AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Bevestiging niet-verzekerd zijn voor AOW over periode van ruim 22 jaar
Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen een pensioenoverzicht van de Sociale Verzekeringsbank (Svb) waarin is vastgesteld dat zij niet verzekerd was voor de AOW over een periode van ruim 22 jaar, van 22 april 1990 tot en met 9 december 2022. De Svb baseerde dit op het feit dat appellante sinds 1990 in België woonde en niet in Nederland werkte, waardoor zij niet verzekerd was op grond van de AOW en de relevante beleidsbesluiten (KB 164 en KB 746).
De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep van appellante ongegrond en stelde dat de Svb terecht niet vasthield aan een eerder pensioenoverzicht waarin een deel van de periode wel als verzekerd was aangemerkt. De rechtbank oordeelde dat appellante geen beroep kon doen op uitzonderingen in de beleidsbesluiten, noch op het vertrouwens- of rechtszekerheidsbeginsel, en dat er geen sprake was van discriminatie. Ook het beroep op het bilaterale verdrag tussen Nederland en België werd verworpen vanwege de werking van Europese verordeningen.
In hoger beroep bevestigt de Centrale Raad van Beroep deze beoordeling. De Raad stelt vast dat appellante niet verzekerd was omdat zij niet in Nederland woonde of werkte en dat de Europese verordeningen 1408/71 en 883/2004 van toepassing zijn, waardoor het bilaterale verdrag niet geldt. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt omdat het nationale bestuursorgaan niet bevoegd is om af te wijken van dwingende Europese regels. Ook het rechtszekerheidsbeginsel wordt niet geschonden omdat de Svb haar eerdere fout met voldoende motivering heeft hersteld. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel wordt verworpen omdat een eventuele fout in een vergelijkbare zaak geen reden is om die fout te herhalen.
De Raad bevestigt het bestreden besluit en wijst het hoger beroep af. Appellante krijgt geen vergoeding van proceskosten. De uitspraak is gedaan door een meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 9 april 2026.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de vaststelling dat appellante niet verzekerd was voor de AOW van 22 april 1990 tot 9 december 2022 blijft in stand.
Uitspraak
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
24/1534 AOW
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 24 mei 2024, 23/2860 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (België) (appellante)
de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank (Svb)
Datum uitspraak 9 april 2026
SAMENVATTING
Appellante is het niet eens met een pensioenoverzicht waarin de Svb heeft vastgesteld dat zij niet verzekerd is geweest over een periode van ruim 22 jaar. De Raad is het met de rechtbank eens dat de Svb niet vast hoeft te houden aan een eerder pensioenoverzicht waarin een deel van de periode wel als verzekerd was aangemerkt. De Raad volgt verder niet het betoog van appellante dat het nieuwe pensioenoverzicht in strijd is met een verdrag tussen Nederland en België, dan wel de bepalingen van de Verordeningen 1408/71 en 883/2004, en dat de Svb het rechtszekerheids-, vertrouwens- en het gelijkheidsbeginsel heeft geschonden.
PROCESVERLOOP
Appellante heeft hoger beroep ingesteld en haar beroep op twee momenten nader onderbouwd. De Svb heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 15 januari 2026. Appellante is met bericht niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C.A. van der Vlist.
OVERWEGINGEN
Inleiding
1. Appellante heeft de Svb op 22 februari 2016 verzocht om een pensioenoverzicht. Met een pensioenoverzicht van 14 juli 2016 heeft de Svb vastgesteld dat appellante verzekerd is geweest voor de AOW [1] van 19 mei 1974 tot en met 12 juli 2016 en dat zij tot en met 12 juli 2016 86% van het AOW-pensioen heeft opgebouwd.
1.1.
Op 8 november 2022 heeft appellante opnieuw gevraagd om een pensioenoverzicht. Met een pensioenoverzicht van 13 december 2022 heeft de Svb vastgesteld dat appellante verzekerd is geweest voor de AOW van 19 mei 1974 (aanvangsleeftijd) tot en met 21 april 1990, maar niet verzekerd is geweest van 22 april 1990 en tot en met 9 december 2022 (periode in geding). Appellante heeft daarom tot en met 9 december 2022 32% van het AOW-pensioen opgebouwd. Tegen dit pensioenoverzicht heeft appellante bezwaar gemaakt, maar de Svb is met een besluit van 28 april 2023 (bestreden besluit) gebleven bij de vaststelling van de niet-verzekerde periode en de aanvangsleeftijd. De Svb heeft daaraan ten grondslag gelegd dat appellante vanaf 22 april 1990 niet in Nederland woonde. Ook werkte zij toen niet in Nederland. Appellante kan verder geen beroep doen op de uitbreidingsbepalingen in KB 164 [2] en KB 746 [3] . Haar echtgenoot was na de verhuizing naar België nog verzekerd voor de AOW, omdat hij in Nederland werkte. Hij werkte wel voor een Nederlandse publiekrechtelijke rechtspersoon, maar omdat hij deze arbeid in Nederland verrichtte, zijn KB 164 en KB 746 niet van toepassing.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten.
2.1.
De rechtbank stelt voorop dat iemand verzekerd is voor de AOW als diegene in Nederland woont of werkt. De AOW kent bovendien individuele rechten, zodat een AOW recht in beginsel niet kan worden afgeleid van een echtgenoot of partner. De rechtbank onderschrijft de visie van de Svb dat appellante geen beroep kan doen op de uitzonderingen op dit beginsel in KB 164 en KB 746.
2.2.
De rechtbank heeft verder geoordeeld dat het beroep van appellante op het vertrouwensbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel niet slaagt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de Svb in het bestreden besluit voldoende gemotiveerd waarom de eerdere vaststelling van het aantal verzekerde jaren in 2016 niet juist was en waarom appellante vanaf 22 april 1990 niet meer verzekerd was voor de AOW. Volgens de rechtbank had het op de weg van appellante gelegen om zich te informeren wat de verhuizing naar België zou betekenen. Als zij dit had gedaan had zij de nadelige gevolgen van een verhuizing naar België kunnen beperken. Ook had zij kunnen vaststellen dat het pensioenoverzicht van 14 juli 2016 niet juist kon zijn. De gevolgen van haar nalaten dienen voor haar eigen rekening te komen.
2.3.
De rechtbank oordeelt dat geen sprake is van discriminatie van appellante ten opzichte van in Nederland wonende vrouwen die (net als appellante) niet werkten. De gevallen zijn naar het oordeel van de rechtbank niet vergelijkbaar, alleen al omdat appellante niet in Nederland woonde.
2.4.
Ten slotte kan appellante zich volgens de rechtbank niet beroepen op artikel 6, tweede lid, van het NBV [4] , omdat met de inwerkingtreding van de Europese verordening over coördinatie van sociale zekerheid de bestaande bilaterale verdragen zijn vervallen. Voor artikel 6, tweede lid, van het NBV is op deze regel geen uitzondering gemaakt.
Het standpunt van appellante
3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat appellante tegen die uitspraak heeft aangevoerd, wordt hierna besproken.
Het standpunt van de Svb
3.1.
De Svb heeft gevraagd om de aangevallen uitspraak te bevestigen.
Het oordeel van de Raad
4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de vaststelling van de niet-verzekerde periode en de aanvangsleeftijd in stand heeft gelaten. De Raad doet dit aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. De wettelijke regels en beleidsregels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
4.1.
De Raad is net als de rechtbank van oordeel dat appellante op grond van de AOW en KB 164 en KB 746 in de periode van 22 april 1990 tot en met 9 december 2022 niet verzekerd is geweest. Tussen partijen is niet in geschil dat appellante vanaf 22 april 1990 in België woonde en niet in Nederland werkte. Appellante was dus niet op grond van wonen of werken verzekerd voor de AOW. Appellante heeft een beroep gedaan op artikel 3 vanPro KB 746 en artikel 3 vanPro KB 164. Die bepalingen zijn echter niet van toepassing omdat de echtgenoot van appellante wel in dienst was van een Nederlandse publiekrechtelijke rechtspersoon in de periode waar het hier om gaat, maar niet buiten Nederland arbeid ten behoeve van die rechtspersoon verrichtte.
4.2.
Appellante heeft verder een beroep gedaan op het NBV. De Raad is het eens met de rechtbank dat appellante zich niet op dit verdrag kan beroepen, omdat het in haar situatie niet van toepassing is. Dit komt doordat op haar Verordening 1408/71 [5] en (vanaf 1 mei 2010) Verordening 883/2004 [6] van toepassing waren. Appellante valt namelijk in de periode waar het hier om gaat op grond van artikel 2 vanPro Verordening 1408/71 en artikel 2 vanPro Verordening 883/2004 onder de personele werkingssfeer van die verordeningen. De AOW valt bovendien binnen de materiële werkingssfeer van Verordening 1408/71 (op grond van artikel 4) en van Verordening 883/2004 (op grond van artikel 3). In artikel 6 vanPro Verordening 1408/71 en artikel 8 vanPro Verordening 883/2004 is bepaald dat die verordeningen, binnen hun werkingssfeer, in de plaats treden van verdragen die tussen de lidstaten van toepassing zijn. Voor de bepalingen van het NBV zijn in de verordeningen geen uitzondering gemaakt. Dat betekent dat appellante niet onder de werkingssfeer van het NBV valt en dat verdrag dus niet op haar van toepassing is.
4.3.
Appellante heeft ook een beroep gedaan op punt 2, onderdeel c, van bijlage VI van Verordening 1408/71, zoals die bepaling gold vanaf de inwerkingtreding van die verordening. Op grond van die bepaling werd de korting op het AOW-pensioen wegens niet-verzekerde jaren niet toegepast voor kalenderjaren die – kort gezegd – samenvallen met verzekeringstijdvakken die door de echtgenoot zijn vervuld en gedurende welke tijdvakken zij met elkaar waren gehuwd. Die bepaling was echter niet van toepassing in de periode waar het hier om gaat, omdat die al vervangen was door Bijlage VI, punt 2, onderdeel f, van Verordening 1408/71, zoals die bepaling gold vanaf 2 augustus 1989. [7] Op grond daarvan kon – kort gezegd – de echtgenote van de verzekerde onder de in die bepaling genoemde omstandigheden zich vrijwillig verzekeren. Tussen partijen is niet in geschil dat appellante in de periode waar het hier om gaat niet vrijwillig verzekerd is geweest voor de AOW.
4.4.
Appellante heeft voorts gesteld – zo begrijpt de Raad – dat de Svb in strijd met artikel 87 vanPro Verordening 883/2004 heeft gehandeld door haar niet voor te lichten over het niet meer van toepassing zijn van het NBV. In die omstandigheden blijft volgens haar het NBV onverkort gelden. Deze beroepsgrond slaagt niet. Artikel 87 vanPro Verordening 883/2004 betreft de situatie dat door de inwerkingtreding van Verordening 883/2004 op 1 mei 2010 de wetgeving van een andere lidstaat van toepassing zou worden dan de wetgeving die vóór die datum op grond van Verordening 408/71 van toepassing was. De bepaling heeft dus geen betrekking op vervanging van het NBV door de Europese verordeningen.
4.5.
Het beroep van appellante op het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel slaagt niet. Een bestuursorgaan mag een gemaakte fout in beginsel met terugwerkende kracht herstellen, tenzij dat in strijd komt met het rechtszekerheidsbeginsel of enig ander rechtsbeginsel. [8] Weliswaar is de Svb in formele zin teruggekomen van de verzekerde periode die in het pensioenoverzicht van 14 juli 2016 is vastgesteld, maar materieel is geen sprake van het met terugwerkende kracht herstellen van een gemaakte fout door de Svb ten nadele van de burger. Een in een pensioenoverzicht vastgesteld aantal verzekerde jaren staat niet ook voor de toekomst definitief vast. [9] Nu het feitelijke rechtsgevolg pas intreedt bij het besluit over het AOW-pensioen, moet de Svb op dat moment (opnieuw) onderzoeken in welke jaren iemand verzekerd was. Voor zover dit onderzoek ziet op jaren waarover via een pensioenoverzicht al een standpunt was bepaald, moet wel deugdelijk en toereikend worden gemotiveerd waarom de eerdere vaststelling onjuist was. Ook op dit punt is de Raad het met de rechtbank eens dat de Svb voldoende heeft gemotiveerd dat appellante in de periode niet verzekerd is geweest op grond van de AOW. Het rechtszekerheidsbeginsel is daarom niet geschonden.
4.6.
Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is vereist dat de betrokkene aannemelijk maakt dat van de zijde van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit de betrokkene in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of en, zo ja, hoe het bestuursorgaan in een concreet geval een bevoegdheid zou uitoefenen. [10] Verder is vereist dat de toezegging, andere uitlating of gedraging aan het bevoegde bestuursorgaan kan worden toegerekend. Dat sprake is van gerechtvaardigde verwachtingen betekent echter niet dat daaraan altijd moet worden voldaan. Zwaarder wegende belangen, zoals het algemeen belang of belangen van derden, kunnen daaraan in de weg staan. Bij deze belangenafweging kan ook een rol spelen of de betrokkene op basis van de gewekte verwachtingen handelingen heeft verricht of nagelaten als gevolg waarvan hij schade heeft geleden of nadeel heeft ondervonden.
4.7.
Bij de aanvraag heeft appellante vermeld dat zij sinds april 1990 niet meer in Nederland woont en niet in Nederland heeft gewerkt. Zij heeft verder vermeld dat zij denkt dat zij op grond van de werkzaamheden van haar man in Nederland voor de opbouw voor de AOW verzekerd is gebleven. In het pensioenoverzicht van 14 juli 2016 heeft de Svb zonder voorbehoud vermeld gedurende welke tijdvakken betrokkene tot op dat moment AOW verzekerd was geweest en welk percentage van het AOW-pensioen zij als gevolg daarvan had opgebouwd. Appellante heeft onweersproken gesteld dat zij van de juistheid van de vermelde periodes is uitgegaan. Onder deze omstandigheden oordeelt de Raad dat sprake is van een aan de Svb toe te rekenen toezegging waaruit appellante redelijkerwijs kon en mocht afleiden dat de Svb er bij de berekening van haar AOW-pensioen van zou uitgaan dat zij verzekerd is geweest in de als zodanig aangemerkte periode.
4.8.
Dit kan appellante echter niet baten. Aan een belangenafweging wordt niet toegekomen omdat, als de Svb de verwachting zou honoreren, sprake zou zijn van schending van duidelijke dwingende bepalingen uit het Unierecht. Het is vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie dat het (nationale) vertrouwensbeginsel niet tot gevolg kan hebben dat iemand een behandeling geniet die in strijd is met duidelijke bepalingen van het Unierecht. [11] De Svb is dus niet bevoegd de verzekeringspositie van appellante anders vast te stellen dan uit het Unierecht voortvloeit. [12] Dit betekent dat het beroep op het vertrouwensbeginsel niet slaagt.
4.9.
Appellante stelt dat de Svb de plicht had haar te informeren over de gevolgen van haar verhuizing in 1990 naar België. Zij had deze gevolgen dan mogelijk kunnen beperken. De Raad volgt appellante niet in die stelling, reeds omdat niet aannemelijk is dat de Svb toen op de hoogte was van de verhuizing van appellante. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het op de weg van appellante lag om zich te informeren over de gevolgen van de verhuizing naar België voor de opbouw van haar AOW-pensioen. Niet aannemelijk is dat appellante dat toen heeft gedaan. De gevolgen daarvan moeten voor rekening en risico van appellante worden gelaten. [13]
4.10.
Appellante heeft met een beroep op het gelijkheidsbeginsel gesteld dat een bekende van haar door de Svb wel als verzekerd is aangemerkt over een periode waarin die persoon zich in een vergelijkbare situatie bevond als appellante in de periode waar het hier om gaat. Deze stelling van appellante slaagt niet. Als er al sprake zou zijn van vergelijkbare gevallen, zou de Svb in de situatie van de bekende van appellante een onjuiste beslissing hebben genomen. Het gelijkheidsbeginsel strekt niet zo ver dat het bestuursorgaan gehouden is om een in het verleden gemaakte fout te herhalen. [14]
4.11.
Appellante heeft tot slot gesteld dat de Svb ten onrechte geen verzekering heeft aangenomen over de periode van 19 mei 1972 tot en met 19 mei 1974 (aanvangsleeftijd). Deze beroepsgrond slaagt ook niet. De stapsgewijze ophoging van de pensioenleeftijd heeft tot gevolg dat de leeftijd waarop wordt begonnen een AOW-pensioen op te bouwen eveneens wordt opgehoogd. Dit vloeit rechtstreeks uit de wet voort. De Raad heeft al eerder geoordeeld dat de stapsgewijze verhoging van de AOW-leeftijd en de daarmee gepaard gaande verhoging van de aanvangsleeftijd in algemene zin niet in strijd is met het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel, ook niet in de situatie dat iemand is geëmigreerd. [15] Wat appellante heeft aangevoerd, kan er niet aan afdoen dat de Svb op grond van artikel 7a van AOW de aanvangsleeftijd terecht op 19 mei 1974 heeft vastgesteld.
Conclusie en gevolgen
5. Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de vaststellingen in het pensioenoverzicht van 13 december 2022, dat appellante niet eerder dan vanaf 19 mei 1974 verzekerd is geweest voor de AOW en niet verzekerd voor die wet is geweest van 22 april 1990 en tot en met 9 december 2022, in stand blijven.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door M.A.H. van Dalen-van Bekkum als voorzitter en Y. Sneevliet en A. Hoogenboom als leden, in tegenwoordigheid van F.M. Gerritsen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 april 2026.
(getekend) M.A.H. van Dalen-van Bekkum
(getekend) F.M. Gerritsen
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip verzekerde.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels
Verordening (EEG) 1408/71
Artikel 1 (Definities), aanhef en onder h
Voor de toepassing van deze verordening wordt onder „woonplaats” verstaan de normale verblijfplaats.
Artikel 13 (Algemene regels), eerste lid
Onder voorbehoud van de artikelen 14 quater en 14 septies zijn degenen op wie deze verordening van toepassing is, slechts aan de wetgeving van één enkele Lidstaat onderworpen. De toe te passen wetgeving wordt overeenkomstig de bepalingen van deze titel vastgesteld.
Artikel 13 (Algemene regels), tweede lid, aanhef en onder f
Onder voorbehoud van de artikelen 14 tot en met 17 is op degene die ophoudt onderworpen te zijn aan de wettelijke regeling van een Lid-Staat zonder dat hij op grond van één van de in de voorgaande punten genoemde regels of van één van de in de artikelen 14 tot en met 17 bedoelde uitzonderingen of bijzondere regels aan de wettelijke regeling van een andere Lidstaat wordt onderworpen, de wettelijke regeling van toepassing van de Lid-Staat op het grondgebied waarvan hij woont overeenkomstig de bepalingen van deze wettelijke regeling alleen.
Punt 2, onderdeel c, van bijlage V van Verordening 1408/71, zoals die luidde bij de inwerkingtreding
2. Toepassing van de Nederlandse algemene ouderdomswet
(…)
c) Wat de gehuwde vrouw betreft, wier echtgenoot recht heeft op een pensioen krachtens de Nederlandse algemene ouderdomswet, worden ook als tijdvakken van verzekering in aanmerking genomen tijdvakken van dit huwelijk, gelegen voor de datum waarop zij de 65jarige leeftijd heeft bereikt en gedurende welke zij op het grondgebied van een of meer Lid-Staten heeft gewoond, voor zover deze tijdvakken samenvallen met de door haar echtgenoot krachtens bedoelde wet vervulde tijdvakken van verzekering en met de krachtens het bepaalde sub a) in aanmerking te nemen tijdvakken.
Punt 2, onderdeel f, van Bijlage VI van Verordening 1408/71, zoals die bepaling gold vanaf 2 augustus 1989
2. Toepassing van de Nederlandse Algemene Ouderdomswet (AOW)
(…)
f) In afwijking van artikel 45, lid 1, van de algemene ouderdomswet en van artikel 63, lid 1, van de algemene nabestaandenwet bestaat voor de in een andere lidstaat dan Nederland wonende huwelijkspartner van een krachtens genoemde wetten verplicht verzekerde werknemer of zelfstandige de mogelijkheid om zich ingevolge die wetten vrijwillig te verzekeren, echter uitsluitend over tijdvakken welke na 2 augustus 1989 zijn gelegen en gedurende welke de werknemer of zelfstandige krachtens genoemde wetten verplicht verzekerd is geweest. Deze mogelijkheid vervalt met ingang van de dag waarop de verplichte verzekering van de werknemer of zelfstandige eindigt.
Verordening (EEG) 574/72
Artikel 10ter
De datum en de voorwaarden waarop een persoon als bedoeld in artikel 13, lid 2, onder f), van de verordening ophoudt onderworpen te zijn aan de wettelijke regeling van een Lid-Staat, worden overeenkomstig de bepalingen van deze wettelijke regeling vastgesteld. Het orgaan dat is aangewezen door de bevoegde autoriteit van de Lid-Staat waarvan de wettelijke regeling op deze persoon van toepassing wordt, richt zich voor het vernemen van deze datum tot het door de bevoegde autoriteit van de eerste Lid-Staat aangewezen orgaan.
Verordening (EG) 883/2004
Artikel 1 (Definities), aanhef en onder j
Voor de toepassing van deze verordening wordt onder „woonplaats” verstaan de plaats waar een persoon pleegt te wonen.
Artikel 11 (Algemene regels)
1. Degenen op wie deze verordening van toepassing is, zijn slechts aan de wetgeving van één lidstaat onderworpen. Welke die wetgeving is, wordt overeenkomstig deze titel vastgesteld.
2. Voor de toepassing van deze titel worden de personen die een uitkering ontvangen omdat of als gevolg van het feit dat zij een werkzaamheid uitvoeren in loondienst of een werkzaamheid anders dan in loondienst, beschouwd als personen die die werkzaamheid verrichten. Deze regel geldt niet voor uitkeringen bij invaliditeit, ouderdom of aan nabestaanden, prestaties in verband met arbeidsongevallen en beroepsziekten, of prestaties bij ziekte voor behandeling voor onbepaalde tijd.
3. Behoudens de artikelen 12 tot en met 16:
geldt voor degene die werkzaamheden al dan niet in loondienst verricht in een lidstaat, de wetgeving van die lidstaat;
geldt voor ambtenaren de wetgeving van de lidstaat waaronder de dienst waarbij zij werkzaam zijn, ressorteert;
geldt voor degene die een werkloosheidsuitkering ontvangt overeenkomstig artikel 65 volgensPro de wetgeving van de lidstaat van zijn woonplaats, de wetgeving van die lidstaat;
geldt voor degene die wordt opgeroepen of opnieuw wordt opgeroepen voor militaire dienst of vervangende burgerdienst in een lidstaat, de wetgeving van die lidstaat;
geldt voor eenieder op wie de bepalingen van de onderdelen a) tot en met d) niet van toepassing zijn, de wetgeving van de lidstaat van zijn woonplaats, onverminderd andere bepalingen van deze verordening die hem prestaties garanderen krachtens de wetgeving van een of meer andere lidstaten.
Artikel 87 (Overgangsbepalingen)
8. Indien een persoon op grond van deze verordening is onderworpen aan de wetgeving van een andere lidstaat dan die waaraan die persoon op grond van titel II van Verordening (EEG) nr. 1408/71 onderworpen is, blijft de betrokkene onderworpen aan deze wetgeving zolang de desbetreffende situatie voortduurt, maar in elk geval niet langer dan 10 jaar te rekenen vanaf de toepassingsdatum van deze verordening, tenzij hij een aanvraag indient om onderworpen te worden aan de wetgeving die op grond van deze verordening van toepassing is.
Algemene Ouderdomswet
Artikel 6, eerste lid
Verzekerd overeenkomstig de bepalingen van deze wet is degene, die nog niet de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt, en
ingezetene is;
geen ingezetene is, doch ter zake van in Nederland of op het continentaal plat in dienstbetrekking verrichte arbeid aan de loonbelasting is onderworpen.
Artikel 7a
De pensioengerechtigde leeftijd en de aanvangsleeftijd zijn: (…)
k.in 2022: 66 jaar en zeven maanden, respectievelijk 16 jaar en zeven maanden; (…).
Besluit uitbreiding en beperking van de kring verzekerden volksverzekeringen van 3 mei 1989 (Stb. 1989, 164), geldig tot 1-1-1999
Artikel 3
1. Verzekerd ingevolge de volksverzekeringen is de niet in Nederland wonende Nederlander die, voor zover niet reeds begrepen in artikel 2, in dienstbetrekking staat tot een Nederlandse publiekrechtelijke rechtspersoon, indien hij onmiddellijk voorafgaand aan deze dienstbetrekking reeds verplicht verzekerd was ingevolge de volksverzekeringen dan wel in Nederland is aangeworven. (…)
4. Verzekerd ingevolge de volksverzekeringen zijn de niet in Nederland wonende echtgenoot, kinderen en overige gezinsleden van degene die ingevolge het eerste lid verzekerd is.
Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999 (Stb. 1998, 746), geldig vanaf 1 januari 1999
Artikel 3
1. Verzekerd op grond van de volksverzekeringen is de niet in Nederland wonende Nederlander, voor zover niet reeds begrepen onder artikel 2, die uit hoofde van een dienstbetrekking met een Nederlandse publiekrechtelijke rechtspersoon buiten Nederland arbeid verricht ten behoeve van die rechtspersoon, tenzij hij:
a. ten tijde van aanwerving niet in Nederland woonde;
b. buiten Nederland arbeid verricht anders dan uit hoofde van de vorenbedoelde dienstbetrekking;
c. een uitkering ontvangt op grond van een buitenlandse wettelijke regeling inzake sociale zekerheid; of
d. werkzaam is bij een door Onze Ministers en Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties aan te wijzen volkenrechtelijke organisatie en op hem een regeling inzake sociale zekerheid van die organisatie van toepassing is. (…)
3. Verzekerd op grond van de volksverzekeringen zijn de echtgenoot, kinderen en overige inwonende gezinsleden van de verzekerde, bedoeld in het eerste en tweede lid, tenzij het gezinslid:
a. buiten Nederland arbeid verricht en de inkomsten uit deze arbeid meer bedragen dan het bedrag, genoemd in artikel 8.14, eerste lid, onderdeel a, van de Wet inkomstenbelasting 2001; of
b. een uitkering ontvangt op grond van een buitenlandse wettelijke regeling inzake sociale zekerheid.
Voetnoten
1.Algemene Ouderdomswet.
2.Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1989.
3.Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999.
4.Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk België betreffende de toepassing der wederzijdse wetgeving op het punt van sociale verzekering van 29 augustus 1947, Stb. 1949/J 435, inwerkingtreding Trb. 1951/13.
5.Verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van14 juni 1971 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen.
6.Verordening (EG) Nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels.