging van de relatie hebben partijen na een mediationtraject op 24 september 2014 een echtscheidingsconvenant getekend (hierna: het convenant). In het convenant hebben partijen onder meer afspraken gemaakt over de verdeling van de huwelijksgemeenschap. Gezamenlijk doel van partijen was dat de destijds nog minderjarige kinderen met [gedaagde] in de woning konden blijven wonen. In overleg met de mediator van partijen is een constructie bedacht waardoor dit financieel mogelijk was.
2.4.
In artikel 3.2. van het convenant staat (samengevat) het volgende. De onderhandse waarde van de woning wordt vastgesteld op € 240.000,00. Voor die waarde wordt de woning toegedeeld aan [gedaagde] onder de verplichting de hypothecaire leningen te voldoen als eigen schulden met uitsluiting van [eiser]. Met artikel 3.5. hebben partijen opdracht gegeven aan een notariskantoor, om zo mogelijk binnen één maand na inschrijving van de echtscheidingsbeschikking, een notariële akte te verlijden waarbij de woning aan [gedaagde] geleverd zou worden. In artikel 3.7. is vastgesteld dat [gedaagde] door de overeengekomen verdeling van de woning wordt overbedeeld. Partijen hebben het bedrag van deze overbedeling vastgesteld op € 81.016,00. Vanwege een kleine overbedeling bij de verdeling van andere bestanddelen hebben partijen in artikel 5.1. van het convenant vastgelegd dat [gedaagde] in totaal € 83.766,00 aan [eiser] verschuldigd is.
2.5.
In artikel 2.1. van het convenant staat dat [eiser] de partneralimentatie onvoorwaardelijk afkoopt door storting van een afkoopsom van € 83.766,00 bruto en dat deze afkoopsom betaald zal worden door verrekening met het bedrag dat [gedaagde] op grond van artikel 5.1 aan [eiser] verschuldigd is. Verder is in het convenant opgenomen dat er geen pensioenverevening zal plaatsvinden van het door [eiser] opgebouwde pensioen.
2.6.
Op 24 september 2014 hebben partijen ook een clausule getekend met de aanduiding ‘Clausule overwaarde [adres] te [plaats 1] inzake echtscheiding’ (hierna: de clausule). Daarin zijn partijen overeengekomen dat een mogelijke overwaarde op de woning tien jaar later alsnog bij helfte zou worden verdeeld. De mediator heeft partijen gezegd dat deze afspraak om fiscale redenen niet in het convenant kon worden opgenomen. Partijen hebben de tekst van de clausule overeenkomstig een suggestie van de mediator zelf op schrift gesteld.
2.7.
De clausule luidt als volgt:
De woning aan de [adres] te [plaats 1] wordt door partijen op datum ondertekening convenant gewaardeerd op € 240.000. Uiterlijk op1 oktober 2024wordt de waarde van het pand door een door partijen, in gezamenlijk overleg, aan te wijzen taxateur vastgesteld. Indien de waarde van de woning gestegen is ten opzichte van de huidige waarde dan wordt de meerwaarde 50% - 50% gedeeld tussen partijen. De te betalen schenkingsrechten worden ook 50% - 50% door partijen betaald. Indien de woning binnen een periode van 10 jaar verkocht wordt dan geldt bovenstaande regeling voor het verkoopbedrag. Indien de verkoopsom substantieel afwijkt van de WOZ waarde wordt op kosten van partijen, in gezamenlijk overleg, een taxateur aangesteld om de waarde van het pand te bepalen. Waardevermeerdering aan de woning ontstaan door een substantiële verbouwing ineens van minimaal € 25.000 wordt niet verrekend en komt geheel ten goede aan vrouw[rechtbank: [gedaagde]]
, tenzij de verbouwing als afgeschreven kan worden beschouwd. Bij voorbeeld: vijf jaar voor datum verkoop heeft plaatsgevonden. Dit geldt niet voor de kosten van het normale onderhoud.
Getekend te [plaats 1] op woensdag 24 september 2014
Behorende bij echtscheidingsconvenant van [gedaagde] en [eiser].
Daaronder is met de hand de volgende tekst geschreven:
Met een verhoging van € 300 euro netto.
[plaats 2], 24 september 2014
Voor accoord
[gedaagde]
[handtekening]
[eiser] [handtekening]
Voor gezien en akkoord
2.8.
Bij beschikking van 29 oktober 2014 heeft deze rechtbank tussen partijen de echtscheiding uitgesproken. Daarbij heeft de rechtbank (onder meer) bepaald dat het convenant deel uitmaakt van de echtscheidingsbeschikking en dat [eiser] de alimentatie afkoopt door storting van een afkoopsom van € 83.766,00 op de datum van de overdracht van de echtelijke woning aan [gedaagde], maar uiterlijk 30 december 2024. De echtscheidingsbeschikking is op 12 november 2014 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
2.9.
Vanwege vertraging in de toedeling van de woning hebben partijen in een door hen op 1 maart 2015 getekend document aanvullende afspraken op het echtscheidingsconvenant gemaakt. In het document staat dat [eiser] op 30 december 2024 het door hem verschuldigde bedrag van € 83.766,00 schuldig is gebleven, dat hij over dit bedrag vanaf 30 december 214 een rente verschuldigd is van 1,5% per jaar en dat het verschuldigde bedrag en de rente op de datum van de overdracht van de woning ineens worden voldaan.
2.10.
Op 20 maart 2015 is bij de notaris de akte van verdeling gepasseerd. Daarbij is de woning aan [gedaagde] toegedeeld onder de verplichting de hypotheekschuld voor haar rekening te nemen en wegens overbedeling aan [eiser] € 83.766,00 te voldoen. Onder “OVERNAME SCHULD/BETALING” staat in de akte (voor zover van belang):
(…)
2 - Blijkens het convenant is het door verkrijgerrechtbank: [gedaagde]]
aan vervreemder[rechtbank: [eiser]]
verschuldigde bedrag voldaan door middel van verrekening met de door vervreemder aan verkrijger te betalen partneralimentatie en afkoop pensioenrechten.
-
Het door de verkrijger aan de vervreemder verschuldigde bedrag wordt verrekend met de openstaande schuld op basis van de schuldigerkenning in december twee duizend veertien, welke blijkt uit de in maart twee duizend vijftien getekende overeenkomst, bij partijen genoegzaam bekend. (…)
Partijen verlenen elkaar hiervoor over en weer kwijting en decharge.
In de slotverklaringen verklaren partijen elkaar over en weer kwijting en décharge te verlenen met betrekking tot de verdeling van de in akte genoemde gemeenschappelijke goederen en overige gemeenschappelijke goederen.
2.11.
In een brief van 23 januari 2024 heeft [eiser] aan [gedaagde] verzocht tot nakoming van de clausule bij het convenant door haar medewerking te verlenen aan het verstrekken van een opdracht tot taxatie van de woning en daarna de helft van de waardestijging aan [eiser] te betalen. [gedaagde] heeft haar medewerking geweigerd.

3.Het geschil

in conventie
3.1.
[eiser] vordert (samengevat), voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. [gedaagde] te veroordelen tot nakoming van het addendum, wat inhoudt dat zij haar directe, onvoorwaardelijke en voortvarende medewerking moet verlenen aan het voor gezamenlijke rekening laten verrichten van een bindende taxatie van de woning tegen de waardebepalingsdatum 1 oktober 2024 door een NVM- of NWWI-taxateur die door de rechtbank wordt aangewezen;
II. op straffe van een dwangsom van € 500,- voor iedere dag dat [gedaagde] niet meewerkt aan de taxatie;
III. [gedaagde] te veroordelen tot nakoming van het addendum, wat inhoudt dat zij de helft van het verschil tussen enerzijds de getaxeerde waarde en anderzijds het bedrag van € 240.000,- aan [eiser] moet betalen, binnen één maand na taxatie, althans binnen een termijn als door de rechtbank te bepalen;
IV. [gedaagde] te veroordelen aan [eiser] de wettelijke rente te betalen over het volgens III aan [eiser] toekomende bedrag berekend vanaf 1 oktober 2024, althans vanaf een door de rechtbank te bepalen datum;
V. [gedaagde] te veroordelen in de door [eiser] gemaakte buitengerechtelijke kosten, te bepalen op € 3.630,- inclusief btw;
VI. [gedaagde] te veroordelen in de (na)kosten van deze procedure, te vermeerderen met wettelijke rente als zij niet binnen veertien dagen worden voldaan.
3.2.
[eiser] voert aan dat [gedaagde] gehouden is tot nakoming van de bij het convenant horende clausule. De clausule is opgesteld om [gedaagde] in staat te stellen met de minderjarige kinderen in de woning te blijven wonen. De afspraak om het bedrag van overbedeling te verrekenen met afkoop van alimentatieverplichtingen was ongunstig voor hem. Door de verrekening kreeg hij geen liquide middelen die hij bij verkoop wel zou hebben. Ook was op voorhand niet duidelijk dat hij in een situatie – zonder afkoop – over de volledige periode partneralimentatie zou moeten betalen. Ook waren er aanzienlijke fiscale nadelen voor hem. Om die reden hebben partijen nadere afspraken gemaakt. Dit zagen zij als een win-win: [gedaagde] kon blijven wonen en ook met de belangen van [eiser] werd rekening gehouden. [gedaagde] was het er volledig mee eens. Zij heeft de afspraken zelf geprint en meegenomen naar de ondertekening. Gezien de partijbedoelingen maakt de clausule onlosmakelijk deel uit van het convenant. Uit niets blijkt dat partijen op een later moment zijn teruggekomen van deze afspraak. De afspraken in de clausule moeten daarom onverminderd worden nagekomen.
3.3.
[gedaagde] concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eiser]. Zij zegt dat zij niet meer precies weet wat de bedoeling was van de door de mediator opgestelde tekst van de clausule. Het was echter zeker niet de bedoeling dat [eiser] zou blijven meedelen. Zij had er geen enkel belang bij [eiser] twee keer te laten meedelen in de overwaarde, zonder dat hij daar iets voor hoefde te doen. [gedaagde] voert aan dat de notariële akte leidend is en dat partijen elkaar daarin kwijting en decharge hebben verleend met betrekking tot de verdeling van de gemeenschappelijke goederen. Zowel in de notariële akte als in het convenant is geen melding gemaakt van de clausule. De notariële akte levert dwingend bewijs op en geldt als een finale regeling tussen partijen omdat eerdere onderhandse afspraken niet worden genoemd of overgenomen. [gedaagde] wilde niet dat [eiser] na het passeren van de notariële akte nog aanspraken zou hebben en het was haar bedoeling om met de notariële akte definitief af te rekenen. [gedaagde] beroept zich ook op rechtsverwerking, omdat zij niet had hoeven te verwachten dat [eiser] na al die tijd zijn aanspraken geldig zou maken.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
in (voorwaardelijke) reconventie
3.5.
Voor zover de rechtbank tot het oordeel komt dat de clausule nog steeds gelding heeft vordert [gedaagde] (samengevat):
I. de clausule te ontbinden, zodanig dat partijen over en weer niets meer van elkaar te vorderen hebben;
II. de clausule te vernietigen op grond van dwaling;
III. de clausule te wijzigen op grond van artikel 6:248 lid 2 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW), waarbij de vorderingen van [eiser] voortvloeiende uit deze clausule buiten toepassing worden verklaard dan wel worden gematigd tot nihil;
IV. de clausule te wijzigen zodanig dat voor zover [eiser] een vordering heeft deze sterk wordt gematigd en waarbij [eiser] wordt veroordeeld om met terugwerkende kracht aan [gedaagde] een bijdrage bij helfte te leveren in de zakelijke lasten, onderhoudskosten en renovatiekosten die zij voor de woning vanaf 20 maart 2015 heeft voldaan, welke kosten vooralsnog worden begroot op € 139.083,00 en waarbij aanvullend ook rekening wordt gehouden met het risico dat [gedaagde] heeft gelopen;
V. een zodanige beslissing als de rechtbank in goede justitie juist acht;
VI. [eiser] te veroordelen in de door [gedaagde] in redelijkheid gemaakte buitengerechtelijke kosten, te bepalen op € 3.630,- inclusief btw.
3.6.
[gedaagde] voert het volgende aan. De omstandigheden die destijds bepalend waren voor de inhoud van de clausule zijn daarna zodanig gewijzigd dat ongewijzigde handhaving van de overeenkomst onredelijk zou zijn. Partijen hadden nooit kunnen bevroeden dat de huizenprijzen zodanig zouden stijgen dat effectuering van de clausule ertoe zou leiden dat [gedaagde] haar huis moet verkopen. [gedaagde] heeft ook gedwaald. Zij mocht aannemen dat zij na het passeren van de notariële akte van verdeling geen verplichtingen meer had. Als zij had geweten dat de clausule tegen haar zou worden ingeroepen, zou zij deze nooit hebben aanvaard. Daarnaast is het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar dat [eiser] aanspraak kan maken op een volledige winstverdeling terwijl hij de afgelopen jaren geen enkele bijdrage heeft geleverd aan de kosten van de woning en [gedaagde] ontzettend hard heeft gewerkt om te komen waar ze nu is. [gedaagde] beroept zich verder op rechtsverwerking, omdat zij niet had hoeven te verwachten dat [eiser] zijn aanspraken geldend zou maken nadat partijen bij de notaris expliciet hadden verklaard dat zij niets meer van elkaar te vorderen hadden. Als [eiser] aanspraak kan maken op de helft van de overwaarde dan moet hij met terugwerkende kracht bijdragen in de netto zakelijke lasten, onderhoud en verbouwingskosten. Indien [eiser] zonder een bijdrage aan de lasten zou profiteren van een waardestijging dan is sprake van ongerechtvaardigde verrijking.
3.7.
[eiser] voert verweer. Hij betoogt dat de clausule de regeling tussen partijen finaliseerde en maakte dat [gedaagde] in de woning kon blijven, hoewel zij [eiser] eigenlijk niet kon uitkopen. De clausule gaf balans tussen partijen. [gedaagde] kon in de woning blijven met de overwaarde intact. Voor [eiser] verviel de mogelijkheid dat de alimentatie voortijdig eindigde. Ook leverde hij aanzienlijke fiscale voordelen in. [gedaagde] kan niet stellen dat de inhoud van de clausule destijds aan haar voorbij is gegaan. Zij heeft zelf handgeschreven toegevoegd dat de aan [eiser] te betalen overwaarde werd verhoogd met € 300,- omdat [eiser] langer zou meebetalen aan de aflossing vanwege vertraging in de notariële levering van de woning. Ook dat onderschrijft dat bij ondertekening van het convenant en de clausule werd geanticipeerd op de toedeling en volstrekt niet aan de orde was dat de clausule door de akte van verdeling zou komen te vervallen. Aan de voorwaarden voor een beroep op onvoorziene omstandigheden wordt niet voldaan. De afspraak is onderdeel van een meeromvattende constructie en eerder heeft een rechtbank al geoordeeld dat een langjarige gemiddelde waardestijging geen onvoorziene omstandigheid is. [gedaagde] heeft verder onvoldoende gesteld om tot het oordeel te komen dat toepassing van de afspraak naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. De afspraak is de uitkomst van een uitvoerig traject waarbij partijen professioneel geadviseerd zijn. Daarbij komt dat bij herfinanciering door [gedaagde] nog steeds sprake zal zijn van relatief lage woonlasten. Van rechtsverwerking is geen sprake. [eiser] heeft geen afstand gedaan van rechten. Omdat de eis in reconventie eigenlijk het karakter heeft van een verweer in conventie, had [gedaagde] deze vordering niet hoeven instellen. Daarom moet [gedaagde] in de kosten worden veroordeeld.
3.8.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

in conventie en in reconventie
4.1.
Gelet op de samenhang tussen de vorderingen in conventie en de vorderingen in reconventie zal de rechtbank deze vorderingen gezamenlijk beoordelen.
Uitleg van de clausule
4.2.
[eiser] vordert nakoming door [gedaagde] van de bij het convenant behorende clausule. [gedaagde] betwist niet dat zij deze clausule heeft getekend. Zij zegt wel dat zij zich niet meer herinnert wat de bedoeling van deze clausule was, maar dat het zeker niet de bedoeling van partijen was dat [eiser] nog zou meedelen in waardestijgingen van de woning.
4.3.
De uitleg van de afspraken in de clausule kan niet plaatsvinden op grond van alleen maar een zuiver taalkundige uitleg. Het komt aan op de zin die partijen over en weer redelijkerwijs aan elkaars wilsuitingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten, waarbij rekening moet worden gehouden met alle omstandigheden van het geval, gewaardeerd naar hetgeen de maatstaven van redelijkheid en billijkheid meebrengen. [1]
4.4.
Omdat de afspraken die in de clausule zijn vastgelegd tijdens mediation tot stand zijn gekomen – en partijen in dat kader voor geheimhouding hebben getekend – hebben partijen in deze procedure niet concreet kunnen aangeven wat zij voor het tekenen van de clausule nu met elkaar besproken hebben. Duidelijk is echter dat partijen in de clausule afspraken hebben gemaakt die bedoeld waren om te gelden naast de afspraken die zijn vastgelegd in het convenant. De clausule die door beide partijen is ondertekend is op dezelfde dag als het convenant getekend en vermeldt dat deze hoort bij het convenant.
4.5.
Waar [gedaagde] aangeeft dat het niet de bedoeling was dat [eiser] nog aanspraak kon maken op een deel van een waardestijging van de woning, volgt dit wel uit de tekst van de afspraken. Als hiervoor aangegeven kan de uitleg van de afspraken niet plaatsvinden op grond van alleen maar een zuiver taalkundige uitleg, maar bij het ontbreken van informatie over wat partijen besproken hebben, is hetgeen partijen hebben opgeschreven een belangrijke aanwijzing om tot een juiste uitleg te komen. Daarbij overweegt de rechtbank dat [gedaagde] niet heeft aangegeven wat partijen anders bedoelden dan uit de tekst volgt (zij geeft aan dat zij dat niet meer weet). Ook heeft zij geen omstandigheden aangevoerd die maken dat zij – bij de tekst van de clausule – mocht verwachten dat [eiser] niet zou meedelen in de waardestijging van de woning tot 2024. Zij draagt weliswaar aan dat een dergelijke uitleg logisch is omdat [eiser] niet meer investeerde in de woning, maar daartegenover heeft [eiser] onderbouwd naar voren gebracht dat de in het convenant neergelegde afspraak van verrekening van alimentatie met de overbedeling van [gedaagde] voor hem aanzienlijke nadelen had die maakten dat hij zonder nadere afspraak over verdeling van waardestijgingen niet wilde instemmen.
4.6.
[gedaagde] voert daarnaast aan dat de clausule onduidelijk, onvolledig en onwerkzaam is, omdat bijvoorbeeld niet was geregeld tot hoever de werking precies strekte en wat dit voor gevolgen zou hebben voor de geldigheid van het convenant en de notariële akte. Ook dit verweer faalt. Door [gedaagde] is onvoldoende onderbouwd waar die onduidelijkheid in schuilt. Naar het oordeel van de rechtbank is in de clausule concreet bepaald wat de rechten en plichten van partijen zijn en is duidelijk vermeld hoe en wanneer aan de clausule uitvoering moet worden gegeven. Dat de clausule een zeker risico met zich meebrengt, omdat in 2014 nog niet bekend was of de woning in waarde zou stijgen en tegen welk bedrag, maakt op zichzelf niet dat de clausule onduidelijk is en onuitvoerbaar.
4.7.
Bij die omstandigheden legt de rechtbank de afspraken in de clausule zo uit dat partijen zijn overeengekomen dat een eventuele stijging van de waarde van de woning op (uiterlijk) 1 oktober 2024 ten opzichte van de in 2014 door partijen overeengekomen waarde tussen partijen gelijk wordt gedeeld.
De clausule is niet door kwijting vervallen
4.8.
[gedaagde] voert daarna als meest verstrekkend verweer dat de clausule is komen te vervallen omdat partijen elkaar in de notariële akte van verdeling kwijting en decharge hebben verleend en daarom niets meer van elkaar te vorderen hebben. [eiser] betwist dit. [eiser] betoogt dat met de notariële akte van levering enkel uitvoering is gegeven aan de afspraken uit het convenant en de bijbehorende clausule.
4.9.
De rechtbank oordeelt dat de afspraak uit de clausule niet is komen te vervallen doordat partijen elkaar in de notariële akte finale kwijting hebben verleend en overweegt daartoe het volgende.
4.10.
Partijen discussiëren over de betekenis van de in de notariële akte opgenomen bepaling over kwijting in relatie tot de eerder tussen partijen overeengekomen clausule. Deze bepalingen moeten opnieuw worden uitgelegd aan de hand van de Haviltex-maatstaf. [2] Bij deze uitleg gaat het – als gezegd – niet alleen om de taalkundige uitleg van de tekst, maar (ook) op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. De rechtbank moet beoordelen of partijen met de finale kwijting in de akte van verdeling hebben bedoeld dat de afspraak uit de clausule is komen te vervallen. De rechtbank komt tot het oordeel dat dat niet het geval is.
4.11.
In het convenant hebben partijen afgesproken dat de woning tegen een waarde van € 240.000,- aan [gedaagde] zou worden toegedeeld, onder de verplichting van [gedaagde] om de hypothecaire lasten voor haar rekening te nemen. Partijen zijn het erover eens dat de toedeling aan [gedaagde] was ingegeven door de wens van beide partijen dat hun destijds minderjarige kinderen in de woning konden blijven wonen. [gedaagde] zou door deze verdeling van de woning worden overbedeeld voor een bedrag van € 81.016,-. Omdat [gedaagde] over onvoldoende financiële middelen beschikte om aan [eiser] zijn aandeel in de woning te kunnen voldoen hebben partijen, in overleg met een mediator, een constructie bedacht waarbij toedeling van de woning aan [gedaagde] toch mogelijk was. [eiser] heeft de in de toekomst (mogelijk) door hem aan [gedaagde] verschuldigde partneralimentatie afgekocht en bepaald is dat de door [eiser] opgebouwde pensioenrechten niet in de huwelijksgemeenschap vallen. Bij de levering van de woning aan [gedaagde] zouden de aanspraken die [gedaagde] daaruit verkreeg worden verrekend met de aanspraken van [eiser] ter zake van de overbedeling van [gedaagde].
4.12.
Tussen partijen is niet in geschil dat zij op de dag van ondertekening van het convenant ook beiden de clausule ondertekend hebben. In de clausule is een bepaling opgenomen die kort gezegd inhoudt dat [eiser] na het verstrijken van ruim tien jaar nog aanspraak kan maken op de helft van een eventuele waardestijging van de woning ten opzichte van de door partijen in 2014 vastgestelde waarde van € 240.000,-. Daartoe zou de waarde van de woning op uiterlijk op 1 oktober 2024 door een taxateur worden vastgesteld. Tijdens de zitting heeft [eiser] toegelicht dat de achterliggende reden van de clausule is gelegen in het creëren van balans tussen partijen, onder meer gelet op de fiscale consequenties die het convenant voor [eiser] tot gevolg had. Doordat alleen op papier sprake was van een opbrengst uit de woning voor [eiser], maar hij geen liquiditeiten verkreeg die hij binnen drie jaar kon aanwenden voor de aankoop van een nieuwe woning verloor [eiser] zijn hypotheekrenteaftrek over een bedrag van € 81.016,- voor de rest van dertig jaar. Bovendien had de afkoop van de partneralimentatie tot gevolg dat [eiser] een fiscale aftrek van € 37.000,- moest inleveren. [eiser] had daarbij pas later de mogelijkheid om zelf een woning te kunnen kopen, terwijl [gedaagde] in de woning kon blijven waarbij de overwaarde intact bleef. De clausule hield een waardebepaling in waarmee, rekening houdend met de financiële consequenties voor [eiser], de balans tussen partijen werd hersteld.
4.13.
[gedaagde] zegt dat zij zich – na ondertekening van de clausule –
door voortschrijdend inzichtrealiseerde dat de clausule voor haar erg nadelig was. Zij wilde niet dat partijen na het sluiten van de akte van verdeling nog iets van elkaar te vorderen zouden hebben en betoogt dat partijen met de notariële akte nieuwe afspraken hebben gemaakt. Ter zitting heeft [gedaagde] verklaard dat zij over haar voortschrijdend inzicht niet heeft gesproken met [eiser] of de notaris.
4.14.
De rechtbank volgt de stelling van [gedaagde] dat partijen in de notariële akte op dit punt nieuwe afspraken hebben gemaakt niet. [gedaagde] heeft zelf aangegeven dat zij niet langer gebonden wilde zijn aan de afspraak in de clausule, maar dat zij daar niet met [eiser] over heeft gesproken. Zij mocht er dan ook niet op vertrouwen dat hij instemde met het vervallen van de afspraak die partijen kort daarvoor uitdrukkelijk met elkaar hadden gemaakt. In de akte van verdeling wordt de gemeenschap overigens exact verdeeld op de wijze als door partijen is vastgelegd in het convenant. Een redelijke uitleg van de bepalingen, waaronder ook de kwijtingsbepaling, brengt daarom met zich mee dat [eiser] niet hoefde te verwachten dat met de notariële akte de geldigheid van de clausule kwam te vervallen. Niet kan worden vastgesteld dat partijen met de kwijting hebben bedoeld dat de clausule is komen te vervallen.
Tussentijdse conclusie
4.15.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de clausule niet door de kwijting in de notariële akte is komen te vervallen. De clausule is in beginsel dan ook geldig en moet door [gedaagde] worden nagekomen.
4.16.
Voor het geval de rechtbank tot het oordeel zou komen dat de clausule nog steeds gelding heeft, hetgeen dus het geval is, heeft [gedaagde] reconventionele vorderingen ingediend. De rechtbank zal hierna ingaan op deze door [gedaagde] vorderingen die – in ieder geval deels – ook zijn aan te merken als bevrijdende verweren tegen de vorderingen van [eiser].
Geen sprake van dwaling
4.17.
[gedaagde] beroept zich op dwaling. Ter zitting heeft [gedaagde] toegelicht dat sprake is van een onjuiste voorstelling van zaken omdat zij in de veronderstelling verkeerde dat de notariële akte leidend was. Voor [gedaagde] gold dat zij door voortschrijdend inzicht niet wilde dat partijen na het sluiten van de notariële akte en uitvoering van de wijziging van de tenaamstelling van de woning nog iets van elkaar te vorderen zouden hebben. [gedaagde] ging ervan uit dat zij door de notariële akte gekweten was. Onder een juiste voorstelling van zaken zou [gedaagde] nooit met de clausule akkoord zijn gegaan.
4.18.
De rechtbank oordeelt dat geen sprake is van dwaling en licht dat als volgt toe.
4.19.
Uit de wet volgt dat een overeenkomst die tot stand is gekomen onder invloed van dwaling en bij een juiste voorstelling van zaken niet zou zijn gesloten vernietigbaar is. [3] Voor dwaling is vereist dat een van partijen bij het aangaan van de overeenkomst een onjuiste voorstelling van zaken moet hebben gehad. Door [gedaagde] is niet duidelijk gemaakt waar die onjuiste voorstelling van zaken voor haar uit bestond bij het aangaan van het convenant en de daarbij horende clausule. Dat [gedaagde] er ten tijde van de verdeling voor de notaris van uitging dat zij door de notariële akte gekweten zou worden is een veronderstelling die nog niet bestond ten tijde van het aangaan van de clausule en maakt niet dat de clausule onder invloed van dwaling tot stand is gekomen. Onduidelijk is ook gebleven op welk geval van artikel 6:228 lid 1 BW Pro [gedaagde] zich beroept. Zij heeft niet toegelicht of zij meent dat de door haar gestelde dwaling te wijten is aan een inlichting van [eiser] of aan verzwijging door [eiser] of dat [gedaagde] en [eiser] beiden hebben gedwaald. Dat sprake is van dwaling is dan ook onvoldoende onderbouwd. De rechtbank zal de tegenvordering van [gedaagde] om de clausule te vernietigen wegens dwaling dan ook afwijzen.
Geen onvoorziene omstandigheden
4.20.
[gedaagde] voert ook aan dat sprake is van onvoorziene omstandigheden die van dien aard zijn dat [eiser] naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid ongewijzigde instandhouding van de clausule niet mag verwachten en vordert de clausule om die reden te ontbinden. [gedaagde] had niet kunnen verwachten dat de huizenprijzen zo zouden stijgen en dat dit zulke disproportionele gevolgen voor haar zou hebben. Effectuering van de clausule leidt er volgens [gedaagde] toe dat de woning verkocht zal moeten worden en [gedaagde] op zoek zal moeten gaan naar andere woonruimte.
4.21.
Naar het oordeel van de rechtbank is geen sprake van een onvoorziene omstandigheid op grond waarvan de clausule gewijzigd of (deels) ontbonden moet worden.
4.22.
Artikel 6:258 BW Pro geeft de rechtbank de mogelijkheid een overeenkomst geheel of gedeeltelijk te ontbinden op grond van onvoorziene omstandigheden welke van dien aard zijn dat de wederpartij naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid ongewijzigde instandhouding van de overeenkomst niet mag verwachten. Een onvoorziene omstandigheid als bedoeld in artikel 6:258 BW Pro is een omstandigheid die op het moment van totstandkoming van de overeenkomst nog in de toekomst is gelegen en die daarin niet is verdisconteerd. Of dat laatste het geval is moet door uitleg van de overeenkomst worden vastgesteld. [4]
4.23.
De rechtbank stelt vast dat de clausule die partijen hebben getekend juist ziet op een eventuele waardestijging van de woning. Alleen in het geval de woning in waarde is gestegen kan [eiser] aanspraak maken op de helft van de meerwaarde ten opzichte van de door partijen vastgestelde waarde van de woning in 2014 van € 240.000,00. De bepaling impliceert dat partijen rekening hielden met de kans van waardestijging en hebben afgesproken dat (juist) die waardestijging zou worden verdeeld. De waardestijging van de woning is dus bij uitstek een omstandigheid die in de clausule is verdisconteerd.
4.24.
[gedaagde] zegt ook dat partijen niet hadden voorzien dat de huizenprijzen (en daarmee de waarde van de woning) zo zouden stijgen als zij de afgelopen tien jaar gedaan hebben. Ook dat leidt niet tot het oordeel dat de stijging van de waarde van de woning niet verdisconteerd is in de afspraken van partijen. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat partijen de afspraak om een waardestijging te verdelen niet hebben beperkt. Die mogelijkheid hadden zij wel. Door dit niet te doen hebben zij feitelijk voor lief genomen dat verdeling ook aan de orde zou zijn bij hoge waardestijgingen. Daarbij komt dat op dit moment niet duidelijk welke waarde een taxateur zal vaststellen voor de woning per 1 oktober 2024. In de procedure is wel naar voren gebracht dat die waarde mogelijk € 600.000,00 zal zijn. Dat is een aanzienlijke stijging maar bij een langjarige gemiddelde stijging van ongeveer 5% geen onvoorziene omstandigheid in de zin van artikel 6:258 BW Pro. [5]
4.25.
Gelet op het voorgaande gaat een beroep van [gedaagde] op onvoorziene omstandigheden niet op. De vordering van [gedaagde] om de clausule op grond van onvoorziene omstandigheden te ontbinden zal dan ook worden afgewezen.
Naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar
4.26.
[gedaagde] voert aan dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat [eiser] aanspraak kan maken op een volledige winstverdeling terwijl hij geen enkele bijdrage heeft geleverd aan de kosten van de woning gedurende de afgelopen jaren. Zij vindt dat hij om die reden geen ongewijzigde instandhouding van de clausule mag verwachten. Volgens [gedaagde] heeft [eiser] al een significant voordeel genoten doordat hij geen partneralimentatie hoeft te betalen (te vermeerderen met indexering) en omdat hij zijn ouderdomspensioen niet met [gedaagde] hoeft te verevenen. Ook vanwege het ontbreken van wederkerigheid is matiging op zijn plaats.
4.27.
De rechtbank oordeelt dat [gedaagde] onvoldoende feiten en/of omstandigheden heeft gesteld voor het oordeel dat toepassing van de overeengekomen clausule in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Hiervoor is het volgende van belang.
4.28.
Een tussen partijen geldende regel is niet van toepassing, voor zover dat naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. [6] Bij de beoordeling of de toepassing van een wettelijke regel in een bepaald geval naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, moet de rechter terughoudendheid betrachten. Het antwoord op de vraag of redelijkheid en billijkheid aan een beroep op een contractueel beding in de weg staan, hangt af van veel omstandigheden, zoals de aard en de verdere inhoud van de overeenkomst waarin het beding voorkomt, de wijze waarop het beding tot stand is gekomen en de mate waarin de wederpartij zich de strekking van het beding bewust is geweest.
4.29.
De rechtbank stelt vast dat partijen in artikel 3.6. van het convenant hebben bepaald dat de eigenaarslasten ten behoeve van de woning tot de datum van overdracht van de woning aan [gedaagde] voor rekening van partijen komen, ieder voor de helft. In de clausule hebben partijen expliciet bepaald dat er bij de uitvoering van de clausule geen verrekening zal plaatsvinden voor de kosten van het normale onderhoud van de woning. Hieruit volgt dat partijen bij het sluiten van het convenant en de clausule bewust afspraken hebben gemaakt over de kosten van de woning en dat hierin is verdisconteerd dat [eiser] niet zou bijdragen in deze kosten. [eiser] heeft onweersproken gesteld dat de clausule tot doel had om hem te compenseren voor de financiële nadelen die de verdeling voor hem met zich meebracht. Onder die omstandigheden maakt het feit dat [eiser] over de afgelopen jaren niet heeft bijgedragen aan de kosten van de woning niet dat toepassing van de gemaakte afspraken onaanvaardbaar zou zijn.
4.30.
[gedaagde] betoogt dat het uitvoeren van de clausule waarschijnlijk tot gevolg zal hebben dat zij de woning moet verkopen, omdat zij dit niet kan financieren uit eigen middelen. [eiser] betwist dit. Hij brengt naar voren dat ook bij een waarde van € 600.000,00 [gedaagde] een beperkte hypotheekschuld zal hebben, zeker afgezet tegen de waarde van de woning waarin zij woont. Het is voor de rechtbank met de beschikbare gegevens niet vast te stellen of [gedaagde] inderdaad niet in staat is om een aan [eiser] te betalen deel van de meerwaarde te financieren. In die zin heeft [gedaagde] haar beroep op artikel 6:248 lid 2 BW Pro niet voldoende onderbouwd. Daarbij komt dat – ook als [gedaagde] inderdaad niet kan financieren en de woning verkocht moet worden – [gedaagde] uit die verkoop waarschijnlijk een aanzienlijk bedrag zal ontvangen. Niet in geschil is dat de huidige hypotheekschuld veel lager is dan de € 240.000,00 die haar in dat geval toekomt. Daarnaast heeft [gedaagde] dan (ook) recht heeft op de helft van een ontstane meerwaarde van de woning. Ook die omstandigheid, die maakt dat [gedaagde] ook bij verkoop in beginsel financiële middelen zal hebben om een andere woonruimte te vinden, doet af aan de gestelde onredelijkheid van de clausule.
4.31.
Daarmee zal de rechtbank de vordering onder III van [gedaagde] afwijzen.
Geen sprake van ongerechtvaardigde verrijking
4.32.
[gedaagde] meent dat de aanspraak van [eiser] op de helft van de overwaarde van de woning zonder dat hij daarvoor iets hoeft te doen, mede gezien de disproportionaliteit, kan worden beschouwd als ongerechtvaardigde verrijking omdat het daarbij gaat om een bedrag van ongeveer € 130.000,-. [eiser] wordt zonder inspanning verrijkt, terwijl [gedaagde] alle zakelijke lasten en verbouwingskosten heeft gedragen. [eiser] betwist dat er sprake zal zijn van ongerechtvaardigde verrijking.
4.33.
De rechtbank oordeelt dat geen sprake is van ongerechtvaardigde verrijking en zal dit hierna toelichten.
4.34.
Op grond van artikel 6:212 BW Pro is de persoon die ongerechtvaardigd is verrijkt ten koste van een ander verplicht, voor zover dit redelijk is, de schade van die ander te vergoeden tot het bedrag van zijn verrijking.
4.35.
De rechtbank merkt in dit kader allereerst op dat een beroep op ongerechtvaardigde verrijking op zichzelf geen verweer kan zijn tegen de vordering van [eiser]. Een geslaagd beroep op ongerechtvaardigde verrijking geeft [gedaagde] hooguit een aanspraak op schadevergoeding waarmee zij een vordering van [eiser] mogelijk zou kunnen verrekenen. Een beroep op verrekening lijkt [gedaagde] echter niet te doen. Daarbij komt dat de rechtbank hiervoor heeft geoordeeld dat de clausule (in beginsel) in stand blijft. Daarmee bestaat er een contractuele grondslag voor een betaling aan [eiser], zodat zijn (eventuele) verrijking niet ongerechtvaardigd zal zijn in de zin van artikel 6:212 BW Pro.
4.36.
[gedaagde] voert de ongerechtvaardigde verrijking ook aan bij haar beroep op de redelijkheid en billijkheid. De rechtbank is hiervoor al ingegaan op de vraag of toepassing van de clausule naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is en heeft die vraag ontkennend beantwoord. Wat betreft de door [gedaagde] betaalde zakelijke lasten geldt verder dat hiertegenover staat dat de door haar aangevoerde aflossingen op de hypothecaire geldlening volledig aan [gedaagde] ten goede komen. Voor door [gedaagde] betaalde rente op de hypothecaire geldlening geldt dat [gedaagde] het alleengebruik van de woning heeft gehad. Van onredelijkheid is dus onvoldoende gebleken, omdat [gedaagde] ook voordelen heeft genoten door het betalen van de zakelijke lasten van de woning. Wat betreft de verbouwingskosten geldt dat deze investeringen, voor zover door [gedaagde] onderbouwd, dateren van meer dan vijf jaar geleden. Uit de clausule volgt dat partijen zijn overeengekomen dat een waardevermeerdering ontstaan door een substantiële verbouwing niet wordt verrekend en geheel ten goede komt aan [gedaagde], tenzij de verbouwing als afgeschreven kan worden beschouwd (met als voorbeeld dat de verbouwing vijf jaar daarvoor heeft plaatsgevonden). In dit geval zijn de gestelde investeringen langer dan vijf jaar geleden gedaan. Overigens is onduidelijk of en in welke mate deze investeringen kunnen worden aangemerkt als een verbouwing ineens (en daarmee ook of die verbouwing ineens dan € 25.000,00 heeft gekost) en of zij hebben bijgedragen aan een waardestijging van de woning.
4.37.
De rechtbank zal de vordering van [gedaagde] onder IV afwijzen.
Geen sprake van rechtsverwerking
4.38.
[gedaagde] beroept zich op rechtsverwerking, omdat zij niet had hoeven te verwachten dat [eiser] na al die tijd zijn aanspraken geldig zou maken, temeer omdat in de notariële akte is bepaald dat partijen niets meer van elkaar te vorderen hebben. Dit verweer slaagt niet.
4.39.
Voor een geslaagd beroep op rechtsverwerking is enkel tijdsverloop niet voldoende.
Er moeten ook bijzondere omstandigheden zijn, waardoor bij [gedaagde] het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat [eiser] zijn aanspraak niet (meer) geldend zal maken, of waardoor de positie van [gedaagde] onredelijk zou worden benadeeld of verzwaard als [eiser] zijn aanspraak alsnog geldend zou maken. Hiervoor is de rechtbank al ingegaan op de kwijting in de notariële akte. Met die kwijting is niet het gerechtvaardigd vertrouwen gewekt dat [eiser] zijn aanspraak – die kort tevoren was gemaakt – niet meer geldend zou maken. Andere bijzondere omstandigheden zijn niet naar voren gebracht. Vast staat dat [eiser] pas in 2024 aanspraak kon maken op de helft van een eventueel ontstane meerwaarde van de woning. [eiser] heeft al in de aanloop naar 1 oktober 2024 daarnaartoe contact opgenomen met [gedaagde], maar omdat [gedaagde] weigerde haar medewerking te verlenen aan een taxatie heeft de advocaat van [eiser] op 23 januari 2024 [gedaagde] nogmaals verzocht haar medewerking te verlenen aan de uitvoering van de clausule. Uit deze gang van zaken volgt juist het tegendeel: al voordat hij zijn aanspraak geldend kon maken heeft [eiser] aangegeven dat hij dat wilde doen. Bij [gedaagde] kan dan ook geen gerechtvaardigd vertrouwen zijn gewekt dat [eiser] zijn aanspraak niet geldig zou maken.
Conclusie
4.40.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat geen van de door [gedaagde] gevoerde verweren slaagt. Dit heeft tot gevolg dat de clausule onverkort geldig blijft. De door [gedaagde] ingestelde vorderingen tot ontbinding, vernietiging dan wel wijziging van de clausule zullen dan ook worden afgewezen. De vordering van [gedaagde] om – naar de rechtbank begrijpt, als de andere vorderingen niet worden toegewezen – een zodanige beslissing te nemen als de rechtbank in goede justitie juist acht, is te onbepaald en komt om die reden niet voor toewijzing in aanmerking. [gedaagde] zal worden veroordeeld tot nakoming van de clausule, inhoudende dat zij haar directe, onvoorwaardelijke en voortvarende medewerking moet verlenen aan het voor gezamenlijke rekening van partijen laten verrichten van een bindende taxatie van de woning tegen de waardebepalingsdatum 1 oktober 2024. De rechtbank zal bepalen dat partijen binnen een week na een verzoek van [eiser] gezamenlijk opdracht moeten geven tot taxatie van de woning aan een taxateur werkzaam bij [bedrijf] Makelaars.
4.41.
De rechtbank zal aan deze veroordeling een dwangsom verbinden, omdat hiertegen geen inhoudelijk verweer is gevoerd. De gevorderde dwangsom zal worden beperkt tot een bedrag van € 100,00 per dag met een maximum van € 10.000,00.
4.42.
Daarnaast zal [gedaagde] veroordeeld worden tot betaling van de helft van het (positieve) verschil tussen enerzijds de getaxeerde waarde van de woning en anderzijds het door partijen in de clausule vastgelegde bedrag van € 240.000,00. De rechtbank zal bepalen dat [gedaagde] dit bedrag aan [eiser] moet betalen binnen vier maanden na taxatie, omdat [gedaagde] onbetwist heeft gesteld dat zij financiering moet regelen, omdat zij over onvoldoende liquide middelen beschikt om de vordering te kunnen voldoen.
Wettelijke rente
4.43.
De gevorderde wettelijke rente zal worden toegewezen. Uiterlijk op 1 oktober 2024 moest de waarde van de woning door een taxateur worden vastgesteld en kon [eiser] aanspraak maken op de helft van de meerwaarde van de woning. Dit is een fatale termijn, waardoor [gedaagde] in verzuim is geraakt. De wettelijke rente is daarom toewijsbaar met ingang van 1 oktober 2024 over de nog nader door partijen na de verrichtte taxatie te bepalen meerwaarde van de woning, tot de dag van volledige betaling.
Buitengerechtelijke kosten
4.44.
Beide partijen maken aanspraak op een vergoeding van buitengerechtelijke kosten voor een bedrag van € 3.630,- Deze vorderingen zullen worden afgewezen. Omdat [gedaagde] in het ongelijk wordt gesteld komen eventueel door haar gemaakte buitengerechtelijke kosten niet voor vergoeding in aanmerking. Ook de kosten die [eiser] zegt te hebben gemaakt komen niet voor vergoeding in aanmerking. Op grond van artikel 6:96 lid 2 onder Pro c BW komen redelijke kosten ter verkrijging van voldoening buiten rechte voor vergoeding in aanmerking. De hoofdvorderingen van [eiser] vallen niet onder het toepassingsbereik van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De rechtbank zal daarom de gevorderde vergoeding toetsen aan de oriëntatiepunten voor de beoordelingen uit het Rapport BGK-integraal. Daarbij komt de rechtbank tot de conclusie dat [eiser] niet heeft onderbouwd dat er sprake is van kosten die afzonderlijk voor vergoeding in aanmerking komen. Dat er meer werkzaamheden zijn verricht dat een enkele (herhaalde) aanmaning is niet gebleken.
Proceskosten
4.45.
Vanwege de affectieve relatie die partijen hebben gehad zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5.De beslissing

De rechtbank
in conventie
5.1.
veroordeelt [gedaagde] steeds – binnen een week na een verzoek van [eiser] dan wel de hierna genoemde taxateur – haar directe, onvoorwaardelijke en voortvarende medewerking te verlenen aan het voor gezamenlijke rekening laten verrichten van een bindende taxatie van de woning door een taxateur werkzaam bij [bedrijf] Makelaars tegen de waardebepalingsdatum 1 oktober 2024, waaronder uitdrukkelijk ook het verstrekken van een gezamenlijke opdracht tot taxatie,
5.2.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] een dwangsom te betalen van € 100,- voor iedere dag dat zij niet aan de hoofdveroordelingen onder 5.1 voldoet, tot een maximum van € 10.000,- is bereikt,
5.3.
veroordeelt [gedaagde] de helft van het (positieve) verschil tussen enerzijds de getaxeerde waarde van de woning en anderzijds het bedrag van € 240.000,- aan [eiser] te betalen, binnen vier maanden nadat de woning is getaxeerd, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 1 oktober 2024 tot de dag van volledige betaling,
5.4.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
5.5.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.6.
wijst het meer of anders gevorderde af,
in reconventie
5.7.
wijst de vorderingen van [gedaagde] af,
5.8.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.A. Hoogkamer en in het openbaar uitgesproken op 13 mei 2026.
1589

Voetnoten

1.De ‘Haviltex-maatstaf’, zoals gepreciseerd in onder meer het arrest van de Hoge Raad van 23 april 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL5262
2.HR 13 maart 1981,
3.Artikel 6:228 BW Pro.
4.Hoge Raad 24 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1974.
5.Zie ook Rechtbank Midden-Nederland 16 november 2022, ECLI:NL:RBMNE:2022:4665.
6.Artikel 6:248 lid 2 BW Pro.