ECLI:NL:RBNHO:2026:6138

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
15 mei 2026
Publicatiedatum
28 mei 2026
Zaaknummer
HAA 25/3267
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 60 WIAArt. 61 WIAArt. 77 WIA
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling terugvordering te veel ontvangen WIA-voorschot over 2023

Deze bestuursrechtelijke uitspraak betreft de definitieve berekening van de WIA-uitkering van eiser over het jaar 2023 en de terugvordering van een te hoog ontvangen voorschot van €8.706,14 bruto door het UWV. Eiser betwist de terugvordering en voert onder meer aan dat hij erop vertrouwde de voorschotten te mogen behouden en dat het UWV onvoldoende onderzoek heeft gedaan.

De rechtbank stelt vast dat het UWV de definitieve berekening heeft gebaseerd op de inkomensgegevens van de Belastingdienst en dat de terugvordering rechtmatig is. Eiser heeft geen concrete toezeggingen van het UWV kunnen aantonen die het vertrouwensbeginsel zouden rechtvaardigen. Ook is niet gebleken dat het UWV onzorgvuldig heeft gehandeld of dat er dringende redenen zijn om van terugvordering af te zien.

De medische rapportage van een verzekeringsarts ondersteunt het standpunt van het UWV dat er geen reden is om af te zien van terugvordering. Eiser heeft geen onderbouwd financieel overzicht overgelegd waaruit blijkt dat terugbetaling niet mogelijk is. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst het verzoek om terugbetaling van griffierecht en proceskosten af.

Uitkomst: Het beroep van eiser tegen de terugvordering van het te veel ontvangen WIA-voorschot wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 25/3267

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 mei 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

(gemachtigde: mr. M. Tracey),
en
de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het Uwv
(gemachtigde: mr. L. Vromans).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de definitieve berekening van de aan eiser toegekende uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) over het jaar 2023 en tegen de terugvordering van het te veel ontvangen voorschot van € 8.706,14 bruto. Eiser is het niet eens met dit besluit. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank dit besluit.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het Uwv terecht en op juiste wijze de WIA-uitkering van eiser over 2023 definitief heeft berekend en het te veel door eiser ontvangen voorschot over 2023 heeft teruggevorderd. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser ontving een voorschot op een WGA-loonaanvullingsuitkering op grond van de WIA. Het Uwv heeft de WIA-uitkering van eiser bij besluit van 12 november 2024 definitief berekend met de inkomensgegevens die het Uwv van de Belastingdienst heeft ontvangen. Het Uwv heeft eiser in dit besluit meegedeeld dat hij over het jaar 2023
€ 8.706,14 bruto te veel aan voorschot heeft ontvangen. Met de tweede beslissing van 12 november 2024 heeft het Uwv het bedrag van € 8.706,14 teruggevorderd. Eiser is het niet eens met dit besluit en heeft daarom bezwaar gemaakt.
2.1.
Met het bestreden besluit van 11 juni 2025 op het bezwaar van eiser is het Uwv bij dat besluit van de terugvordering gebleven. Aan dit besluit heeft Uwv ten grondslag gelegd dat eiser – na verrekening van zijn inkomsten met de uitbetaalde WIA-voorschotten – een bedrag van € 8.706,14 te veel heeft ontvangen over de periode 1 januari 2023 tot en met 31 december 2023. De bezwaren van eiser vormen voor het Uwv geen reden om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.
2.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.3.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
2.4.
Eiser heeft aanvullende gronden ingediend.
2.5.
De rechtbank heeft het beroep op 30 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen: de gemachtigde van het Uwv. De gemachtigde van eiser is, met bericht van verhindering, niet verschenen. Eiser is, zonder bericht van verhindering, niet verschenen.

Standpunt eiser

3. Eiser voert in beroep aan dat hij het niet eens is met de terugvordering. Hij heeft na een telefoongesprek erop vertrouwd dat hij de voorschotten mocht behouden. Verder voert hij aan dat het Uwv gedegen onderzoek had moeten doen en de terugvordering had moeten voorkomen. Hij heeft het Uwv steeds op de hoogte gehouden van zijn inkomsten. De administratie van het Uwv faalt.
Eiser vraagt aandacht voor zijn privésituatie, waaronder zijn kwetsbare medische achtergrond en de financiële tegenslagen. Dat heeft een enorme impact gehad.

Beoordeling door de rechtbank

4. De rechtbank beoordeelt of het Uwv op juiste gronden de WIA-uitkering van eiser definitief heeft vastgesteld en € 8.706,14 aan te veel betaald voorschot terugvordert over het jaar 2023. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
5. Het toepasselijke wettelijk kader luidt als volgt.
5.1.
Artikel 60, eerste lid, van de WIA bepaalt, voor zover hier van belang, dat de WGA-uitkering bestaat uit een loonaanvullingsuitkering voor de verzekerde die per kalendermaand een inkomen verdient dat tenminste gelijk is aan de inkomenseis of een vervolguitkering. In artikel 61 van Pro de WIA is bepaald hoe de hoogte van de WGA-uitkering per kalendermaand wordt vastgesteld. Daarbij is van belang wat het inkomen per kalendermaand is.
5.2.
Artikel 77, eerste lid, van de WIA verplicht het Uwv terug te vorderen wat onverschuldigd is betaald. De bevoegdheid om daarvan geheel of gedeeltelijk af te zien is op grond van het zesde lid van dat artikel beperkt tot situaties waarin dringende redenen aanwezig zijn.
6. De rechtbank constateert dat eiser geen beroepsgronden heeft gericht tegen de berekening van het terugvorderingsbedrag. Eiser voert aan dat hij erop mocht vertrouwen dat hij de voorschotten mocht houden.
6.1.
De rechtbank volgt eiser hierin niet. Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is volgens vaste rechtspraak [1] vereist dat de betrokkene aannemelijk maakt dat van de zijde van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit de betrokkene in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of en, zo ja, hoe het bestuursorgaan in een concreet geval een bevoegdheid zou uitoefenen. Het Uwv heeft betwist een toezegging te hebben gedaan. Eiser heeft niet onderbouwd welke toezegging is gedaan en wanneer dit zou hebben plaatsgevonden. Dat door het Uwv uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en onvoorwaardelijke toezeggingen zijn gedaan, die bij eiser gerechtvaardigde verwachtingen kunnen hebben gewekt, is op geen enkele wijze gebleken. Daarbij komt dat het Uwv deze werkwijze sinds 2021 hanteert en eiser een jaar voorafgaand aan het onderhavige jaar ook is geconfronteerd met een definitieve berekening waaruit een terugvordering volgde. Eiser, die zelf op het wijzigingsformulier van 14 januari 2025 vermeldt dat hij jurist is, was derhalve bekend met het feit dat hij voorschotten ontving en dat een definitieve vaststelling zou volgen, welke kan leiden tot een terugvordering.
6.2.
Voor zover eiser met de stelling dat het Uwv zelf gedegen onderzoek had moeten doen naar zijn inkomen om een terugvordering te voorkomen heeft bedoeld aan te voeren dat het Uwv direct na het uitkeren van een voorschot een berekening moet maken, kan hij niet worden gevolgd. Een dergelijke verplichting heeft het Uwv niet. Dat het Uwv niet de gebruikelijke procedure voor het vaststellen van de uitkering heeft gehanteerd, is gesteld noch gebleken. Uit het dossier volgt ook niet dat het Uwv een aandeel heeft gehad in de oorzaak van de terugvordering. Daarbij is van belang dat aan het verlenen van een voorschot inherent is dat de definitieve hoogte van de uitkering nog niet vaststaat. Dit kan ertoe leiden dat achteraf blijkt dat het voorschot te hoog is geweest en dat een te veel betaald bedrag aan uitkering moet worden terugbetaald. In dit geval is de oorzaak van de terugvordering gelegen in het feit dat de inkomsten van eiser pas achteraf bij het Uwv bekend zijn geworden. De definitieve vaststelling van de WIA-uitkering van eiser in 2023 heeft het Uwv, zoals aangegeven in het primaire besluit van 12 november 2024, gebaseerd op de aanslag inkomstenbelasting van de Belastingdienst. Het Uwv kon de WIA-uitkering niet eerder definitief vaststellen, nu zij pas in de loop van 2024 over de daarvoor benodigde gegevens beschikte. Niet gebleken is dat er een onredelijk lange tijd verstreken is tussen de ontvangst van die aanslag door het Uwv en de definitieve vaststelling van de WIA-uitkering en de terugvordering van het te veel betaalde voorschot. De verstrekking van WIA-voorschotten van 2023 heeft het Uwv gebaseerd op de door eiser zelf doorgegeven geschatte inkomsten. Uit het dossier is, anders dan eiser stelt, niet gebleken dat eiser tussendoor wijzigingen heeft doorgegeven in de geschatte inkomsten.
7. Als uitgangspunt heeft te gelden dat het Uwv een plicht heeft tot terugvordering van het teveel betaalde aan uitkering, tenzij sprake is van dringende redenen om daarvan af te zien. Eiser stelt verder dat er redenen aanwezig zijn om van terugvordering af te zien, gelet op zijn financiële problematiek en verslechterde gezondheidstoestand.
7.1.
De rechtbank is van oordeel dat het Uwv in de situatie van eiser alle relevante feiten en omstandigheden bij de beoordeling van de dringende reden voldoende heeft meegewogen. Het Uwv heeft een onderzoek laten verrichten door de verzekeringsarts, die in het rapport van 14 mei 2025 heeft geconcludeerd dat er geen medische reden is om van de terugvordering af te zien. Eiser heeft geen gronden tegen dit rapport gericht, zodat de rechtbank de conclusie overneemt. Voor zover eiser aandacht vraagt voor zijn financiële situatie, stelt de rechtbank vast dat eiser geen (onderbouwd) financieel overzicht heeft overgelegd aan de hand waarvan zou kunnen worden geoordeeld dat hij niet in staat is tot terugbetaling. Het Uwv heeft nog gewezen op het wijzigingsformulier van 14 januari 2025, waarop eiser heeft vermeld dat zijn bruto maandinkomen € 8.200,- bedraagt. Verder is ter zitting toegelicht dat eiser met een betalingsregeling inmiddels aflost.
7.2.
De rechtbank is van oordeel dat het Uwv terecht zich op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van dringende redenen om geheel of gedeeltelijk van terugvordering van het te veel betaalde voorschot af te zien.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M. de Vries, rechter, in aanwezigheid van mr. A.J. Boerrigter, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 15 mei 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 9 april 2026, ECLI:NL:CRVB:2026:421.