Uitspraak
RECHTBANK Noord-Holland
1.De procedure
- de mondelinge behandeling van 11 mei 2026, waarbij de advocaten van partijen spreekaantekeningen hebben voorgedragen.
2.De feiten
b. SVn, hierna te noemen: de “Klant”, heeft Pro-Act verzocht een of meer arbeidskrachten aan haar ter beschikking te stellen voor het verrichten van werkzaamheden, hierna te noemen de “Opdracht”.
Overeenkomsten die voor een bepaalde periode zijn overeengekomen kunnen niet door Leverancier[Pro-Act]
worden opgezegd en door Eindklant[SVn]
tussentijds te allen tijde met inachtneming van een opzegtermijn van twee maanden.”
Zoals we maandag met elkaar hebben besproken, is in goed overleg besloten om de samenwerking per direct te beëindigen. De leden van de werkgroep waarderen je vakkundigheid, maar ervaren je benaderingswijze als te corporate en de samenwerking mede daarom als stroef. Dat is voor alle betrokkenen jammer, maar we vinden het belangrijk dat een samenwerking voor beide partijen goed voelt en effectief verloopt.
3.Het geschil
4.De beoordeling
In afwijking van artikel 3.2 (…)”. Deze afwijking bestaat eruit dat artikel 3.2 ruimte laat voor een verplichting om een opzegtermijn in acht te nemen, terwijl artikel 3.5 bepaalt dat in een aantal situaties in ieder geval met onmiddellijke ingang – en dus zonder inachtneming van een opzegtermijn – kan worden opgezegd.
indien en zodra de Klant de Opdracht beëindigt”. [eiser] betoogt daarentegen dat de beëindiging van haar inzet bij SVn niet inhoudt dat ook de ‘Opdracht’ (in de zin van artikel 3.5 onder a) is beëindigd, omdat tussen Pro-Act en SVn een raamovereenkomst bestond op basis waarvan één of meer arbeidskrachten konden worden ingezet bij SVn. Het einde van de inzet van [eiser] betekende daarom niet meteen het einde van de Opdracht, aldus [eiser].